← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2021:6526

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 20/1661 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2021 in de zaak tussen [eiseres], te [woonplaats], eiseres (gemachtigde: mr. E.N. Bouwman), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum, verweerder (gemachtigde: mr. S. van Marion). Procesverloop Bij besluit van het besluit van 26 juli 2019 heeft verweerder de bijstandsuitkering die [A] ([A]) ontving op grond van de Participatiewet (Pw) met ingang van 1 april 2019 beëindigd, het recht op bijstand van over de periode van 1 december 2013 tot en met 31 december 2013 herzien en het recht op bijstand over de periode van 13 mei 2014 tot en met 31 maart 2019 ingetrokken. Ook heeft verweerder teveel betaalde bijstand en bijzondere bijstand teruggevorderd tot een bedrag van € 76.605,

  1. Bij afzonderlijk besluit van 26 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van het bepaalde in artikel 59, tweede lid, van de Participatiewet, de kosten van bijstand mede van eiseres teruggevorderd omdat zij vanaf 13 mei 2014 tot en met 31 maart 2019 een gezamenlijke huishouding met [A] heeft gevoerd. Bij besluit van 5 augustus 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari
  2. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
  3. Ingevolge artikel 59, tweede lid, van de Pw, voor zover hier van belang, kunnen de kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen.
  4. Bij uitspraak van heden heeft de rechtbank het beroep van [A], kenmerk UTR 20/1620, gericht tegen de beëindiging, intrekking en terugvordering van de teveel betaalde bijstand ongegrond verklaard, omdat hij in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met eiseres en dit niet heeft gemeld aan verweerder. De rechtbank verwijst voor de inhoudelijke overwegingen naar deze uitspraak.
  5. Voor zover van belang zal de rechtbank hierna ingaan op de door eiseres aangevoerde beroepsgronden.
  6. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte niet is ingegaan op de getuigenverklaringen die door de gemachtigde van [A] zijn ingediend over haar verblijfplaatsen in de te beoordelen periode. De rechtbank heeft deze beroepsgrond genoegzaam besproken in haar uitspraak inzake UTR 20/
  7. De rechtbank volstaat daarom met een verwijzing naar r.o. 11 van deze uitspraak.
  8. Eiseres heeft verder aangevoerd dat verweerder onvoldoende is ingegaan op het bezwaarschrift van [A] van 27 september
  9. De rechtbank stelt vast dat eerst ter zitting duidelijk is geworden dat dit standpunt met name betrekking heeft op de auto’s die op naam van eiseres waren gesteld. Verweerder heeft volgens eiseres nagelaten nader onderzoek te doen naar de vraag hoe het mogelijk is geweest dat deze auto’s op haar naam stonden. Eiseres stelt dat het voor haar moeilijk is om daar over te verklaren vanwege een mogelijke strafrechtelijke procedure. De rechtbank ziet niet in waarom verweerder nader onderzoek had moeten verrichten naar de wijze waarop de auto’s op eiseres haar naam zijn gesteld. Volgens vaste jurisprudentie mocht verweerder ervan uitgaan dat eiseres eigenaar was van de auto’s omdat die op haar naam stonden. Eiseres heeft het tegendeel niet aangetoond. In dit verband acht de rechtbank van belang dat uit de onderzoeksbevindingen van verweerder is gebleken dat eiseres gebruik maakte van deze auto’s. Ook blijkt uit het proces-verbaal van verhoor dat eiseres heeft verklaard dat de auto’s van haar waren. De beroepsgrond slaagt niet.
  10. Eiseres heeft ook gesteld dat door het tijdsverloop het terug te vorderen bedrag onnodig is opgelopen. De rechtbank heeft deze beroepsgrond reeds voldoende besproken in de uitspraak inzake UTR 20/
  11. De rechtbank volstaat daarom met een verwijzing naar r.o. 17 van deze uitspraak.
  12. Tot slot heeft eiseres aangevoerd dat er aangifte is gedaan bij het Openbaar Ministerie (OM) met als gevolg dat het moeilijk voor haar was om zich te verweren in de bezwaarprocedure. Zij heeft zich dan ook op haar zwijgrecht beroepen, omdat zij ervan uit kon gaan dat alles wat er besproken werd, bij het OM terecht kwam. Ten onrechte is dat ook gebeurd. Eiseres stelt dat zij geen eerlijke behandeling heeft gehad. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij is uitgegaan van een eigen vaststelling en waardering van de betreffende feiten en omstandigheden en niet is gebonden aan het oordeel van de strafrechter.
  13. . De rechtbank overweegt dat er een verschil bestaat tussen een strafrechtelijke en een bestuursrechtelijke procedure. In een strafrechtelijke procedure ligt een andere rechtsvraag voor en is een ander bewijsrecht van toepassing dan in een bestuursrechtelijke procedure. Het staat eiseres vrij om zich te beroepen op haar zwijgrecht maar dit betekent niet dat zij geen eerlijke behandeling heeft gehad. Gesteld noch gebleken is dat zij door verweerder onvoldoende in de gelegenheid is gesteld om haar standpunten aan hem toe te lichten. In dit verband is voorts van belang dat aan eiseres in de procedure van bezwaar en beroep rechtsbijstand is verleend. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie
  14. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de kosten van aan [A] verleende bijstand terecht mede van eiseres heeft teruggevorderd. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan verweerder in het geval van eiseres van terugvordering had moeten afzien.
  15. Het beroep is ongegrond.
  16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Gena, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 april 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Centrale Raad van Beroep 17 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4209.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.