RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Lelystad Parketnummers: 16/113285-20; 16/014037-20 (gev. ttz) (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 19 maart 2021 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1987] te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats] , de [adres] , hierna: verdachte. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 maart
(6)planken stoppen". 5BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: 1 op 22 april 2020 te Lelystad, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn medeverdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (terwijl die [slachtoffer 2] zich bevond in een personenauto) rijdende in een personenauto, met verhoogde snelheid, het voertuig waarin die [slachtoffer 2] reed heeft geramd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 2 op 22 april 2020 te Lelystad als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende op [straat] , zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd, welk genoemd gedrag hierin heeft bestaan dat verdachte, toen daar, met een hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan achter een ander voertuig heeft gereden en daarbij door een voortuin is gereden en vervolgens met verhoogde snelheid naast voornoemd voertuig is gereden en daarbij het voertuig aan de linkerachterzijde heeft geramd, waardoor dat voertuig spinde en stil kwam te staan, zulks terwijl verdachte, dat motorrijtuig toen bestuurde, terwijl het alcoholgehalte van zijn bloed 315 milligram alcohol per liter milliliter bloed bleek te zijn; 3 op 22 april te Lelystad, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, voornoemde [slachtoffer 2] - meermalen met kracht met een stuk hout tegen het hoofd, buik en benen heeft geslagen en - meermalen met kracht tegen het lichaam heeft getrapt, geschopt en met gebalde vuisten heeft geslagen en gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 4 als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Lelystad op [straat] , op 22 april 2020 de plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist aan [slachtoffer 2] schade was toegebracht; 5 op 22 april 2020 te Lelystad als bestuurder van een personenauto dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek 315 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn; 6 op 22 april 2020 te Lelystad, terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor categorie B ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de Swifterringweg, als bestuurder een personenauto van die categorie heeft bestuurd; 7 op 21 augustus 2019 te Lelystad [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "Kom naar de voordeur dan sla ik je de puipoeier in, dan zal ik jou dood maken en ook tussen 6 planken stoppen", althans woorden van gelijke strekking. Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feit op: feit 1 en feit 3 telkens: medeplegen van poging tot zware mishandeling; feit 2 overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994; feit 4 overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994; feit 5 overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994 (315 microgram); feit 6 overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994; feit 7 bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. 7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8OPLEGGING VAN STRAF 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door hem onder feit 1 primair, 3 primair, 4, 5, 6 en 7 bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals beschreven in het reclasseringsadvies van 22 februari
- Hij heeft gevorderd de te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De officier van justitie heeft ten aanzien van het door hem onder 1 bewezen geachte feit gevorderd aan verdachte op te leggen een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twaalf maanden. Hij heeft daarnaast gevorderd verdachte ter zake van het door hem onder 2 bewezen geachte feit te veroordelen tot een geldboete van € 500,
- De officier van justitie heeft de oplegging aan verdachte van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr gevorderd, inhoudende een contactverbod met aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en een locatieverbod ten aanzien van de woningen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , voor de duur van drie jaren, met dien verstande dat iedere keer dat verdachte deze locatie- en/of contactverboden overtreedt, een vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van zeven dagen, met een maximum van zes maanden. De officier van justitie heeft tot slot gevorderd de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen. 8.