beschikking RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Afdeling Toezicht locatie Utrecht zaaknummer / rekestnummer: FT RK 22/124, 125 en 126 Beschikking op grond van artikel 378 Fw (aspectenverzoek) van 31 maart 2022 in de zaak van:
(2)het buiten het akkoord laten van de genoemde Dwangcrediteuren. 4.43. [verzoekster sub 2] c.s. heeft gesteld dat de aandeelhouders [belanghebbende 4] en [belanghebbende 3] een deel van hun aandelenbelang mogen behouden, omdat hun inbreng cruciaal is voor het voortbestaan van de onderneming en het realiseren van de reorganisatiewaarde. Deze aandeelhouders brengen gezamenlijk € 200.000,- bijeen voor de reorganisatie van de onderneming. Zijn doen wel afstand van hun achtergestelde vorderingen. Aldus [verzoekster sub 2] c.s. 4.44. Rabobank heeft het volgende gesteld. Door een deel van de zittende aandeelhouders wordt een gezamenlijk bedrag van € 200.000,- ter beschikking gesteld voor de financiering van het akkoord. Feitelijk kopen twee van de huidige aandeelhouders voor een bedrag van € 200.000,- een schuldenvrije onderneming met een waarde van ongeveer € 2 miljoen (de reorganisatiewaarde). Het is aan [verzoekster sub 2] c.s. om voldoende aannemelijk te maken waarom een inbreng van € 200.000,- rechtvaardigt dat zij als aandeelhouders mogen blijven zitten. Aldus Rabobank. 4.45. De vraag van [verzoekster sub 2] c.s. met betrekking tot de positie van de aandeelhouders, heeft zij gedaan in het kader van de in artikel 384 lid 4 onder b Fw gegeven regel. Op grond van deze regel mag ten gunste van bijvoorbeeld een aandeelhouder worden afgeweken van de wettelijke rangorde, als daarvoor een redelijke grond bestaat en hoger gerangschikte schuldeisers daardoor niet in hun belangen worden geschaad. De gestelde vraag raakt daarnaast aan de ambtshalve toets in artikel 384 lid 2 onder f Fw. Deze bepaling schrijft voor dat moet worden getoetst of door het aangaan van een nieuwe financiering de belangen van de gezamenlijke schuldeisers niet wezenlijk worden geschaad. Verder is in dit verband van belang wat is opgemerkt in de Herstructureringsrichtlijn. In de considerans bij de Herstructureringsrichtlijn is onder punt 56 daarover opgenomen: “De lidstaten moeten van de absolute voorrangsregel kunnen afwijken, bijvoorbeeld wanneer het als billijk wordt beschouwd is dat houders van eigenvermogensinstrumenten bepaalde belangen in het kader van het plan behouden, ondanks het feit dat een categorie van een hogere rang verplicht is een verlaging van zijn vorderingen te aanvaarden, of dat essentiële leveranciers die onder de bepaling betreffende de schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen vallen eerder worden betaald dan categorieën schuldeisers van een hogere rang. De lidstaten moeten kunnen kiezen welke van de voornoemde beschermingsmechanismen zij invoeren.” 4.46. Het oorspronkelijke voorontwerp van de WHOA voorzag in een zogenaamde ‘new value exception’. In het voorontwerp was de regel opgenomen dat een afwijking van de wettelijke rangorde van verdeling mogelijk is wanneer “de verkrijging van deze rechten een marktconforme tegenprestatie vormt voor de verschaffing van een krediet in de vorm van een geldlening of van nieuw kapitaal door de laatst genoemde schuldeisers of aandeelhouders”. Deze regeling is uiteindelijk niet in de wet opgenomen. 