vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht handelskamer locatie Utrecht zaaknummer / rolnummer: C/16/510812 / HA ZA 20-771 Vonnis van 8 december 2021 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats 1] , eiseres, hierna ook te noemen: [eiseres] , advocaat: mr. J.C.T. Papeveld, tegen de coöperatie COÖPERATIEVE RABOBANK U.A., gevestigd in [vestigingsplaats 2] , gedaagde, hierna ook te noemen: Rabobank, advocaten: mr. R.L. Ubels en mr. K.W.G. Heesterbeek. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 13 oktober 2020 met producties; de conclusie van antwoord met producties; een akte overlegging producties van [eiseres] ; de e-mail van de rechtbank aan partijen van 17 juni 2021 waarin is meegedeeld dat de mondelinge behandeling wordt gehouden op 6 oktober 2021; de mondelinge behandeling van 6 oktober 2021; de spreekaantekeningen van mr. Papeveld; en de spreekaantekeningen van mr. Heesterbeek. 1.2. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank aan partijen meegedeeld dat zij vonnis zal wijzen. 2Waar gaat deze zaak over? 2.1. [eiseres] staat aan het hoofd van een groep vennootschappen die zich hoofdzakelijk toelegt op de bouw en ontwikkeling van vastgoed. 2.2. Rabobank financiert de [naam eiseres] -groep. Op 15 juni 2005 zijn Rabobank en [eiseres] een (nieuwe) financieringsovereenkomst aangegaan. Op grond hiervan is de bestaande financiering uitgebreid tot € 48.906.000. Van dit bedrag werd € 32.000.000 verstrekt in de vorm van rekening-courant krediet. Over dit krediet was [eiseres] een variabele rente verschuldigd, gekoppeld aan het 1-maands Euribor rentetarief. Dit is het gemiddelde rentetarief waartegen een selectie van Europese banken elkaar leningen verstrekt in euro's waarbij de leningen een looptijd hebben van 1 maand. Stijgt dit rentetarief, dan stijgt ook de rente die [eiseres] aan Rabobank moet voldoen. 2.3. Bij de financieringsovereenkomst is een "Bijlage Renterisicomanagement" gevoegd. In deze bijlage heeft Rabobank [eiseres] gewezen op de mogelijkheid om het risico van een stijgende rente af te dekken. In het bijzonder wordt gewezen op twee verschillende mogelijkheden, namelijk het verkrijgen van een vaste rente door een "interest rate swap" aan te gaan en het begrenzen van het maximum renteniveau door het kopen van een "cap (ook wel renteplafond genoemd)". 2.4. [eiseres] heeft hierover op 13 juni 2006 nader gesproken met een adviseur van Rabobank. Naar aanleiding van deze bespreking, heeft Rabobank op 15 juni 2006 een brief gestuurd aan [eiseres] met een voorstel voor het afdekken van een deel van het renterisico. Dit voorstel betreft het aangaan van een renteswap met een hoofdsom van € 7.500.000 en het kopen van een rentecap met een hoofdsom van € 2.500.000. 2.5. De brief bevat twee bijlagen waarin de voorgestelde renteswap en rentecap nader zijn uitgewerkt. In de bijlage over de renteswap wordt uitgelegd dat een renteswap een afzonderlijke afspraak betreft over (alleen) de rente. Die afspraak komt erop neer dat [eiseres] gedurende de looptijd een vast rentepercentage betaalt aan Rabobank over een af te spreken hoofdsom. Rabobank betaalt op haar beurt aan [eiseres] de variabele rente die [eiseres] op grond van de financieringsovereenkomst over deze hoofdsom is verschuldigd. Per saldo betaalt [eiseres] dan alleen de vaste rente die is overeengekomen in het renteswapcontract (naast een debiteurenopslag op grond van de financieringsovereenkomst). Daardoor is zij bij het betalen van rente niet langer afhankelijk van het stijgen of dalen van de Euribor-rente. 2.6. In de bijlage over de rentecap is toegelicht dat de rentecap kan worden beschouwd als een verzekering die gedurende de looptijd beschermt tegen een ongunstige rente ontwikkeling. Ook hier wordt een hoofdsom overeengekomen die gerelateerd is aan de financieringsovereenkomst. Daarnaast wordt een maximum rentepercentage afgesproken. De verzekering keert uit wanneer de variabele rente die [eiseres] op grond van de financieringsovereenkomst over de hoofdsom is verschuldigd, uitstijgt boven het overeengekomen maximumpercentage. Met een rentecap is het voor [eiseres] dus duidelijk wat haar maximale rentelasten zijn over de afgesproken hoofdsom, terwijl zij wel profiteert van eventuele rentedalingen. Verder wordt in de bijlage opgemerkt dat [eiseres] bij het afsluiten van een rentecap een premie dient te betalen. 