RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 21/5156 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 maart 2022 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder (gemachtigde: J. Broeze) Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend na de uitspraak van de rechtbank van 22 juni 2021 (in de zaak UTR 20/860). In die uitspraak staat dat verweerder binnen zes weken na verzending van de uitspraak opnieuw moet beslissen op het bezwaar van eiser. Eiser stelt nu beroep in omdat verweerder dat niet heeft gedaan. Overwegingen
- De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
- Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
- De rechtbank stelt vast dat verweerder niet binnen de door de rechtbank genoemde termijn opnieuw een besluit heeft genomen op het bezwaar van eiser. De rechtbank stelt verder vast dat eiser verweerder op 20 oktober 2021 in gebreke heeft gesteld en dat sindsdien twee weken voorbij zijn gegaan.
- Het beroep is kennelijk gegrond.
- In artikel 4:17 van de Awb staat dat als een bestuursorgaan niet op tijd een besluit neemt, het bestuursorgaan een dwangsom moet betalen voor elke dag dat het in gebreke is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden (artikel 4:18van de Awb).
- Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom niet. vastgesteld. De rechtbank doet dit nu alsnog (artikel 8:55c van de Awb). De dwangsom is in dit geval verschuldigd vanaf 4 november 2021 tot december 2021 en bedraagt € 1.442,-.
- Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen. De rechtbank geeft daarvoor normaal een termijn van twee weken. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een langere termijn geeft (artikel 8:55d, derde lid, van de Awb).
- Verweerder heeft in zijn verweerschrift van 9 februari 2022 gevraagd om een langere termijn omdat een inspectie plaats moet vinden voordat er beslist kan worden op het bezwaar. Verweerder heeft gepoogd op 1 februari 2022 een inspectie plaats te laten vinden maar wegens coronabesmetting in het pand heeft verweerder besloten om op dat moment het pand niet te betreden. Verweerder verwacht binnen enkele weken de inspectie alsnog te kunnen uitvoeren. Gelet hierop verzoekt verweerder om een termijn van zes weken om op het bezwaar te beslissen.
- De rechtbank ziet in de toelichting van verweerder aanleiding een langere termijn te bepalen dan twee weken. De door verweerder genoemde omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank bepaalt dat verweerder uiterlijk binnen zes weken na het verzenden van deze uitspraak, een besluit moet nemen.
- De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
- Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 181,- aan eiser betalen. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken; - bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; - bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 181,- dat eiser heeft betaald moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Sneevliet rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh griffier. De beslissing is uitgesproken op 1 maart 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. de griffier de rechter Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.