← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2021:5784

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND WRAKINGSKAMER Zaaknummer/rekestnummer: 530934 / HA RK 21-302 Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van 25 november 2021 op het verzoek in de zin van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) van: [verzoeker] , wonend in [woonplaats] , verder te noemen: verzoeker, 1De procedure 1.

  1. Verzoeker heeft op 8 november 2021 een verzoek ingediend tot wraking van de rechtbank in de zaak met zaaknummer UTR 21 /3463 PW. 1.
  2. De wrakingskamer heeft, gelet op het onderstaande, afgezien van een mondelinge behandeling. 2De ontvankelijkheid van het verzoek 2.
  3. Verzoeker heeft zijn verzoek tot wraking gebaseerd op het volgende. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit door het Dagelijks Bestuur Werk en Inkomen Lekstroom. Hij betoogt dat de rechtbank voor de derde keer heeft verzuimd om daarover een beslissing te nemen. Intussen heeft het bestuursorgaan alsnog een besluit genomen en nu vraagt de rechtbank een reactie van verzoeker op het ontijdige besluit. Na zelf drie maal te hebben verzuimd om te beslissen en vervolgens het besluit alsnog in behandeling te nemen, geeft de rechtbank blijk van vooringenomenheid. 2.
  4. Op grond van artikel 8:15 Awb kan elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Hieruit volgt dat een wrakingsverzoek slechts kan worden ingediend tegen een individuele rechter die de zaak behandelt. De wet biedt niet de mogelijkheid van wraking van een rechtscollege in zijn geheel, zoals door verzoeker verzocht. Als verzoeker al bedoelt om een individuele rechter te wraken dan is dat ook in dit geval niet mogelijk. Deze zaak is nog niet toebedeeld aan een rechter omdat de zaak zich nog in de administratieve voorfase bevindt. De griffiersbrief die aan verzoeker is gestuurd, betreft een gebruikelijke volgende stap in de procedure in het geval een bestuursorgaan alsnog een besluit neemt terwijl een beroep aanhangig is tegen het niet nemen van een besluit. In dit geval is er dus geen sprake van wraking van een rechter die de zaak behandelt, waardoor niet is voldaan aan het vereiste van artikel 8:15 Awb. 2.
  5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de wrakingskamer verzoeker niet-ontvankelijk verklaren in zijn wrakingsverzoek. 3De beslissing De wrakingskamer: 3.
  6. verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek; 3.
  7. draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, andere betrokken partijen, alsmede aan de president van deze rechtbank; 3.
  8. bepaalt dat de procedure van verzoeker met zaaknummer UTR 21 /3463 PW dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek. Deze beslissing is gegeven door mr. H.A. Brouwer, voorzitter, en mr. G.J.J.M. Essink en mr. R.C. Stijnen als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. F.G.T. Russcher-Jansen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 november
  9. de griffier de voorzitter Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.