RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: UTR 20/449 -V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 september 2021 op het verzet van [opposante] , te [vestigingsplaats] , opposante, (beweerdelijk gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE). Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep dat mr. D.A.N. Bartels MRE (Bartels) beweerdelijk namens opposante heeft ingediend tegen het besluit van de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht van 19 december
- In de uitspraak van 23 februari 2021 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Opposante is tegen deze uitspraak in verzet gegaan. De zitting heeft plaatsgevonden op 21 september
- Opposante is zelf niet verschenen, maar haar gemachtigde wel. Verweerder is verschenen, maar niet gehoord. Verweerder heeft meegedeeld geen verzoek te willen indienen voor heropening van het onderzoek ter zitting om alsnog te worden gehoord. Overwegingen
- De rechtbank heeft in de uitspraak van 23 februari 2021 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de beweerdelijk opposante niet binnen de beroepstermijn stukken heeft overlegd waaruit de identiteit van degene namens wie hij beroep heeft ingesteld blijkt, zoals een machtiging met daarop de gegevens van opposant(e). Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
- In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. De rechtbank kijkt (nog) niet of opposante gelijk heeft met haar beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 23 februari 2021 niet juist was.
- Volgens opposante is de uitspraak van de rechtbank van 23 februari 2021 niet juist. Op 20 september 2021 heeft opposante nog een volmacht overgelegd. Opposant voert aan dat het besluit waartegen het beroep is gericht geen melding maakt van zijn of haar naam waardoor het niet duidelijk is dat dit besluit op hem/haar betrekking heeft. Dit is dan ook de reden waarom de identiteit niet eerder bekend kon worden gemaakt. Opposante wenst aanspraak te maken op immateriële schadevergoeding wegens mogelijke overschrijding van de redelijke termijn.
- Bij brief van 24 maart 2020, is gebleken dat de gemachtigde namens [opposante] beroep heeft ingesteld. De beroepstermijn was toen al verstreken op 30 januari
- Dit is een (na afloop van de termijn voor het instellen van het rechtsmiddel) niet meer te herstellen gebrek. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 augustus
- ‘De omstandigheid dat beroep wordt ingesteld namens een persoon of personen van wie tijdens de beroepstermijn de identiteit niet kenbaar is, kan niet worden beschouwd als een vormverzuim dat op grond van artikel 6:6 van de Awb kan worden hersteld. In dat geval staat tijdens de beroepstermijn immers in het geheel nog niet vast wie beroep heeft willen instellen. De artikelen 6:5 en 6:6 van de Awb strekken er niet toe het mogelijk te maken beroep in te stellen namens nog onbekende personen. De in artikel 8:1, in samenhang met de artikelen 6:7 en 6:11 van de Awb, neergelegde regeling met betrekking tot de beroepstermijn brengt met zich dat de identiteit van degenen namens wie beroep wordt ingesteld, voor afloop van de beroepstermijn kenbaar moet zijn’ (zie r.o. 2.1). De op 20 september 2021 overgelegde volmacht geeft geen aanleiding om de uitspraak van de rechtbank voor onjuist te houden.
- Het niet vermelden van de naam in de aanhef van het besluit, betekent niet dat het gemachtigde niet duidelijk kon zijn op wie dit besluit betrekking heeft. Het besluit bevat namelijk wel de naam van opposant en ook andere kenmerken op grond waarvan kon worden vastgesteld op wie of welke rechtspersoon het besluit betrekking heeft. De gemachtigde had de identiteit binnen de beroepstermijn bekend kunnen maken. Het verzet slaagt niet.
- De overige door opposant aangevoerde gronden hebben betrekking op het betalen van griffierecht en behoeven gelet op het onderwerp van geschil geen bespreking.
- De gemachtigde verzoekt om vergoeding van de schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. In gevallen waarin de indiener van het rechtsmiddel onbekend is, is het niet mogelijk om schadevergoeding toe te kennen. Het is immers niet duidelijk bij wie of welke rechtspersoon het veronderstelde leed bestaat en aan wie die vergoeding betaald zou moeten worden. Daarom zal de rechtbank geen schadevergoeding toekennen.
- Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank 23 februari 2021 in stand blijft. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van K.F.K. Hoogbruin, griffier. De beslissing is uitgesproken op 23 september 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. ECLI:NL:RVS:2018:2031