RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 20/4607 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 november 2021 in de zaak tussen [eiser], te [woonplaats], eiser (gemachtigden: S.A. van Velzen en E. Eijkelkamp), en Zilveren Kruis Zorgkantoor, verweerder (gemachtigde: mr. S. Gezer). Procesverloop Bij besluit van 10 januari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder het persoonsgebonden budget van eiser met ingang van 11 december 2019 beëindigd. Bij besluit van 5 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat eiser het bezwaar te laat zou hebben ingediend. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november
- Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De uitleg van de rechtbank
- Vast staat dat verweerder het primaire besluit op 10 januari 2020 bekend heeft gemaakt. De bezwaartermijn van zes weken eindigde dus op 21 februari
- Eiser heeft gesteld dat hij op 21 februari 2020 een bezwaarschrift aan verweerder heeft gezonden. Dit bezwaarschrift is niet aangetekend verzonden. Omdat eiser niks hoorde van verweerder, heeft hij half juli 2020 contact opgenomen. Omdat verweerder toen tegen hem heeft gezegd dat het bezwaarschrift niet was ontvangen, heeft hij op 25 augustus 2020 opnieuw zijn bezwaarschrift ingediend, dit keer per aangetekende post. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder aantoonbaar slordig is omgegaan met het bezwaarschrift dat op 25 augustus 2020 is verzonden. Eiser vindt dat het daarom aannemelijk is dat het bezwaar dat hij op 21 februari 2020 heeft verzonden, wel bij verweerder is aangekomen maar daar is zoek geraakt. Het is volgens eiser aan verweerder om het tegendeel aannemelijk te maken.
- De rechtbank is het niet met eiser eens dat het aan verweerder is om aannemelijk te maken dat het bezwaarschrift van 21 februari 2020 niet is ontvangen. Het risico dat een per gewone post verzonden poststuk de geadresseerde niet (tijdig) bereikt, komt voor rekening van de verzender. Eiser heeft erkend dat hij niet kan aantonen dat hij dit bezwaarschrift heeft verzonden. Dat verweerder volgens eiser slordig is omgegaan met het bezwaarschrift van 25 augustus 2020, betekent niet dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij op 21 februari 2020 een bezwaarschrift heeft ingediend bij verweerder en/of dat dit bij verweerder zou zijn zoek geraakt.
- De rechtbank overweegt verder als volgt. Het bezwaarschrift van 25 augustus 2020 is op 1 september 2020 door verweerder ontvangen. Dat is dus te laat. Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, moet verweerder op grond van de wet het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat is alleen anders als er een goede reden is dat iemand het bezwaar te laat heeft ingediend. Eiser heeft geen goede reden gegeven voor de te late indiening van zijn bezwaarschrift. Het enige dat eiser in dit verband namelijk heeft aangevoerd, is dat verweerder zijn eerdere bezwaarschrift vermoedelijk is kwijt geraakt en dat hij daar pas half juli 2020 achter kwam. Zoals uit overweging 3 volgt, wordt die stelling van eiser verworpen.
- Verweerder heeft dus terecht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 november 2021 door mr. J.G. Nicholson, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Gena, griffier, en wordt ook gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. De griffier is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Zie artikel 6:7, 6:8 en 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 27 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:
- Vergelijk artikel 6:11 van de Awb.