RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 21/4211 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2022 in de zaak tussen [verzoekster] uit [woonplaats] , verzoekster (gemachtigde: A. van Lieshout), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (gemachtigde: A.P. Prinsen). Procesverloop In het besluit van 11 maart 2021 (primair besluit) heeft verweerder ten aanzien van een werkneemster van eiseres vastgesteld dat zij per 25 november 2020 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). In het besluit van 6 september 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van de werkneemster van eiseres gegrond verklaard en bepaald dat eiseres met ingang van 25 november 2020 recht heeft op een WIA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 41,32%. Verweerder heeft dit besluit aan eiseres toegezonden en daarbij bepaald dat de hieruit voortvloeiende WGA-schade aan eiseres als eigenrisicodrager wordt toegerekend. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij brief van 9 maart 2022 heeft verweerder meegedeeld dat de passage dat de WGA-uitkering van de betreffende werkneemster voor rekening van eiseres komt, abusievelijk in de begeleidende brief van 6 september 2021 is opgenomen. Naar aanleiding hiervan heeft eiseres de rechtbank meegedeeld dat hiermee deels wordt voldaan aan de wensen van eiseres en dat er alleen nog onduidelijkheid bestaat over de ingangsdatum van de WIA-uitkering. De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2022 op zitting behandeld. Eiseres en verweerder zijn met bericht vooraf niet verschenen. Overwegingen
- De WIA-uitkering is aan de werkneemster toegekend in aansluiting op een Ziektewet-uitkering ten gevolge van zwangerschaps- of bevallingsklachten. Artikel 82, zesde lid, van de Wet WIA bepaalt dat de betaling van de uitkering in dit geval niet voor risico van eiseres als eigenrisicodrager komt. Verweerder heeft dat ook erkend in de brief van 9 maart
- Dit betekent dat eiseres geen belang heeft dat rechtstreeks is betrokken bij het besluit over de WIA-uitkering. De vraag over de ingangsdatum van die uitkering maakt dat niet anders. Eiseres is geen belanghebbende en haar beroep is niet-ontvankelijk.
- De rechtbank ziet wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres, omdat het aan verweerder te wijten is dat er onduidelijkheid is ontstaan over de toerekening van de WIA-uitkering. Dat is voor eiseres mede aanleiding geweest om beroep in te stellen.
- De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 759,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,-, met een wegingsfactor 1).
- De rechtbank bepaalt voorts dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep niet-ontvankelijk; - bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 360,- vergoedt; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 759,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Bruins-Langedijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 maart
- griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.