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft de rechtbank verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte zorgt voor zijn zieke moeder en op dit moment werk heeft. Daarnaast heeft hij gewezen op het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister op naam van verdachte, waaruit blijkt dat verdachte een geruime tijd geleden voor het laatst is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De raadsman heeft verzocht een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het voorarrest. Hij heeft daarbij opgemerkt dat het letsel van aangever [slachtoffer 2] gering is en ook dat verdachte in een andere zaak lange tijd onterecht gedetineerd is geweest. Verdachte is bereid zich te houden aan het in het reclasseringsrapport van 22 februari 2021 beschreven alcoholverbod en de controle hierop. De raadsman ziet geen aanleiding de te stellen voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren. De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte ook bereid is zich te houden aan een eventuele oplegging van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en een locatieverbod ten aanzien van de woningen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . De raadsman heeft tot slot verzocht de schorsing van de voorlopige hechtenis niet op te heffen. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de aan verdachte op te leggen straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van één en ander ter terechtzitting is gebleken. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Ernst van de feiten Verdachte en medeverdachte waren van mening dat aangever [slachtoffer 2] met een te hoge snelheid door hun straat reed. Ze zijn toen dreigend op de auto van aangever afgelopen, waarbij medeverdachte een baksteen in zijn handen had. Aangever voelde zich bedreigd en is daarop in zijn auto weggereden. Verdachte en medeverdachte zijn vervolgens direct in de auto gestapt en achter aangever aangereden. Dit heeft geresulteerd in een dollemansrit door een woonwijk in Lelystad. Verdachte heeft zich tijdens de achtervolging geen enkele rekenschap gegeven van het wel en wee van andere weggebruikers, noch van de gevolgen die zijn rijgedrag voor de veiligheid van anderen zou kunnen hebben. Zo heeft verdachte op sommige stukken gereden met een hogere snelheid dan was toegestaan en is hij door een voortuin van een woning gereden. Dit terwijl verdachte onder invloed van alcohol en met een ongeldig verklaard rijbewijs reed. Verdachte heeft de auto van aangever uiteindelijk tot stilstand gebracht door voornoemde auto te rammen. Verdachte en medeverdachte hebben aangever vervolgens met een stuk hout op het hoofd geslagen en tegen het lichaam geschopt en geslagen. Het geweld dat de verdachten hierbij gebruikten was zodanig hevig dat dit verwondingen bij aangever heeft veroorzaakt. Verdachte en medeverdachte hebben aangever achtergelaten, en zijn in de auto gestapt en weggereden. Zij hebben niet, zoals verplicht na een verkeersongeval, hun identiteit kenbaar gemaakt. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij op voornoemde wijze heeft deelgenomen aan het verkeer waarbij het risico voor de andere weggebruikers geheel ondergeschikt was aan zijn drang om bij aangever verhaal te halen. Nota bene omdat hij van mening was dat aangever te hard reed. Verdachte en medeverdachte hebben met hun handelen vervolgens op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft hier een hersenschudding, meerdere bloeduitstortingen en zwellingen op de arm en een huiddoorklieving op het achterhoofd aan overgehouden. Het moet bovendien voor het slachtoffer een zeer angstige ervaring zijn geweest. Deze strafbare feiten zorgen daarnaast in de maatschappij voor veel gevoelens van onrust en onveiligheid, temeer nu dit heeft plaatsgevonden op een openbare weg. Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan het bedreigen van aangeefster [slachtoffer 1] . Uit de aangifte van 23 augustus 2019 blijkt dat bij het slachtoffer daardoor angst is ontstaan. Persoon van de verdachte De rechtbank heeft kennis genomen van de navolgende stukken: een uittreksel uit de Justitiële Documentatie betreffende verdachte van 18 december 2020, waaruit blijkt dat verdachte meermalen voor soortgelijke feiten in aanraking is gekomen met politie en justitie; een rapportage Pro Justitia van 22 januari 2021, opgemaakt door A.W.M.M. Stevens, psychiater en A. Witvliet, GZ-psycholoog, beiden verbonden aan het NIFP, locatie Pieter Baan Centrum; een reclasseringsadvies van 22 februari 2021, opgesteld door T. Verdaasdonk, reclasseringswerker. De psycholoog en psychiater beschrijven dat verdachte bijna het gehele onderzoek in het Pieter Baan Centrum heeft geweigerd. In het daarom beperkte onderzoek zijn er volgens de deskundigen geen aanwijzingen naar voren gekomen voor een ontwikkelingsstoornis of een psychiatrische stoornis in engere zin. Er zijn wel aanwijzingen naar voren gekomen voor een problematisch gebruik van alcohol bij verdachte, maar er is onvoldoende bekend geworden over de duur, hoeveelheid en frequentie van het gebruik. Hierdoor kan niet vastgesteld of uitgesloten worden dat sprake is van een stoornis in het gebruik van alcohol. