RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16.318796.20 Vonnis tot herstel van het op 19 oktober 2021 uitgesproken vonnis van de rechtbank Midden-Nederland in de zaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren op [1963] te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] te [woonplaats] . 1Het onderdeel van het vonnis dat moet worden hersteld De officier van justitie heeft de rechtbank in kennis gesteld over het volgende. In deze zaak heeft, onder andere, [slachtoffer ] zich gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding. Na de uitspraak is gebleken dat de hoogte van het schadebedrag dat door de rechtbank is toegewezen onjuist in het dictum van voormeld vonnis is vermeld. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 9.3 de vordering van [slachtoffer ] tot vergoeding van haar materiële en immateriële schade beoordeeld. Voor wat betreft het deel van de vordering dat zag op vergoeding van de kosten voor therapie van € 6.996,44 en de vergoeding van de kosten vanwege het oplopen van studievertraging van € 11.012,50, heeft de rechtbank geoordeeld dat per post de helft van de schade zal worden toegewezen. De rechtbank heeft de benadeelde partij voor wat betreft het resterende deel van deze vordering de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft in het dictum de vordering van [slachtoffer ] toegewezen tot een bedrag van € 16.662,48, bestaande uit € 1.662,48 aan materiële schade en € 15.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2015 tot aan de dag van volledige betaling. De rechtbank heeft in het dictum echter niet zoals overwogen ook de helft van deze bedragen aan materiële schade toegewezen. Aan materiële schade had immers een bedrag van € 10.666,95 moeten worden toegewezen. Om de benadeelde partij van deze omissie niet de dupe te laten worden zal de rechtbank in het belang van een juiste executie van het vonnis, deze fout herstellen door verbetering van het dictum, waartoe het onderhavige vonnis strekt. Voor de goede orde merkt de rechtbank op dat het aantal dagen gijzeling als gevolg van dit herstel eveneens zal worden gewijzigd. 2De beslissing De rechtbank: - handhaaft haar beslissing van 19 oktober 2021, met herstel van een kennelijke misslag in het dictum als volgt en wijzigt: “Vordering [slachtoffer ] - wijst de vordering van [slachtoffer ] toe tot een bedrag van € 16.662,48, bestaande uit € 1.662,48 aan materiële schade en € 15.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2015 tot aan de dag van volledige betaling; - verklaart [slachtoffer ] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; - veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; - legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer ] aan de Staat € 16.662,48 te betalen, bestaande uit € 1.662,48 aan materiële schade en € 15.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2015 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 118 dagen gijzeling; - bepaalt dat verdachte van haar verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;” in: “Vordering [slachtoffer ] - wijst de vordering van [slachtoffer ] toe tot een bedrag van € 25.666,95, bestaande uit € 10.666,95 aan materiële schade en € 15.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2015 tot aan de dag van volledige betaling; - verklaart [slachtoffer ] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; - veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil; - legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer ] aan de Staat € 25.666,95 te betalen, bestaande uit € 10.666,95 aan materiële schade en € 15.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 februari 2015 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 163 dagen gijzeling; - bepaalt dat verdachte van haar verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;” - bepaalt dat de griffier dit vonnis doet hechten aan het originele vonnis van 19 oktober 2021 en dit vonnis per brief ter kennis doet brengen van de verdachte, de raadsvrouw, de officier van justitie en mr. J. Pieters, advocaat namens de benadeelde partij. Dit vonnis is gewezen door mr. N.P.J. Janssen, voorzitter, mrs. E.W.A. Vonk en A. Bouteibi, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Troostheide als griffier. Mr. J. Troostheide is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.