4.47. Om te toetsen of sprake is van een redelijke grond voor afwijking van de wetteljke rangorde, in het kader van een nieuwe financiering, moet worden gekeken naar alle omstandigheden van het geval. De gedachte bij toepassing van de genoemde wettelijke bepalingen is dat een bestaande aandeelhouder een (aandelen)belang in de vennootschap mag houden, wanneer hij dit belang – kortgezegd – tegen marktconforme voorwaarden heeft verkregen. Daarbij is onder meer van belang dat de waarde die de aandeelhouder inbrengt nieuw en substantieel, op geld waardeerbaar en noodzakelijk voor een succesvolle reorganisatie moet zijn. Daarnaast dient de inbreng in redelijke verhouding te staan tot de waarde die wordt verkregen of behouden. 4.48. [onderneming 1] heeft bij bepaling van de reorganisatiewaarde als voorwaarde opgenomen dat het voor de uitvoering van de herstructurering noodzakelijk is om liquiditeiten in te brengen. De storting van de bestaande aandeelhouders van een bedrag van € 200.000 is hiervoor een noodzakelijke voorwaarde. Deze investering moet (als een van de kosten van de herstructurering) worden afgetrokken van de waarde die met de herstructurering wordt gerealiseerd. De stelling van Rabobank dat de aandeelhouders met een investering van € 200.000,- in feite een belang krijgen in de veel hogere reorganisatiewaarde is een sterke aanwijzing dat sprake is van een onredelijke afwijking van de rangorde. Rabobank is echter zelf niet bereid extra liquide middelen ter beschikking te stellen om de herstructurering mogelijk te maken en wenst zelf ook geen aandelen in de onderneming te ontvangen. Uit de stellingen van [verzoekster sub 2] c.s. volgt verder, mede gelet op het verweer van Rabobank, dat er geen andere partijen zijn die de benodigde investering kunnen of willen doen, terwijl die investering wel noodzakelijk is. Onder dergelijke omstandigheden is het redelijk van de wettelijke rangorde af te wijken bij verdeling van de reorganisatiewaarde. Omdat de volledige reorganisatiewaarde over de schuldeisers, waaronder Rabobank, wordt verdeeld, geldt dat haar belang daarbij niet worden geschaad. 4.49. [verzoekster sub 2] c.s. heeft gesteld dat [verzoekster sub 3] een schuld heeft van totaal € 37.151,- aan ‘Consignatievergoedingen kunstenaars’ (“Dwangcrediteuren”). Dit bedrag bestaat uit 269 relatief zeer kleine bedragen (gemiddeld ongeveer € 138,-). [verzoekster sub 2] c.s. is genoodzaakt deze Consignatievergoeding te betalen teneinde: (
- i)onrust in de markt te voorkomen, (
- ii)de onderneming te kunnen voortzetten, en (iii) de reorganisatiewaarde te kunnen realiseren. Aldus [verzoekster sub 2] c.s. 4.50. Rabobank heeft gesteld dat op geen enkele wijze aannemelijk is gemaakt dat de kunstenaars hun consignatieovereenkomsten zullen opzeggen als zij niet als dwangcrediteur worden aangemerkt. Deze kunstenaars zijn juist afhankelijk van [verzoekster sub 2] c.s. voor de verkoop van hun kunstwerken en het genereren van een inkomstenbron, zodat het geenszins aannemelijk is dat een kunstenaar zijn consignatieovereenkomst zou willen beëindigen. Aldus Rabobank. 4.51. [verzoekster sub 2] c.s. kan ervoor kiezen een akkoord te beperken tot een bepaalde groep schuldeisers of aandeelhouders. Een reden hiervoor kan zijn om met gebruikmaking van de besloten akkoordprocedure buiten faillissement in relatieve rust een akkoord tot stand te brengen en negatieve publiciteit over de ontstane financiële problemen en daarmee samenhangende nadelige consequenties te voorkomen. Door het buiten het akkoord laten van een groep schuldeisers, moeten hun vorderingen door [verzoekster sub 2] c.s. volledig worden voldaan. Daarmee wijkt [verzoekster sub 2] c.s. af van de wettelijke rangorde, waartegen Rabobank bezwaar heeft gemaakt (zie artikel 384 lid 4 Fw). [verzoekster sub 2] c.s. wil antwoord op de vraag of voor deze afwijking op basis van haar hiervoor genoemde stellingen een redelijke grond bestaat en Rabobank hierdoor niet in haar belang wordt geschaad. 