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat bij verdachte sprake is van een duurzaam patroon van disfunctioneren dat op enkele levensgebieden tot uiting lijkt te komen. Uit het onderzoek is onvoldoende informatie beschikbaar gekomen om te kunnen concluderen dat dit disfunctioneren voortkomt uit psychopathologie die het niveau haalt van een stoornis. Volgens de deskundigen kan een verstandelijke beperking bij verdachte aangetoond noch uitgesloten worden. Vanwege het ontbreken van vastgestelde psychopathologie, concluderen de deskundigen dat de mate van toerekeningsvatbaarheid niet kan worden bepaald. Hierdoor kan volgens hen ook geen uitspraak worden gedaan over de kans op herhaling van soortgelijke ten laste gelegde gedragingen en een eventuele behandeling om een eventueel recidiverisico te beperken. Uit het reclasseringsrapport van 23 februari 2021 blijkt tot slot dat de reclassering het recidiverisico als gemiddeld inschat. De reclassering adviseert bij een eventuele veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met de in het advies beschreven bijzondere voorwaarden. De op te leggen straf De rechtbank slaat bij de strafoplegging mede acht op oriëntatiepunten straftoemeting die zijn vastgesteld in het binnen de organisatie van de Rechtspraak bestaande Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Het oriëntatiepunt voor het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen), heeft een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden als uitgangspunt. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan twee elkaar opvolgende pogingen, en dat hij die in vereniging heeft gepleegd. Het oriëntatiepunt voor een bedreiging en het rijden onder invloed met een auto is volgens de LOVS telkens een onvoorwaardelijke geldboete. De rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met het feit dat verdachte eerder is veroordeeld voor feiten, soortgelijk aan het onder 5 bewezen verklaarde, feit. Deze veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden het onder 5 bewezen verklaarde feit te plegen. Het oriëntatiepunt voor het besturen van een motorrijtuig in geval van een ongeldig verklaard rijbewijs is volgens de LOVS een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken. Voor de onder 2 en 4 bewezen verklaarde feiten zijn geen landelijke oriëntatiepunten door het LOVS opgesteld. Daarom heeft de rechtbank bij het bepalen van de straffen voor het bewezen verklaarde met name gelet op de straffen die doorgaans worden opgelegd in vergelijkbare zaken. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de bewezenverklaarde feiten, mede vanuit een oogpunt van normbevestiging en generale preventie in beginsel een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. De rechtbank ziet in het licht van de speciale preventie, net als de officier van justitie, echter reden om de gevangenisstraf deels in voorwaardelijke vorm op te leggen, bij wijze van stok achter de deur. Mocht de verdachte in de toekomst in een vergelijkbare situatie terechtkomen, zal het voorwaardelijk strafdeel voor hem wellicht reden zijn om voor een andere reactie te kiezen. Begeleiding door de reclassering en een gedragsinterventie moeten verder bijdragen aan het voorkomen van recidive. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat voor de onder 1 primair, 3 subsidiair, 4, 5, 6 en 7 bewezen verklaarde feiten een gevangenisstraf voor de duur van 360 dagen passend en geboden is, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 122 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Als bijzondere voorwaarden worden opgelegd de voorwaarden zoals beschreven door de reclassering in haar rapport van 22 februari
- De rechtbank zal voor het onder 1 bewezen verklaarde feit aan verdachte opleggen een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twaaflf maanden. De rechtbank acht daarnaast voor de onder 2, 4, 5 en 6 bewezen verklaarde feiten telkens een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van twee maanden passend en geboden. Een ontzegging van in totaal lange duur is, gelet op de door verdachte getoonde minachting voor diverse verkeersvoorschriften en verkeersveiligheid, op zijn plaats. De rechtbank zal verdachte tot slot met betrekking tot het onder feit 2 bewezen verklaarde veroordelen tot een geldboete van € 500,
- Voorlopige hechtenis Nu de verdachte reeds 238 dagen voorlopige hechtenis heeft ondergaan, zal bij deze uitspraak het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte worden opgeheven. Vrijheidsbeperkende maatregel en dadelijk uitvoerbaarheid Gelet op het gedrag van verdachte jegens aangever [slachtoffer 2] , acht de rechtbank het ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten van belang dat aan verdachte de vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) wordt opgelegd, te weten een contactverbod met aangever [slachtoffer 2] voor de duur van drie jaren. Hierbij zal de rechtbank bevelen dat iedere keer dat verdachte dit contactverbod overtreedt, een vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van zeven dagen, met een maximum van zes maanden. