RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 21 / 3736 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2021 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. M.M. Breukers) en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder. Procesverloop Op 4 december 2019 heeft verweerder aan de buurman van eiser een last onder dwangsom opgelegd. Op 14 mei 2020, 28 juli 2020 en 22 september 2020 is de begunstigingstermijn voor deze last verlengd. Eiser heeft tegen de verlenging van 28 juli 2020 op 12 augustus 2020 bezwaar ingediend. Eiser heeft vervolgens een ingebrekestelling ingediend op 12 november
- Op 10 december 2020 heeft eiser een beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing ingediend. Dit beroep is met zaak nummer UTR 20 / 4535 op 25 januari 2021 gegrond verklaard. De rechtbank heeft toen aan verweerder een termijn van twee weken opgelegd om een besluit te nemen en als hij dit niet doet dan verbeurt hij een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,-. Vervolgens heeft eiser op 8 april 2021 en 21 juni 2021 opnieuw een beroep tegen het niet tijdig beslissen ingediend. Deze beroepen zijn door de rechtbank op 10 juni 2021 en 4 augustus 2021 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de dwangsom op de datum van het indienen van beroep nog niet was volgelopen. Eiser heeft op 12 augustus 2021 nogmaals beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen. Daar gaat deze uitspraak over. Overwegingen
- De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
- Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. De rechtbank heeft voor het laatst in de uitspraak van 25 januari 2021 een termijn gesteld met daaraan gekoppeld een dwangsom.
- De rechtbank stelt vast dat verweerder nog steeds geen nieuw besluit heeft genomen en dat het beroep is ingediend nadat de dwangsom uit de uitspraak van 25 januari 2021 is volgelopen. Het beroep is kennelijk gegrond (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)).
- In zijn verweerschrift van 15 oktober 2021 heeft verweerder gevraagd om een langere termijn. Verweerder geeft aan dat hij drie maanden nodig denkt te hebben om op het onderhavige bezwaarschrift en ook op de andere bezwaarschriften een besluit te nemen.
- De rechtbank ziet hier geen reden voor. Verweerder onderbouwt niet in zijn verweerschrift waarom hij denkt nog drie maanden nodig te hebben. Om zowel recht te doen aan het belang van eiser bij een duidelijke beslistermijn, als het belang van verweerder om tot een zorgvuldige besluitvorming te kunnen komen, zal de rechtbank een uiterlijke beslistermijn opleggen van zes weken.
- Omdat dit eisers tweede beroep tegen het niet tijdig beslissen is en verweerder nog steeds geen besluit heeft genomen, vindt de rechtbank dat er een sterkere prikkel nodig is. De rechtbank bepaalt daarom dat verweerder een dwangsom van € 200,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
- Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 374,-.
- Verweerder moet ook het griffierecht aan eiser betalen. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit; - draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken; - bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 200,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; - bepaalt dat verweerder het griffierecht dat eiser heeft betaald moet betalen; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 374,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van M. Bos griffier. De beslissing is uitgesproken op 5 november 2021 en wordt openbaar gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. griffier rechter Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.