4.52. [verzoekster sub 2] c.s. heeft gesteld dat door het betrekken van 269 kleine schuldeisers bij het akkoord, veel onrust zal ontstaan waarmee de continuïteit van haar onderneming in gevaar komt. Rabobank heeft deze stelling van [verzoekster sub 2] c.s. onvoldoende gemotiveerd betwist. Bij bepaling van de reorganisatiewaarde is uitgegaan van een cashflow die onder meer wordt gegenereerd door het verhuren van de kunstwerken van deze groep schuldeisers. Door de vorderingen van deze groep schuldeisers ongemoeid te laten, voorkomt [verzoekster sub 2] c.s. dat sommige van de schuldeisers uit deze groep hun consignatieovereenkomst met [verzoekster sub 3] zullen gaan opzeggen en hun kunst zullen terugvragen, waardoor zij een daling van de reorganisatiewaarde voorkomt. Verder zou het betrekken van deze groep schuldeisers in het akkoord betekenen dat maximaal 20% op hun vorderingen zal moeten worden voldaan. Dit komt neer op betaling een bedrag van enkele tientjes per schuldeiser. [verzoekster sub 2] c.s. kan extra kosten bij de totstandkoming van het akkoord (stemprocedure) en de uitdeling aan schuldeisers voorkomen door deze groep buiten het akkoord te houden. Daarbij gaat het om een beperkte bedrag dat [verzoekster sub 3] aan deze groep schuldig is, in verhouding tot de totale uitkering aan de schuldeisers in haar akkoord. 4.53. Het antwoord op de vraag is, gelet op het voorgaande, dat een redelijke grond bestaat voor het buiten het akkoord houden (en daarmee volledig voldoen) van de Dwangcrediteuren. Rabobank wordt hierdoor niet wezenlijk in haar belangen geschaad. (
- ix)Stemmen Staat het [verzoekster sub 2] c.s. vrij om te bepalen wie zij laat stemmen voor de aan Rabobank verpande vorderingen; de betreffende schuldeiser of Rabobank als ‘beneficiair’? 4.54. Artikel 381 lid 4 Fw bepaalt dat wanneer de schuldenaar een akkoord aanbiedt dat mede betrekking heeft op vorderingsrechten waarvoor geldt dat het economisch belang geheel of in overwegende mate ligt bij een ander dan die schuldeiser waardoor die ander zich in een positie bevindt die, gegeven de omstandigheden van het geval redelijkerwijs gelijkgesteld moet worden met die van een schuldeiser van wie de rechten op basis van het akkoord worden gewijzigd, dan kan de schuldenaar deze ander in de plaats van de schuldeiser uitnodigen naar eigen inzicht over het akkoord te stemmen. 4.55. Ter zitting is toegelicht dat [verzoekster sub 3] een intercompany-vordering heeft op [verzoekster sub 2] welke vordering stil verpand is aan Rabobank. [verzoekster sub 3] en [verzoekster sub 2] hebben ieder een intercompany-vordering op [verzoekster sub 1] welke vorderingen eveneens stil verpand zijn aan Rabobank. Ter zitting is onweersproken gesteld dat van de hiervoor genoemde pandrechten (nog) geen mededeling in de zin van artikel 3:239 lid 3 BW is gedaan. Op grond van het bepaalde in artikel 376 lid 7 Fw is Rabobank niet bevoegd om gedurende de afkoelingsperiode de hiervoor vermelde mededeling te doen. Dat betekent dat de pandgevers -zijnde respectievelijk [verzoekster sub 3] en [verzoekster sub 2] - inningsbevoegd zijn gebleven. Uit de stellingen van verzoeksters