RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 21/2231 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 december 2021 in de zaak tussen [eiser] , te [plaats] , eiser en het dagelijks bestuur van de RDWI, verweerder (gemachtigde: mr. L. Collignon). Procesverloop Bij besluit van 11 maart 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een bijstandsuitkering afgewezen. Bij besluit van 22 april 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september
- Eiser is niet verschenen, zonder bericht van verhindering. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting heeft de rechtbank geconstateerd dat eiser niet per aangetekende brief in de gelegenheid is gesteld beroepsgronden in te dienen. De rechtbank heeft daarom het onderzoek ter zitting geschorst en bij aangetekende brief van 29 september 2021 eiser in de gelegenheid gesteld binnen vier weken na verzending van die brief beroepsgronden in te dienen. De brief van 29 september 2021 is echter onbestelbaar aan de rechtbank geretourneerd op 19 oktober
- Hierna is deze brief, ter voldoening van het bepaalde in artikel 8:38 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met een begeleidende brief nogmaals per gewone postzending verstuurd. In de begeleidende brief stond vermeld dat de in de aangetekende brief vermelde termijn niet opnieuw zou aanvangen. Eiser heeft niet gereageerd op de brief van 29 september
- Op 16 november 2021 heeft de rechtbank partijen medegedeeld voldoende geïnformeerd te zijn en voornemens te zijn zonder nadere zitting uitspraak te doen, tenzij een van de partijen binnen twee weken aangeeft mondeling te willen worden gehoord. Partijen hebben niet op deze brief gereageerd. De rechtbank sluit het onderzoek en doet uitspraak zonder nadere zitting. Overwegingen
- Iemand die beroep instelt, moet op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb in het beroepschrift de gronden van het beroep vermelden. Dat houdt in: zeggen op welke specifieke punten hij of zij het niet eens is met het bestreden besluit. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank na een herstelmogelijkheid het beroep op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.
- Vast staat dat eiser niet binnen de gestelde termijn in de brief van 29 september 2021 beroepsgronden heeft ingediend.
- Eiser heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat er geen verontschuldiging is voor dit verzuim.
- Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Gena, griffier. De beslissing is uitgesproken op 23 december 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl. De griffier en de rechter zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 8:57, derde lid, van de Awb.