2.7. Op 27 juni 2006 is [eiseres] vervolgens telefonisch met Rabobank een renteswap aangegaan met de voorgestelde hoofdsom van € 7.500.000 en met een looptijd van 10 jaar. Deze overeenkomst is bevestigd in een brief van Rabobank van 27 juni 2006, die [eiseres] op 22 oktober 2006 voor akkoord heeft getekend. [eiseres] heeft afgezien van het afsluiten van een rentecap. 2.8. [eiseres] stelt zich in deze procedure op het standpunt dat Rabobank haar zorgplicht jegens [eiseres] heeft geschonden bij de advisering over het afdekken van het renterisico. In de eerste plaats meent [eiseres] dat Rabobank haar voorafgaand aan het aangaan van de renteswap onvoldoende en onjuist heeft geïnformeerd. Ook heeft Rabobank ten onrechte niet gewaarschuwd voor de bijzondere risico’s verbonden aan de renteswap en heeft zij zich er niet van vergewist dat [eiseres] deze risico’s daadwerkelijk begreep. In de tweede plaats heeft Rabobank volgens [eiseres] met de renteswap een ongeschikt product geadviseerd. [eiseres] stelt schade te hebben geleden als gevolg van de zorgplichtschending. Als Rabobank wel aan haar zorgplicht had voldaan, dan had [eiseres] namelijk naar eigen zeggen geen renteswap afgesloten maar een rentecap, althans een renteswap voor kortere duur. [eiseres] heeft de op die manier door haar geleden schade begroot op € 2.138.220. 2.9. [eiseres] vordert in deze procedure dat Rabobank wordt veroordeeld om dit schadebedrag aan haar te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2016 tot de dag van betaling. Verder vordert [eiseres] dat Rabobank wordt veroordeeld om € 4.800 te betalen aan buitengerechtelijke kosten ter vaststelling van de geleden schade. Ook vordert [eiseres] een nader door de rechtbank vast te stellen bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten en een veroordeling van Rabobank in de proceskosten. Ten slotte vordert [eiseres] dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. 2.10. Rabobank voert verweer. In de eerste plaats stelt Rabobank dat de vordering van [eiseres] tot schadevergoeding is verjaard. In de tweede plaats betwist Rabobank dat zij haar zorgplicht heeft geschonden. Voor het geval de rechtbank daarover anders oordeelt, betwist Rabobank zowel het causaal verband tussen de zorgplichtschending en de gestelde schade als het bestaan van enige schade. Voor zover wel mocht blijken van causaal verband en enige schade, meent Rabobank dat de schade niet aan haar kan worden toegerekend. Subsidiair stelt Rabobank dat [eiseres] eigen schuld heeft aan het ontstaan van de schade en dat een eventuele schadevergoedingsplicht van Rabobank daarom dient te worden verminderd. Ten slotte betwist Rabobank dat zij gehouden is om de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten te voldoen. 3De beoordeling 3.1. De rechtbank wijst de vorderingen van [eiseres] af. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Rabobank haar zorgplicht jegens [eiseres] niet geschonden. Daarbij is van belang dat op Rabobank uit hoofde van haar zorgplicht geen waarschuwings- en vergewisplicht rustte. Wel diende Rabobank [eiseres] zodanig te informeren dat [eiseres] in staat was om een geïnformeerde beslissing te nemen. Aan die informatieplicht heeft Rabobank voldaan. Daarnaast heeft Rabobank aan [eiseres] een passend product geadviseerd. