← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2021:920

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: UTR 21/221 uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 maart 2021 in de zaak tussen [verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. C. Moustaïne), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder. Procesverloop In het besluit van 23 november 2020 (primaire besluit) heeft het Uwv een bedrag van bruto € 3.354,24 teruggevorderd van eiseres. Dit bedrag had eiseres als voorschot op haar WIA-aanvraag gekregen over de periode van 28 juni 2020 tot en met 31 oktober

  1. Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen
  2. De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. De voorzieningenrechter beschikt over voldoende informatie om uitspraak te doen. Hieronder legt de voorzieningenrechter dat verder uit. Spoedeisend belang
  3. De voorzieningenrechter treft alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. Het kan namelijk zijn dat - na afloop van de bodemzaak - het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog niet terugbetaald hoeft te worden. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood, neemt de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang aan.
  4. Verzoekster voert aan dat zij de afgelopen jaren geen financiële buffer heeft kunnen opbouwen. Haar huidige inkomsten zijn niet toereikend om de vaste lasten de dekken en de gaten te dichten. Zij is dan ook niet in staat om het teruggevorderde bedrag te betalen.
  5. De griffier van deze rechtbank heeft verzoekster bij brief van 1 februari 2021 in de gelegenheid gesteld om binnen één week na dagtekening van de brief haar stelling dat sprake is van spoedeisend belang nader te onderbouwen met stukken waaruit blijkt dat er sprake is van een financiële noodsituatie, zoals bijvoorbeeld met recente bankafschriften, aanmaningen van betalingsachterstanden. De griffier heeft verzoekster op 11 februari 2021 telefonisch een week uitstel gegeven om het spoedeisend belang nader te onderbouwen.
  6. Verzoekster heeft het spoedeisend belang niet nader onderbouwd.
  7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster niet heeft aangetoond dat zij in een zodanige financiële noodsituatie verkeert dat zij niet (meer) in haar primaire levensbehoeften kan voorzien. Van een acute financiële noodsituatie, die nu tijdens de bezwaarprocedure aanleiding geeft tot het treffen van een voorlopige voorziening, is dan ook geen sprake. De voorzieningenrechter neemt in dit geval geen spoedeisend belang aan. Voorlopig rechtmatigheidsoordeel
  8. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft, kan een voorlopige voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door Uwv ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bezwaarprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is vooralsnog niet gebleken dat zeer ernstig moet worden getwijfeld aan de juistheid van het door Uwv ingenomen standpunt. Van een evident onrechtmatig besluit is geen sprake. Belangenafweging
  9. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang voor verzoekster en dat het bestreden besluit ook niet evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoekster te laten uitvallen. Conclusie
  10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.K. de Bruin, griffier. De beslissing is uitgesproken op 4 maart 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op www.rechtspraak.nl. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.