RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Familierecht locatie Utrecht zaaknummer: C/16/529413 / FO RK 21-1103 vaststelling ouderschap Beschikking van 21 april 2022 in de zaak van: [verzoekster] , wonende op een bij de rechtbank bekend adres, hierna te noemen: de moeder, advocaat mr. C.S.M. Ruijgrok, met als belanghebbende mr. A.C. Otten, kantoorhoudende in [plaats 1] , gemeente [gemeente] , als bijzondere curator over het kind [minderjarige 2]. 1De procedure 1.
- De moeder heeft op 19 oktober 2021 een verzoekschrift ingediend, met bijlagen. 1.
- In de beschikking van 29 november 2021 heeft de rechtbank mr. A.C. Otten benoemd als bijzondere curator over [minderjarige 2 (voornaam)] . De bijzondere curator vertegenwoordigt [minderjarige 2 (voornaam)] in deze procedure en komt op voor haar belang. 1.
- Daarna heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen: het advies van 20 december 2021 van de bijzondere curator; het aanvullend verzoekschrift van de moeder, ingediend op 3 februari 2022; het F-formulier van 11 februari 2022 van de moeder, met bijlage; het F-formulier van 24 maart 2022 van de moeder. 1.
- Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 31 maart
- Daarbij waren aanwezig: de moeder met haar advocaat, de bijzondere curator, mevrouw [A] , namens de Raad voor de Kinderbescherming, locatie [plaats 2] , mevrouw [B] , een vriendin van de moeder. 2Waar het over gaat 2.
- De moeder was getrouwd met jonkheer [C] (hierna te noemen: de man). 2.
- Het huwelijk van de moeder en de man is ontbonden door het overlijden van de man op [overlijdensdatum]
- 2.
- Tijdens het huwelijk van de moeder en de man is geboren: jonkvrouw [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2019 in [geboorteplaats] . 2.
- Na het overlijden van de man is de moeder bevallen van een tweede dochter: [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 in [geboorteplaats] . 2.
- Uit de verklaring van 31 juli 2021 van het [naam 1] , locatie [naam 2] , blijkt dat de zwangerschap waaruit [minderjarige 2 (voornaam)] is geboren, is ontstaan uit de embryo-terugplaatsing van 7 april 2021 waarbij het ingevroren embryo afkomstig was van de moeder en de man samen. De man heeft voor zijn overlijden hiervoor toestemming gegeven. 2.
- De moeder en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. De man had ook de Nederlandse nationaliteit. 2.
- De moeder verzoekt om het ouderschap van de man over [minderjarige 2 (voornaam)] vast te stellen. Dat wil zeggen dat de man in juridische zin voortaan als de vader van [minderjarige 2 (voornaam)] wordt aangemerkt. Daarnaast heeft de moeder verzocht dat [minderjarige 2 (voornaam)] na de vaststelling van het ouderschap de geslachtsnaam en titel van de man zal dragen. 2.
- De bijzondere curator vindt het in het belang van [minderjarige 2 (voornaam)] dat de verzoeken worden toegewezen. 3De beoordeling Conclusie 3.
- De rechtbank zal het ouderschap van de man over [minderjarige 2 (voornaam)] vaststellen. Daarnaast zal de rechtbank vaststellen dat [minderjarige 2 (voornaam)] de geslachtsnaam en het adellijke predicaat van de man zal dragen na de vaststelling van het ouderschap. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt. Vaststelling ouderschap 3.
- Voor de rechtbank staat vast dat de man de biologische vader is van [minderjarige 2 (voornaam)] , gelet op de verklaringen van de moeder en het [naam 1] over de ontstaansgeschiedenis van [minderjarige 2 (voornaam)] . 3.
- Op grond van artikel 1:207 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het ouderschap van een persoon vaststellen – ook indien deze is overleden – op de grond dat deze de verwekker is van het kind of op de grond dat deze als levensgezel van de moeder heeft ingestemd met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad. 3.
- Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ‘de verwekker’ van een kind is: de man die samen met de moeder op natuurlijke wijze het kind heeft laten ontstaan. Het begrip ‘verwekker’ valt daarom niet samen met het begrip ‘biologische vader’. 3.
- Gelet op deze terminologie kan de man strikt genomen niet als verwekker worden aangemerkt, maar de rechtbank zal dit wel doen. Hierna licht de rechtbank dit toe. Bij het criterium dat een persoon als levensgezel van de moeder heeft ingestemd met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad, wordt ervan uitgegaan dat die persoon niet de biologische ouder van het kind is. Dat is in deze zaak echter wel het geval. De moeder en de man zijn de biologische ouders van [minderjarige 2 (voornaam)] . [minderjarige 2 (voornaam)] is alleen niet op geheel natuurlijke wijze ontstaan, maar met behulp van de medische wetenschap. In deze bijzondere situatie vindt de rechtbank het begrip ‘verwekker’ het best aansluiten bij de werkelijkheid. Eerder heeft ook de Rechtbank Gelderland in die zin geoordeeld in een vergelijkbare zaak. 3.
- Ook aan de andere wettelijke eisen is voldaan. Daarom zal de rechtbank het ouderschap van de man vaststellen. Geslachtsnaam 3.
- [minderjarige 2 (voornaam)] zal de geslachtsnaam [achternaam van C] dragen, want [minderjarige 1 (voornaam)] , de oudste dochter van de moeder en de man, draagt ook die naam. Nu [minderjarige 2 (voornaam)] de geslachtsnaam van de man zal dragen, verkrijgt zij ook het adellijke predicaat van de man. Uitvoerbaar bij voorraad 3.
- De moeder heeft verzocht om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat wil zeggen dat de beslissing meteen kan worden uitgevoerd. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen. De ambtenaar van de burgerlijke stand kan de geboorteakte namelijk pas aanpassen (door een latere vermelding toe te voegen aan de geboorteakte) wanneer de beslissing onherroepelijk is. 4De beslissing De rechtbank: 4.
- stelt het ouderschap vast van: jonkheer [C], geboren op [geboortedatum 3] 1981 in [geboorteplaats] en overleden op [overlijdensdatum] 2020 in [plaats 3] , over het kind: [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 in [geboorteplaats] ; 4.
- stelt vast dat [minderjarige 2 (voornaam)] de geslachtsnaam van de man zal dragen, zodat zij zal heten: jonkvrouw [voornamen van minderjarige 2] [achternaam van C]; 4.
- wijst het meer of anders verzochte af. Dit is de beslissing van mr. V.M.M. van Amstel, (kinder)rechter, tot stand gekomen in samenwerking met mr. A. Verouden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april
- Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden. MvT, Kamerstukken II 1995/1996, 24649, nr. 3, p.8 MvT, Kamerstukken II 2011/2012, 33032, nr. 3, p.6 ECLI:NL:RBGEL:2021:2631 Artikel 1:207 BW Artikel 1:5 lid 8 BW Artikel 1:5 lid 11 BW