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe en waarom zij tot dit oordeel is gekomen. Zorgplicht Rabobank: inhoud en reikwijdte 3.2. [eiseres] heeft onweersproken gesteld dat Rabobank haar heeft geadviseerd over de mogelijkheden tot afdekking van het renterisico. Dat betekent dat tussen [eiseres] en Rabobank een adviesrelatie bestond. Juridisch kwalificeert die relatie als een overeenkomst van opdracht als bedoeld in artikel 7:400 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Op grond van artikel 7:401 BW was Rabobank als opdrachtnemer gehouden om bij haar werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen. Naast deze algemene zorgplicht, rustte op Rabobank in verband met haar maatschappelijke functie en deskundigheid een bijzondere zorgplicht (zie onder andere Hoge Raad 4 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1499, rov. 4.2.1). De inhoud en reikwijdte van beide zorgplichten wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, zodat in wezen eenzelfde toetsing aan de orde is (zie hierover ook de conclusie van A-G Wissink van 13 oktober 2017, ECLI:NL:PHR:2017:1057, nrs. 3.5-3.8). De rechtbank zal hierna dan ook nagaan of Rabobank de zorg heeft betracht die van haar mocht worden verlangd op grond van de concrete omstandigheden van het geval, zonder daarbij specifiek onderscheid te maken tussen de algemene en bijzondere zorgplicht. 3.3. Omstandigheden die bij de invulling van de zorgplicht van belang kunnen zijn, zijn de relevante ervaring en deskundigheid van de betrokken wederpartij, de complexiteit van het product en de daaraan verbonden risico’s, en of de betrokken wederpartij een particulier of een ondernemer is. Dit laatste is van belang, omdat van een ondernemer meer zelfredzaamheid wordt verwacht. Van ondernemers kan en mag worden verwacht dat zij op (meer) professionele wijze (bedrijfs)beslissingen nemen en zich zo nodig daarbij door derden laten adviseren. Hoe groter en professioneler de onderneming, hoe meer van de ondernemer mag worden verwacht. 3.4. De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] ten tijde van het aangaan van de renteswap in civielrechtelijke zin moet worden aangemerkt als een grote, professionele ondernemer. Dit oordeel baseert de rechtbank op het overgelegde jaarverslag van [eiseres] over 2006, waaruit onder meer blijkt dat de [naam eiseres] -groep dat jaar een omzet had van circa 101 miljoen euro en een balanstotaal van circa 69 miljoen euro. De rechtbank benadrukt dat de civielrechtelijke kwalificatie van [eiseres] als grote, professionele ondernemer moet worden onderscheiden van de vraag of [eiseres] op grond van publiekrechtelijke regelgeving (zoals de Wet op het financieel toezicht) dient te worden aangemerkt als een professionele belegger (zie hierover ook de conclusie van AG Drijber van 19 februari 2021, ECLI:NL:PHR:2021:161, nr. 3.27). Het betoog van [eiseres] dat zij niet kan worden aangemerkt als een grote, professionele ondernemer omdat Rabobank [eiseres] heeft geclassificeerd als een niet-professionele belegger, slaagt daarom niet. 3.5. Gelet op deze hoedanigheid van [eiseres] , behoefde Rabobank op grond van haar zorgplicht [eiseres] niet te beschermen tegen het gevaar van een gebrek aan kunde en inzicht of van eigen lichtvaardigheid. Rabobank was daarom niet gehouden om [eiseres] expliciet te waarschuwen voor specifieke risico’s verbonden aan de renteswap. Evenmin moest Rabobank zich ervan vergewissen dat [eiseres] deze risico’s ten volle begreep. Voor zover de stellingen van [eiseres] zijn gebaseerd op schending van een dergelijke waarschuwings- en vergewisplicht, zijn zij dan ook ongegrond. 3.6. Het voorgaande neemt niet weg dat Rabobank op grond van haar zorgplicht wel verplicht was de benodigde informatie te verschaffen zodat [eiseres] een geïnformeerde beslissing kon nemen over het al dan niet aangaan van een renteswap. Ook was Rabobank gehouden om ervoor te zorgen dat de door haar verstrekte adviezen duidelijk waren en aansloten op de wensen van [eiseres] . 3.7. Tegen deze achtergrond zal de rechtbank hierna nader ingaan op de stellingen van [eiseres] dat Rabobank haar onvoldoende heeft geïnformeerd en aan haar een ongeschikt product heeft geadviseerd. Rabobank heeft voldaan aan haar informatieplicht 3.8. [eiseres] heeft in haar dagvaarding een uitvoerige lijst opgenomen met punten waarover zij onjuist dan wel onvolledig zou zijn geïnformeerd. De rechtbank constateert dat de opgesomde punten elkaar grotendeels overlappen en dat [eiseres] in essentie het volgende stelt:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.