volgt dat zij voornemens zijn om de akkoorden aan te bieden voordat de (verlengde) afkoelingsperiode beëindigd is, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat [verzoekster sub 3] en [verzoekster sub 2] ten tijde van de stemming over de akkoorden nog steeds inningsbevoegd zullen zijn. 4.56. Nu geen mededeling is gedaan, zijn [verzoekster sub 2] respectievelijk [verzoekster sub 3] niet alleen de juridisch rechthebbende tot de vordering maar zijn zij ieder voor zich als inningsbevoegde tevens de economisch belanghebbende, zodat er geen grond bestaat Rabobank als niet inningsbevoegde pandhouder tot de stemming toe te laten, noch om haar in staat te stellen invloed uit te oefenen op de stemming door het geven van steminstructies. 4.57. Gelet op het voorgaande, geldt de hoofdregel van artikel 381 lid 1 Fw. Het staat niet zonder meer vrij een ander dan de schuldeiser als stemgerechtigde aan te merken. Het is denkbaar dat onder omstandigheden van dit uitgangspunt kan of moet worden afgeweken, bijvoorbeeld op basis van een aan [verzoekster sub 2] c.s. bekende rechtsverhouding tussen de schuldeisers/pandgevers en Rabobank. [verzoekster sub 2] c.s. heeft echter geen feiten gesteld die aanleiding geven om te bepalen dat het haar vrij staat van de hoofdregel af te wijken. (
- x)Ipso facto-clausule Kan Rabobank op basis van de ipso facto-clausules in de financieringsovereenkomst de financiering beëindigen? 4.58. [verzoekster sub 2] c.s. heeft in het verzoekschrift niet aangegeven over welke ipso facto-clausule zij een oordeel van de rechtbank wenst. Uit het verhandelde ter zitting blijkt dat [verzoekster sub 2] c.s. met deze vraag wil vernemen of Rabobank de geldleningen waarvan de looptijd is verstreken mag beëindigen en of de niet-nakoming van de verplichting tot terugbetaling van deze geldleningen een grond is (verzuim) voor beëindiging van de volledige financiering. 4.59. [verzoekster sub 2] c.s. heeft onvoldoende gesteld dat dit aspect van belang is bij de totstandkoming van een akkoord. Hiervoor werd vastgesteld dat een beëindiging van (een gedeelte van) de financiering geen invloed heeft op het antwoord op de vraag of Rabobank een ‘cash-out’ optie moet worden geboden. Verder werd hiervoor geoordeeld dat het verzoekschrift onvoldoende concreet is ten aanzien van het voorgenomen aanbod aan Rabobank om daarover een oordeel te geven. De vraag of de financiering wel of niet is geëindigd, heeft mogelijk wel invloed op het antwoord op die vraag, maar [verzoekster sub 2] c.s. heeft niet duidelijk gesteld welk aanbod zij voornemens is te doen. 4.60. Deze vraag van [verzoekster sub 2] c.s. wordt derhalve niet beantwoord. 5De beslissing De rechtbank: Vraag (i): 5.1. verstaat dat [verzoekster sub 2] c.s. bij toepassing van artikel 374 Fw (klassenindeling) de waarde die naar verwachting in een faillissement volgens de wettelijke rangorde door Rabobank op basis van haar pandrechten verkregen zou zijn, mag uitgaan van een faillissementsscenario waarbij een doorstart wordt gerealiseerd en dat deze waarde ligt in het midden tussen de door haar deskundige [onderneming 3] vastgestelde liquidatiewaarde en de onderhandse verkoopwaarde (de Going Concern Liquidatiewaarde), Vraag (
- ii)5.2. verstaat dat Rabobank in de akkoordprocedures van alle hoofdelijk schuldenaren, te weten: [verzoekster sub 3] , [verzoekster sub 1] en [verzoekster sub 2] , mag opkomen voor het gehele bedrag van haar vordering, totdat haar vordering ten volle zal zijn gekweten, Vraag (
