← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2021:5790

vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht handelskamer locatie Utrecht zaaknummer / rolnummer: C/16/491463 / HA ZA 19-162 Vonnis van 1 december 2021 in de zaak van 1 [eiser sub 1] , wonende te [woonplaats] ,

  1. de vennootschap onder firma [eiser sub 2] V.O.F., gevestigd te [vestigingsplaats] , eisers in conventie, verweerders in reconventie, advocaat mr. H. Kaiser te Utrecht, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde in conventie, eiser in reconventie, advocaat mr. M.A. Menger te Heerenveen. Partijen zullen hierna afzonderlijk [eiser sub 1] , [eiser sub 2] en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.
  2. Het verloop van de procedure blijkt uit: het tussenvonnis van 3 maart 2021 de akte van [gedaagde] van 14 april 2021 de antwoordakte van [eiser sub 1] van 2 juni 2021 beslissing van de rechtbank van 18 juni 2021 na verzoek van [gedaagde] de akte van [gedaagde] van 7 juli 2021 de antwoordakte van [eiser sub 1] van 4 augustus
  3. 1.
  4. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De verdere beoordeling in conventie en in reconventie 2.
  5. De rechtbank heeft [gedaagde] in het tussenvonnis van 3 maart 2021 opdracht gegeven om met een akte inzicht te geven in de vereffening van de vof. Daarbij moest hij uitleggen of en op welke manier de overname van de onderneming van de vof door zijn eenmanszaak in financiële zin tot uiting is gebracht bij de vereffening en de verdeling van de vof. 2.
  6. Het eindoordeel is dat [gedaagde] voldoende onderbouwd heeft gesteld dat de vereffening van de vof per 31 december 2018 heeft plaatsgevonden op basis van de balans die volgt uit de jaarrekening
  7. Hij heeft de onderneming op going concern basis overgenomen, dat wil zeggen met alle bestaande activa en passiva die op de gebruikelijke wijze (going concern basis) zijn gewaardeerd. Er zijn geen ongebruikelijke afwaarderingen of afkoopbedragen in mindering gebracht op het actief. [eiser sub 1] heeft wel gesteld dat er “zaken zijn afgewaardeerd” zonder dat daarvoor aanleiding was, maar hij heeft die stelling niet concreet en feitelijk gemaakt. Hij heeft gewezen op een afboeking van de voorraad en een afboeking van € 1.716 op debiteuren, maar hij heeft niets meer gesteld tegenover de reactie van [gedaagde] dat het hier gaat om gebruikelijke afboekingen wegens incourantheid (voorraad aangekocht in 2016) en dubieuze debiteuren. 2.
  8. Dan is de vraag of in de vereffening en verdeling rekening moet worden gehouden met een vergoeding voor de overname van de onderneming in de vorm van goodwill. De rechtbank komt tot de conclusie dat dat niet het geval is. De onderneming binnen de vof is in de kleine twee jaar waarin zij bestond, steeds verlieslatend geweest en was sterk verbonden met de personen van [eiser sub 1] en [gedaagde] . [gedaagde] heeft voldoende onderbouwd dat de onderneming an sich, naast de materiële activa, geen positieve waarde vertegenwoordigde. 2.
  9. [eiser sub 1] heeft betoogd dat de prognose was dat de onderneming winstgevend zou worden; voor het jaar 2019 was de geprognosticeerde winst € 82.
  10. [gedaagde] heeft er echter terecht op gewezen dat deze prognose in het ondernemingsplan van juli 2016 staat, nog voordat de onderneming was gestart. Gelet op de financieel teleurstellend verlopen eerste twee jaren kan niet staande worden gehouden dat deze prognose eind 2018 nog steeds opgeld deed. [eiser sub 1] betoogt weliswaar dat de vennootschap feitelijk vrijwel op koers van de prognose lag, maar duidelijk is dat de cijfers van de prognose en de jaarrekening over 2018 op alle vlakken ver uiteen liggen en [eiser sub 1] heeft niet uitgelegd hoe de vennootschap dan op koers lag. Het feit dat ook de eenmanszaak van [gedaagde] per 31 december 2019 opgehouden is te bestaan wegens gebrek aan succes, spreekt in dat opzicht boekdelen. Dat [gedaagde] de onderneming heeft voortgezet na 31 december 2018 betekent niet dat de onderneming dús waarde vertegenwoordigde die [gedaagde] aan [eiser sub 1] moet vergoeden. [gedaagde] heeft, zoals hij heeft uitgelegd, alsnog willen proberen om een succes van de onderneming te maken en de onderneming niet per 1 januari 2019 willen liquideren om de schade te beperken. 2.
  11. De conclusie is dat [gedaagde] in voldoende mate rekening en verantwoording heeft afgelegd over de vereffening van het vennootschapsvermogen. De vordering in conventie onder VI die (onder andere) daarover gaat, moet dus worden afgewezen. Het vennootschapsvermogen moet worden verdeeld tussen de vennoten naar de stand van 31 december 2018 zoals deze blijkt uit de jaarrekening van
  12. Dit betekent dat [eiser sub 1] een bedrag van € 4.394,00 aan [gedaagde] moet betalen. Die vordering in reconventie wordt dan ook toegewezen. 2.
  13. Daarmee heeft de rechtbank op alle geschilpunten beslist. De vorderingen in conventie worden afgewezen en de vorderingen in reconventie worden toegewezen. 2.
  14. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] hebben zowel in conventie als in reconventie ongelijk gekregen en zij moeten de proceskosten van [gedaagde] vergoeden. De kosten in conventie aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op: - griffierecht 297,00 - salaris advocaat 1.689,00 (3,0 punten × tarief € 563,00) Totaal € 1.986,00 De kosten in reconventie aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op: - salaris advocaat 844,50 (3,0 punten × factor 0,5 × tarief € 563,00) Totaal € 844,50 2.
  15. De gevorderde nakosten worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld. 3De beslissing De rechtbank in conventie 3.
  16. wijst de vorderingen af, 3.
  17. veroordeelt [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.986,00, in reconventie 3.
  18. verklaart voor recht dat [eiser sub 2] rechtsgeldig is ontbonden per 31 december 2018; 3.
  19. veroordeelt [eiser sub 1] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 4.394,00 (vierduizenddriehonderdvierennegentig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 4 maart 2020 tot de dag van volledige betaling, 3.
  20. veroordeelt [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 844,50, 3.
  21. wijst het meer of anders gevorderde af. in conventie en reconventie 3.
  22. veroordeelt [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 255,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, 3.
  23. verklaart dit vonnis wat betreft de onderdelen 3.2, 3.4, 3.5 en 3.7 uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Brouwer en in het openbaar uitgesproken op 1 december
  24. type: HAB

(4727)coll: RS
(4234)

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.