RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 20/3160-V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2021 op het verzet van mr. [A], veronderstellenderwijs handelend namens [opposante], te [Woonplaats], opposante. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposante heeft ingediend tegen het besluit van de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (verweerder) van 12 augustus 2020. In de uitspraak van 10 mei 2021 (de uitspraak) heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan. De zitting heeft plaatsgevonden via een Skypeverbinding op 29 oktober 2021. Opposante is zelf niet verschenen, maar haar gemachtigde wel. Verweerder is niet verschenen met bericht van verhindering. Overwegingen 1. De rechtbank heeft in het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de overgelegde machtiging geen machtiging van opposante, maar een machtiging van een andere cliënt van mr. [A] - betreft. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was. De rechtbank kijkt (nog) niet of opposante gelijk heeft met haar beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak niet juist was. 3. Volgens opposante is de uitspraak van de rechtbank van 10 mei 2021 niet juist omdat de wettelijk voorgeschreven splitsingsbrief ontbreekt. Ook maakt opposante wegens mogelijke overschrijding van de redelijke termijn aanspraak op immateriële schadevergoeding. 4. Bij het beroepschrift is geen toereikende machtiging meegestuurd. In artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat dat een beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard als het beroep niet voldoet aan de wettelijke vereisten. Voordat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard moet de indiener van het beroep wel in de gelegenheid zijn gesteld om het verzuim te herstellen. De rechtbank heeft [A] bij brief van 16 september 2020 in de gelegenheid gesteld om uiterlijk binnen vier weken een machtiging in te dienen waaruit blijkt dat hij gemachtigd is om namens [opposante] beroep in te stellen en in beroep op te treden. Bij brief van 29 september 2020 heeft [A] hierop gereageerd en een volmacht naar de rechtbank gestuurd. De volmacht bevat geen naam namens wie [A] gemachtigd is om beroep in te stellen en in beroep op te treden. Bij brief van 11 februari 2021 is [A] nogmaals in de gelegenheid gesteld om een machtiging in te dienen. Bij brief van 10 maart 2021 heeft [A] een machtiging naar de rechtbank gestuurd, maar dit betreft geen machtiging om namens [opposante] op te treden. Aan het laatste verzoek van 24 maart 2021 om een machtiging te verstrekken heeft [A] niet voldaan. 5. Voor het overige heeft opposant(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.