RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 20/2999 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 maart 2021 in de zaak tussen [eiser], te [woonplaats 1], eiser (gemachtigde: mr. H. Sala), en Dagelijks Bestuur Werk en Inkomen Lekstroom, verweerder (gemachtigde: mr. E. Lammers). Procesverloop Bij besluit van 2 maart 2020 (het primaire besluit I) heeft verweerder het recht op bijstand van eiser ingetrokken met ingang van 1 januari
- Bij besluit van 18 maart 2020 (het primaire besluit II) heeft verweerder over de maand januari 2020 een bedrag teruggevorderd van € 714,
- Bij besluit 18 mei 2020 (het primaire besluit III) heeft verweerder een boete opgelegd van € 350,-. Bij besluit van 10 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gericht tegen de primaire besluiten I en II niet-ontvankelijk verklaard. Het bezwaar gericht tegen het primaire besluit III is ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2021 door middel van een Skype-beeldverbinding. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen
- De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiser ontving sinds 30 april 2019 bijstand op grond van de Participatiewet (Pw). Eiser woonde op het adres [adres 1] in [woonplaats 2]. Dit betrof de woning van zijn tante. Deze woning is verkocht. Eiser heeft op 17 februari 2020 een adreswijziging doorgegeven waarop staat dat hij per 16 februari 2020 woont op het adres [adres 2] in [woonplaats 2].
- Verweerder heeft in het bestreden besluit het bezwaar gericht tegen de primaire besluiten I en II niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaar te laat is ingediend en niet is gebleken van een verschoonbare reden voor de termijnoverschrijding. Verder heeft verweerder het bezwaar gericht tegen het primaire beluit III ongegrond verklaard. Volgens verweerder heeft eiser niet tijdig doorgegeven dat hij vanaf 1 januari 2020 niet meer verbleef op het opgegeven adres. Daarnaast heeft eiser niet aangegeven waar hij in de maand januari 2020 verbleef. Dit betreft een verwijtbare gedraging. Er is daarom een boete opgelegd van 50% van het benadelingsbedrag, te weten een bedrag van € 350,-. Over de ontvankelijkheid
- Eiser erkent in beroep dat het bezwaar niet binnen de daarvoor geldende termijn is ingediend. Volgens eiser is de termijnoverschrijding verschoonbaar. Eiser was gelet op zijn medische en persoonlijke omstandigheden niet in staat om binnen de termijn bezwaar in te stellen. Als gevolg van medische en sociale problemen was eiser de grip op zijn persoonlijke situatie volledig kwijt. Verweerder heeft hier ten onrechte geen rekening mee gehouden. In beroep legt eiser een verklaring van de huisarts over waarin staat dat eiser zich op het spreekuur van 28 januari 2019 heeft gemeld met chronische depressieve gevoelens en burn-outklachten.
- De rechtbank is van oordeel dat de door eiser aangevoerde omstandigheden geen bijzondere omstandigheden vormen op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar moet worden geacht. De door eiser aangevoerde omstandigheden laten niet het beeld zien dat eiser ten tijde van belang in een dusdanige toestand verkeerde dat hij gedurende de bezwaartermijn van zes weken buiten staat is geweest om zelf een - al dan niet voorlopig - bezwaarschrift in te dienen, dan wel daartoe hulp van een derde in te schakelen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten I en II daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Over de boete
- Eiser voert in beroep aan dat hij niet op 1 januari 2020 is verhuisd. Wegens een conflict met zijn tante is hem begin januari 2020 de toegang tot de woning ontzegd. Eiser heeft daardoor ook zijn post niet meer ontvangen. Eiser heeft toen onderdak gevonden bij een vriendin en op 1 februari 2020 is hij verhuisd naar een nieuwe woning. Op 16 februari 2020 heeft eiser dit gemeld. Eiser heeft verweerder dan ook tijdig ingelicht over zijn gewijzigde woonsituatie. Aan de informatie van zijn tante kan geen waarde worden gehecht gelet op de verstoorde verhouding. Daarnaast is geen sprake van een zorgvuldig onderzoek naar de feiten en omstandigheden aangezien verweerder geen rekening heeft gehouden met de medische situatie van eiser, met name de burn-out klachten.
- De rechtbank is van oordeel dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden door niet te melden dat hij vanaf 1 januari 2020 niet meer verbleef op het opgegeven adres. Eiser heeft eerst op 17 februari 2020 een wijziging in zijn woonadres doorgegeven. Eiser heeft echter geen inlichtingen verschaft over zijn verblijfplaats in de maand januari
- Dat eiser zijn situatie heeft besproken met een medewerker van de schuldhulpverlening, betekent niet dat hij deze informatie niet had moeten verstrekken aan verweerder. Verweerder was daarom gehouden met toepassing van artikel 18a, eerste lid, van de Pw een boete op te leggen. Verweerder heeft met wat eiser heeft aangevoerd terecht geen dringende redenen gezien om af te zien van het opleggen van een boete. Conclusie
- Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Karman, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Ettikhoven, griffier. De beslissing is uitgesproken op 1 maart 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.