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op. De rechtbank beveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Gezien de aard en de omvang van de bewezenverklaarde feiten en het recidiverisico is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen tegen [slachtoffer 2] . Ten aanzien van het door de officier van justitie gevorderde locatie- en contactverbod met betrekking tot aangeefster [slachtoffer 1] , overweegt de rechtbank dat onvoldoende is gebleken dat zich na 21 augustus 2019 nog enig ander incident tussen aangeefster [slachtoffer 1] en verdachte heeft voorgedaan. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat sprake is geweest van een eenmalig conflict. De rechtbank acht het opleggen van een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr in dit geval niet proportioneel. 9BENADEELDE PARTIJ [slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 300,00, bestaande uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte onder 7 ten laste gelegde feit. 9.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de gevorderde schadevergoeding tot een bedrag van € 200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 9.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding onvoldoende is onderbouwd en de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. 9.3 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank is van oordeel dat de immateriële schadepost dient te worden afgewezen. Op grond van artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan slechts in een beperkt aantal gevallen immateriële schade worden toegekend. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij onvoldoende heeft onderbouwd dat de onder 7 bewezen verklaarde bedreiging door verdachte heeft geleid tot een geval zoals bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, BW. 10BENADEELDE PARTIJ [slachtoffer 2] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 3.171,
- Dit bedrag bestaat uit € 671,95 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade, ten gevolge van de aan verdachte onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten. 10.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht de materieel gevorderde schadepost onvoldoende onderbouwd en heeft gevorderd de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk te verklaren. Hij heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de gevorderde immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 1.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. 10.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij voor wat betreft de kosten van de telefoon niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat geen sprake is van een rechtstreeks verband tussen de gestelde schade en de bewezen verklaarde feiten. De raadsman heeft verzocht ook voor het overige de benadeelde partij in de gevorderde materiële schadevergoeding niet-ontvankelijk te verklaren, omdat dit deel onvoldoende is onderbouwd. Hij heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de gevorderde immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 250,00 kan worden toegewezen. 10.3 Het oordeel van de rechtbank Kleding en telefoon De rechtbank overweegt dat geen onderbouwing is gegeven voor de schade aan de kleding. De benadeelde partij zal daarom voor wat betreft deze schadepost niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan door deze beslissing nog wel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. De door de benadeelde partij gevorderde schadevergoeding ter zake van de telefoon zal worden afgewezen. De rechtbank overweegt dat het wegnemen van de telefoon van de benadeelde partij niet aan verdachte, maar aan de medeverdachte, ten laste is gelegd. Hierdoor is er geen rechtstreeks verband tussen de door de benadeelde partij gestelde schade en de bij verdachte bewezen verklaarde feiten. Immateriële schade Voor wat betreft de immateriële schade zoals door [slachtoffer 2] is gevorderd, overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank neemt aan dat de pogingen tot zware mishandeling heftig zijn geweest voor aangever en dat er – naast lichamelijk letsel – sprake is van geestelijk letsel. Dit is door de aangever voldoende onderbouwd. Rekening houdend met wat er in vergelijkbare gevallen aan schadevergoeding wordt toegekend, waardeert de rechtbank de schade van aangever op € 2.500,00 en zal de rechtbank de gehele vordering toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 april 2020 tot aan de dag van volledige betaling. De rechtbank is van oordeel dat verdachte voor deze schade naar burgerlijk recht met zijn mededader hoofdelijk aansprakelijk is. Dit betekent dat verdachte en zijn mededader elk tegenover de benadeelde partij voor het gehele bedrag aansprakelijk zijn. De rechtbank zal bepalen dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als – en voor zover - zijn mededader de schade aan de benadeelde partij heeft vergoed. Proceskosten Verdachte zal ook – hoofdelijk – worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil. Schadevergoedingsmaatregel Daarnaast zal de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr worden opgelegd, op de wijze zoals hieronder is opgenomen. 11TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 36f, 38v, 38w, 45, 47, 57, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en 5, 7, 8, 9, 176, 177, 179 en 179a van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 12BESLISSING De rechtbank: Vrijspraak - verklaart het onder feit 3 primair ten laste gelegde feit niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Bewezenverklaring - verklaart de onder 1 primair, 2, 3 subsidiair, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde feiten bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld; - verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Strafbaarheid - verklaart de onder 1 primair, 2, 3 subsidiair, 4, 5, 6 en 7 bewezen verklaarde feiten strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld; - verklaart verdachte strafbaar; Oplegging straf - veroordeelt verdachte voor de onder 1 primair, 3 subsidiair, 4, 5, 6 en 7 bewezen verklaarde feiten tot een gevangenisstraf van 360 (driehonderdzestig) dagen; - bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht; - bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 122 (honderdtweeëntwintig) dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast; - als algemene voorwaarden gelden dat verdachte: zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt; medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit nodig acht, daaronder begrepen; - stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte gedurende de proeftijd: zich (telefonisch) meldt binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij Tactus Verslavingszorg op het adres Noorderwagenstraat 2A (8223 AM) te Lelystad. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; actief deelneemt aan de gedragsinterventie middelengebruik of een andere gedragsinterventie die gericht is op verslaving en middelengebruik. De reclassering bepaalt welke training het precies wordt. Verdachte houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider; geen alcohol gebruikt, en meewerkt aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd; - waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; - veroordeelt verdachte voor het onder 2 bewezen verklaarde feit tot een geldboete van € 500,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 10 dagen; ontzegt verdachte ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 (twaalf) maanden; ontzegt verdachte ter zake van de onder 2, 4, 5 en 6 bewezen verklaarde feiten de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van telkens 2 (twee) maanden; - legt aan verdachte op de maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van drie jaren; - beveelt dat verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 2] , geboren op [1976 ] te [geboorteplaats] (Egypte); - beveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar is; - beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel (telkens) wordt vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis, met een totale duur van maximaal 6 (zes) maanden; Voorlopige hechtenis - heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; Benadeelde partij [slachtoffer 1] wijst de vordering van de benadeelde partij af; veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil; Benadeelde partij [slachtoffer 2] - veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen immateriële schadebedrag van € 2.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 april 2020 tot de dag van volledige betaling, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd; - verklaart [slachtoffer 2] voor wat betreft de € 52,95 aan gevorderde materiële schade voor de kleding niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; - wijst af de vordering van € 619,- aan gevorderde materiële schade voor de mobiele telefoon; - veroordeelt verdachte hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; - legt verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 2.500,00 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 april 2020 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 35 dagen gijzeling; - bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij als hij en/of zijn mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij heeft vergoed. Dit vonnis is gewezen door mr. V.M.A. Sinnige, voorzitter, mr. R.P.P. Hoekstra en mr. H.B.W. Beekman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.M.M. Weyers, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 maart
- Bijlage: de tenlastelegging Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat: ten aanzien van parketnummer 16/113285-20 1hij op of omstreeks 22 april 2020 te Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn medeverdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (terwijl die [slachtoffer 2] zich bevond in een personenauto) rijdende in een personenauto (merk Opel Insignia Sports, met kenteken [kenteken] ), in elk geval in een door hem, verdachte, en/of zijn medeverdachte bestuurde auto, met hoge snelheid en/of met verhoogde snelheid, meermalen, althans eenmaal, het voertuig waarin die [slachtoffer 2] reed heeft/hebben geramd, althans daar tegenaan is/zijn gereden en/of dat voertuig van de weg heeft/hebben gereden, althans opzij en/of weggedrukt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 