- iv)5.3. verstaat dat [verzoekster sub 2] c.s. bij toepassing van artikel 374 Fw (klassenindeling) ervan mag uitgaan dat de Consignatievoorraad niet valt onder het pandrecht van Rabobank, Vraag (
- v)5.4. bepaalt dat [verzoekster sub 2] c.s. en Rabobank de gelegenheid hebben uiterlijk op 14 april 2022 door het nemen van een akte zich uit te laten over hetgeen is vermeld onder 4.35., waarna het schriftelijk debat tussen partijen in beginsel is geëindigd, 5.5. houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van vraag (
- v)aan, Vraag (viii) 5.6. verstaat dat Rabobank niet in haar belangen wordt geschaad en een redelijke grond bestaat in de zin van artikel 384 lid 4 sub b Fw voor afwijking van de rangorde bij verhaal op het vermogen van [verzoekster sub 2] c.s. ten aanzien van de aandeelhouders die nieuw geld aan [verzoekster sub 2] c.s. ter beschikking stellen en de Dwangcrediteuren, Vraag (
- ix)5.7. verstaat dat het [verzoekster sub 2] c.s. niet vrij staat om te bepalen wie zij laat stemmen voor de aan Rabobank verpande vorderingen; de betreffende schuldeiser of Rabobank als pandhouder, 5.8. wijst af hetgeen meer of anders is verzocht. Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Neijt, mr. M.D.E. Leppens en mr. C.A.M. de Bruijn in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2022. vgl. Rechtbank Oost-Brabant 27 augustus 2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:4818, r.o. 5.3. vgl. Hoge Raad 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1046 (Rabobank/ [achternaam] ). Kamerstukken II 2019/20, 35249, 24. A.L. Jonkers, ‘Ongelijkwaardig speelveld in WHOA en door Wetsvoorstel Opheffing Verpandingsverboden’, TvI 2021/2 en G.A.C. Orban en S. Jansen, ‘WHOA: de cashoptie is dood, lang leve de cashoptie, FIP 2020/224. zie ook N.B. Pannevis, Insolventierecht, Deventer: Wolters Kluwer 2022, nr. 29.5.4.4, waarin hij aangeeft dat “voor professionele financiers een aparte variant” bestaat (onderstreping rechtbank); R.D. Vriesendorp en O. Salah, ‘De WHOA: een nieuw herstructureringsinstrument’, MvV 2020, p. 205-216, nr. 4.2, waarin zij uitleggen dat “de optie (…) is uitgesloten voor separatisten die de schuldenaar bedrijfsmatig financiering hebben verstrekt” (onderstreping rechtbank); A.M. Wolffram-van Doorn, ‘De Wet homologatie onderhands akkoord, MvV 2021/67, waarin zij aangeeft dat “een uitzondering is gemaakt voor (…) bedrijfsmatige financiers” (onderstreping rechtbank). Ook in S. Renssen, De herijking van het faillissementsrecht. De WHOA (Recht & Praktijk, nr. InsR17), Deventer: Wolters Kluwer 2021. nr. 7.6.1 wordt op vergelijkbare wijze uitleg gegeven aan de bepaling: “daarom vallen bedrijfsmatige financiers die bij faillissement doorgaans aanspraak kunnen maken op vrij grote contante bedragen, niet langer onder de bepaling van de cash out-optie” (onderstreping rechtbank). Zie verder Van den Sigtenhorst, in: T&C Insolventierecht, artikel 384 Fw, aant. 10: “professionele financiers (waaronder banken) met een door pand of hypotheek gedekte vordering kunnen geen beroep doen op de cash out-optie” (onderstreping rechtbank). zie ook N.W.A. Tollenaar, Het pre-insolventieakkoord, Deventer: Wolters Kluwer 2016, par. 2.6.6.4 en A.M. Mennens, nr. 9.6.5.3 onder 591. de richtlijn (EU) 2019/1023 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132. zie (Herziene) Verzoekschrift, bijlage 5, pagina 26. zie Memorie van Toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 2018–2019, 35 249, nr. 3, p. 11.