← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2021:5600

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND WRAKINGSKAMER Zaaknummer/rekestnummer: 530320 / HA RK 21-286 Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 17 november 2021 op het verzoek in de zin van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (verder: Rv) van: [verzoekster] , wonend in [woonplaats] , verder te noemen: verzoekster. 1De procedure 1.1. Verzoekster heeft op 8 november 2021 een (ongemotiveerd) verzoek ingediend tot wraking van mr. P.J. Neijt (verder: de rechter) in de zaak met zaaknummer 20/275F. 1.2. Op 8 november 2021 heeft de wrakingskamer per e-mail meegedeeld aan verzoekster dat zij tot uiterlijk op 10 november 2021 om 10.00 uur de gelegenheid heeft om de wrakingsgrond(

  1. en)in te dienen. 1.3. Op 12 november 2021 heeft de wrakingskamer een e-mailbericht van verzoekster ontvangen waarin zij meedeelt pas volgende week terug te komen op de gronden en die inhoudelijk te willen toelichten op een zitting. 1.4. De wrakingskamer heeft, gelet op het onderstaande, afgezien van een mondelinge behandeling. 2De ontvankelijkheid van het wrakingsverzoek 2.1. Op grond van artikel 36 Rv kan elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. 2.2. In artikel 37, tweede lid, Rv staat dat een gemotiveerd verzoek moet worden gedaan. Verzoekster heeft bij haar wrakingsverzoek geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit de vooringenomenheid van de rechter blijkt. Wel heeft zij aangegeven dat de grond(
  2. en)van het wrakingsverzoek later nog ingediend zullen worden. De wrakingskamer heeft verzoekster daarom op 8 november 2021 laten weten dat zij in de gelegenheid werd gesteld om uiterlijk op 10 november 2021 om 10.00 uur de grond(
  3. en)van het wrakingsverzoek in te dienen. Verzoekster heeft hier niet aan voldaan. Wel heeft zij de wrakingskamer op 12 november 2021 een e-mail gestuurd, waarin staat dat zij wegens ziekte en coronasymptomen haar huis niet uit mag en dat zij daarom pas een week later kan terugkomen op de gronden. 2.3. Naar het oordeel van de wrakingskamer heeft verzoekster haar gronden niet tijdig ingediend. De wrakingskamer stelt daarbij voorop dat de gronden van het wrakingsverzoek in beginsel tegelijkertijd met dat verzoek hadden moeten worden ingediend. Bij wijze van uitzondering heeft verzoekster extra tijd gekregen voor het indienen van haar gronden, namelijk tot 10 november 2021 om 10.00 uur. Het had verzoekster duidelijk kunnen en moeten zijn dat dit een uiterste termijn was. De vraag of verzoekster op 12 november 2021 wegens ziekte wel of niet in staat was om gronden in te dienen, is daarom niet relevant. 2.4. Verzoekster heeft niet uiterlijk op 10 november 2021 om 10.00 uur de wrakingsgronden ingediend. Het wrakingsverzoek is daarom onvoldoende gemotiveerd. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verzoekster niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar wrakingsverzoek. 2.5. Op grond van deze kennelijke niet-ontvankelijkheid kan, overeenkomstig het bepaalde in onderdeel 2.1.4 in samenhang met onderdeel 2.4.2.c, van het wrakingsprotocol van deze rechtbank, een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek achterwege blijven. 2.6. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer verzoekster niet-ontvankelijk verklaren in het wrakingsverzoek. 3De beslissing De wrakingskamer: 3.1. verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar wrakingsverzoek; 3.2. draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoekster, de rechter tegen wie het verzoek tot wraking is gericht, andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van het team Toezicht, waarin de rechter werkzaam is en de president van deze rechtbank; 3.3. bepaalt dat de procedure van verzoekster met zaaknummer 20/275 F dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek. Deze beslissing is gegeven door mr. J.G. Nicholson, voorzitter, mr. A. van Dijk en mr. R.C. Stijnen als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. F.G.T. Russcher-Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2021. de griffier wegens afwezigheid van de voorzitter wordt deze beslissing getekend door de oudste rechter Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.