22 april 2020 te Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte opzettelijk dreigend:- met een (personen)auto (met een hoge, althans aanzienlijke snelheid) in de richting van genoemde [slachtoffer 2] gereden en/of blijven rijden zonder (voldoende) snelheid te minderen/te remmen en/of- (vervolgens) met hoge snelheid en/of met verhoogde snelheid, meermalen, althans eenmaal, het voertuig waarin die [slachtoffer 2] reed geramd, althans tegen dat voertuig aan gereden en/of dat voertuig van de weg gereden, althans opzij en/of weggedrukt 2hij op of omstreeks 22 april 2020 te Lelystad als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, [straat] , zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, welk genoemd gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar, met een (zeer) hoge snelheid, in ieder geval met een veel hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan (te weten 50 km/uur) (zeer dicht) achter een ander voertuig heeft gereden en/of (zonder zijn snelheid aan te passen) (daarbij) door een voortuin van een onbekend gebleven woning is gereden en/of (vervolgens) met verhoogde snelheid naast voornoemd voertuig is gereden en/of (daarbij) het voertuig aan de linker achterzijde heeft geramd, waardoor dat voertuig spinde en stil kwam te staan, door welke gedraging(en) van hem, verdachte, gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon wordengehinderd, zulks terwijl hij, verdachte, dat motorrijtuig toen bestuurde, terwijl het alcoholgehalte van zijn bloed, bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 315 milligram, in elk geval hoger dan 220 milligram alcohol per liter milliliter bloed bleek te zijn;3hij op of omstreeks 22 april 2020 te Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven, voornoemde [slachtoffer 2] ;- met kracht met een stuk hout, althans met een hard en/of langwerpig voorwerp, meerdere malen op/tegen en/of in de richting van het hoofd en/of tegen en/of in de richting van de slaap heeft geslagen en/of heeft gestoten en/of- met kracht meerdere malen op/tegen en/of in de richting van het hoofd en/of tegen en/of in de richting van de slaap heeft getrapt en/of (met gebalde vuisten) heeft geslagen/gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 22 april te Lelystad, althans in het arrondissement Midden-Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, voornoemde [slachtoffer 2]- meermalen (met kracht) met een stuk hout (voorzien van uitstekende spijkers) tegen/op het hoofd en/of de schouder en/of buik en/of benen heeft geslagen en/of- meermalen met kracht tegen/op het hoofd en/of elders tegen/op het lichaam heeft getrapt/geschopt en/of heeft geslagen/gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; 4hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Lelystad op/aan [straat] , op of omstreeks 22 april 2020 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer 2] ) letsel en/of schade was toegebracht; 5hij op of omstreeks 22 april 2020 te Lelystad als bestuurder van een voertuig (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 315 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn; 6hij, op of omstreeks 22 april 2020 te Lelystad, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, Swifterringweg, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd; ten aanzien van parketnummer 16/014037-20 hij op of omstreeks 21 augustus 2019 te Lelystad [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "Kom naar de voordeur dan sla ik je de puipoeier in, dan zal ik jou dood maken en ook tussen 6 planken stoppen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking; Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreffen dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlage opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 9 juli 2020 genummerd 20200122357, opgemaakt door politie Midden-Nederland, genummerd van 100 tot en met 180, 300 tot en met 311, 400 tot en met 405, 500 tot en met 504, 600 tot en met 605, 700 tot en met 729, 800 tot en met 825 en 900 tot en met
- Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- De ongenummerde pagina tussen pagina 823 en
- Pagina 727-
- Pagina’s 100-
- Pagina’s 400-402 en 405 Pagina
- Pagina
- Proces-verbaal van verhoor verdachte, toetsing rechtmatigheid inverzekeringstelling en vordering tot bewaring. Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina
- Pagina’s 100-
- Pagina’s 400-402 en 405 Pagina
- Pagina
- een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een besluit van het CBR van 14 november 2016, pagina’s 1-
- een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een besluit van het CBR van 19 juli 2018, pagina
- Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreffen dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlage opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 17 januari 2020 genummerd PL0900-2019250014, opgemaakt door politie Midden-Nederland, genummerd van 001 tot en met
- Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Pagina
- Pagina
- De ongenummerde pagina na pagina 003 in het procesdossier.