RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 21 / 574 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 oktober 2021 in de zaak tussen [verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. B. Polman), en de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder. Procesverloop Verzoekster heeft bezwaar ingediend tegen het besluit van verweerder van 7 juli
- Met dit besluit heeft verweerder aan verzoekster laten weten dat hij de WGA-uitkering van de (ex-)werknemers van verzoekster op haar gaat verhalen. Verweerder heeft op 23 december 2020 een besluit op dit bezwaar genomen en beslist dat het bezwaar ongegrond is. Verzoekster is hiertegen bij de rechtbank in beroep gegaan. Op 12 maart 2021 heeft verweerder een gewijzigd besluit op bezwaar genomen. Verzoekster heeft haar beroep vervolgens ingetrokken en verzoekt nu om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek. Overwegingen
- Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
- Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift (dus van verzoekster) moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
- Met het gewijzigde besluit op bezwaar van 12 maart 2021 heeft verweerder beslist dat de WGA-uitkering van (ex-)werkneemster mevrouw [A] , tussen 15 december 2019 en 1 juli 2020 ten onrechte op verzoekster is verhaald. Hiermee is verweerder aan verzoekster tegemoet gekomen. De rechtbank zal echter geen vergoeding voor de proceskosten toekennen. Hierna legt zij uit waarom.
- In artikel 1 van het Bpb is bepaald welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Dit betreft een limitatieve opsomming. De rechtbank is van oordeel dat niet gebleken is dat er sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand door een derde als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb, dan wel dat verzoeker andere kosten heeft gemaakt als genoemd in het Bpb. Uit het dossier en de Landelijke Advocaten Tabel blijkt dat de gemachtigde van verzoekster in dienst is bij verzoekster zelf. Hierdoor is er geen sprake van door een derde verleende rechtsbijstand. De rechtbank wijst het verzoek tot een proceskostenveroordeling af.
- Verweerder moet wel uit eigen beweging het door verzoekster betaalde griffierecht van € 360,- aan haar terugbetalen. Dat volgt uit artikel 8:41, zevende lid van de Awb. Verzoekster zal hierover dus verweerder moeten benaderen. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek af. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van M. Bos, griffier. De beslissing is uitgesproken op 19 oktober 2021 en wordt openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.