← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2021:6304

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 21/2107 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 december 2021 in de zaak tussen [eisers] , uit Soest, eisers (gemachtigde: M.A.T. Huisman), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (gemachtigde: mr. E. Witte). Inleiding [naam overleden erflater] heeft een uitkering aangevraagd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). In het besluit van 18 augustus 2020 heeft het UWV [naam overleden erflater] een uitkering toegekend en daarbij het arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld op 38,08 %. In de beslissing op bezwaar van 7 april 2021 heeft het UWV het bezwaar gegrond verklaard en het arbeidsongeschiktheidspercentage vastgesteld op 55,61 %. [naam overleden erflater] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Na het indienen van het beroepsschrift is [naam overleden erflater] overleden. Zijn erfgenamen (hierna: eisers) hebben de rechtbank laten weten dat zij het beroep willen voortzetten. De rechtbank heeft het beroep op 30 december 2021 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen

  1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
  2. Eisers vinden dat [naam overleden erflater] op 4 augustus 2020 (de datum in geding) recht had op een IVA -uitkering omdat [naam overleden erflater] op de datum in geding volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was. Een IVA-uitkering is hoger dan de uitkering die [naam overleden erflater] heeft gekregen. Daaruit volgt dat eisers procesbelang hebben. De rechtbank zal het beroep inhoudelijk behandelen.
  3. Eisers voeren aan dat er een verdergaande urenbeperking aangenomen had moeten worden gelet op de verklaring van de bedrijfsarts. Verder zijn eisers van mening dat [naam overleden erflater] meer beperkt was dan is aangenomen in de functionelemogelijkhedenlijst (de FML). Ten slotte had volgens eisers een expertiseonderzoek uitgevoerd moeten worden naar de dyslexie van [naam overleden erflater] .
  4. De rechtbank volgt eisers hierin niet. De door eisers overgelegde verklaring van de bedrijfsarts heeft betrekking op het aantal uren dat [naam overleden erflater] werkte voordat hij niet meer in staat was om te werken. Deze verklaring zegt niets over het aantal uren dat [naam overleden erflater] medisch gezien kon werken op de datum in geding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het medisch onderzoek voldoende onderbouwd dat de medische situatie van [naam overleden erflater] en de mogelijke dyslexie niet leiden tot verdergaande beperkingen in de FML. Eisers hebben geen medische verklaring overgelegd waaruit blijkt dat er te weinig beperkingen zijn aangenomen in de FML. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de FML en gaat uit van de juistheid van de FML, waarin al diverse beperkingen zijn aangenomen in de rubrieken waar eisers ook op wijzen. In het licht van de gemotiveerde beoordeling van de verzekeringsarts, bestond er geen reden om een expertiseonderzoek uit te voeren naar de mogelijke dyslexie van [naam overleden erflater] .
  5. De arbeidskundige bezwaar en beroep heeft op basis van de beperkingen die de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vastgesteld functies geduid die [naam overleden erflater] nog kon uitvoeren. Bij het vaststellen van deze functies is rekening gehouden met de leesproblemen en de communicatiemogelijkheden van [naam overleden erflater] . Wat er verder in beroep is aangevoerd, is naar het oordeel van de rechtbank te algemeen om te stellen dat het arbeidskundig rapport onjuist is. De functies zijn goed geduid en het arbeidsongeschiktheidspercentage klopt.
  6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding
  7. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2021 door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van mr. T.E.G. van Heukelom, griffier. griffier rechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. U ziet deze datum hierboven. IVA staat voor Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.