RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: UTR 21/568 uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 maart 2021 in de zaak tussen [verzoekster] , als wettelijk vertegenwoordiger van [zoon 1], te [woonplaats], verzoekster(gemachtigde: mr. S. Karkache), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder. Procesverloop In het besluit van 1 februari 2021 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van [zoon 1] ) om een bijstandsuitkering afgewezen. Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen
- De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
- Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
- Verzoekster heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek toe, gelet op de omstandigheden die zijn aangevoerd.
- De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende tussen partijen vaststaande feiten. Verzoekster is de moeder van twee zoons; [zoon 2] , geboren op [2015] , en [zoon 1] , geboren op [2018] . Verzoekster heeft eerder voor zichzelf bijstand aangevraagd voor levensonderhoud. Die aanvraag is afgewezen op 8 januari
- Tijdens de bezwaarprocedure tegen dat besluit heeft verzoekster verzocht om een voorlopige voorziening. Dit verzoek is bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 5 maart 2021 afgewezen, omdat geen sprake is van spoedeisend belang en het besluit van 8 januari 2021 niet evident onrechtmatig is. Op 19 januari 2021 is voor [zoon 2] bijstand aangevraagd. Dit is bij besluit van 28 januari 2021 toegekend. Op 29 januari 2021 is daarom € 247,11 overgemaakt op de rekening van verzoekster.
- De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
- Verzoekster heeft hierover aangevoerd dat zij naast de toegekende bijstand aan [zoon 2] verder geen inkomen heeft. Zij kan daarmee niet in haar levensonderhoud en dat van haar kinderen kan voorzien.
- De voorzieningenrechter is van oordeel dat in deze zaak geen sprake is van spoedeisend belang en overweegt daartoe als volgt. Aan [zoon 2] is zogenoemde kindbijstand toegekend op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat deze kindbijstand maar één keer per gezin wordt toegekend, ongeacht het aantal kinderen in dat gezin. Dit betekent naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat [zoon 1] , voor zover nu kan worden beoordeeld, geen recht heeft op de aangevraagde bijstand, omdat deze vorm van bijstand al aan zijn oudere broer [zoon 2] is toegekend. Uit de stukken van verweerder blijkt verder dat verzoekster naast deze zogenoemde kindbijstand ook bijzondere bijstand ontvangt voor de doorbetaling van de vaste lasten. Gelet op deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van voorlopig oordeel dat de situatie niet wezenlijk verschilt van de situatie waarover de voorzieningenrechter op 5 maart 2021 heeft geoordeeld.
- Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoekster geen spoedeisend belang heeft, kan de door haar gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door verweerder ingenomen standpunt juist is en of het primaire besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven.
- De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar dat wat hiervoor onder 7 is overwogen en naar dat wat de voorzieningenrechter in de uitspraak van 5 maart 2021 heeft overwogen. Gelet daarop concludeert de voorzieningenrechter dat geen sprake is van evidente onrechtmatigheid.
- De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Sneevliet, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. K.S. Smits, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 maart
- De voorzieningenrechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Zaaknummer UTR 21/137 Pagina 9, derde alinea