RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummers: 16/338815/21 en 16/196609-20 (vord. tul) (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 19 april 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] , ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] , [woonplaats] , gedetineerd in de P.I. Nieuwegein. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 april 2022. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. T.M. van Wanrooij en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.N. Greeven, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: feit 1: in de periode van 20 april 2021 tot en met 17 december 2021 te Amersfoort cocaïne en/of heroïne heeft gedeald of aanwezig heeft gehad; feit 2: op 17 december 2021 te Amersfoort opzettelijk ongeveer 3,48 gram cocaïne aanwezig heeft gehad. 3VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4WAARDERING VAN HET BEWIJS 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit van het onder feit 1 ten laste gelegde, omdat sprake is van onvoldoende overtuigend bewijs. Uit het onderzoek van de telefoons volgt geen direct bewijs voor het verkopen van cocaïne en heroïne in de ten laste gelegde periode. De herkenningen van verdachte door de getuigen zijn gebaseerd op enkelvoudige fotoconfrontaties. Deze zijn onbetrouwbaar en moeten daarom van het bewijs worden uitgesloten. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat slechts het dealen in de periode van 6 augustus 2021 tot en met 17 december 2021 wettig en overtuigend kan worden bewezen en dat verdachte voor de periode die daarvoor is gelegen, dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw geen bewijsverweer gevoerd en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Ten aanzien van feiten 1 en 2 Bewijsmiddelen De voorgeleiding van verdachte Op vrijdag 17 december 2021 om 23:26 uur, werd aan mij, [verbalisant 1] (UTR09559), inspecteur van politie Eenheid Midden-Nederland, hulpofficier van justitie, op de locatie Van Asch van Wijckstraat 45, 3811 LP Amersfoort voorgeleid de verdachte: Achternaam: [verdachte] . De verklaring van verdachte V: Bij jouw aanhouding zijn tijdens de insluiting 15 bolletjes, naar later bleek cocaïne, aangetroffen, dit is gewogen op 3,48 gram. Wat kan je hierover verklaren? A: Het klopt dat ik het bij me had. Het aantreffen van drugs bij verdachte Op 17 december 2021 werd [verdachte] op het politiebureau onderworpen aan de insluitingsfouillering. Tijdens deze fouillering werd er in de linkerborstzak van zijn jas een zwart leren zakje aangetroffen. In dit zwarte leren zakje zaten drie doorzichtige plastic zakjes met daarin in totaal 15 apart verpakte bolletjes met daarin een witte substantie. Tevens werd een mobiele telefoon aangetroffen. Een NFI-rapport Kenmerk Omschrijving FO Conclusie AAPH1061NL poeder en brokjes, wit, uit 3,48 gram; aantal bemonsteringen in onderzoek: drie bevat cocaïne De verklaring van getuige [getuige 1] Op 24 januari 2022 toonden wij, verbalisanten, hem een foto van verdachte [verdachte] . Wij hoorden dat [getuige 1] verklaarde dat hij inderdaad wel eens drugs (cocaïne) van deze jongen had gekocht, dit was lang geleden. De verklaring van getuige [getuige 2] V: Wat is het telefoonnummer van de dealer bij wie jij drugs kocht?A: [telefoonnummer 1] . V: Wat kocht jij bij de dealer?A: Basecoke (rookvorm van cocaïne) en hasj.V: Hoelang kocht je al bij de dealer?A: Bij deze dealer ongeveer 4 maanden. V: Waar baseer je deze 4 maanden op? A: Ik weet dat het net na de zomer, begin september was. Ik weet dit omdat ik op foto's van mijzelf kan zien in welke periode ik cocaïne gebruikte. Ik zie op de foto's namelijk dat mijn gezicht smaller werd en ik dus gewicht verloor. Op de foto's in mijn telefoon zie ik dat dit begin september 2021 weer begon. Daarvoor gebruikte ik ook maar kocht ik bij een andere dealer. In de zomermaanden van 2021 ben een tijdje gestopt met het gebruik van cocaïne. In september ben ik weer begonnen bij deze dealer. Mijn vorige dealer kende mijn huidige dealer.V: Hoeveel heb je ongeveer in totaal bij de dealer gekocht?A: Ik kocht gemiddeld voor 100 euro per week.0: Ik toon u een foto van een persoon (de rechtbank begrijpt: verdachte). V: Wat kunt u zeggen over deze persoon?A: Dit was mijn huidige dealer. Onderzoek aan de iPhone 5 Op zondag 19 december 2021 is de data uit de Apple iPhone 5, in beslag genomen onder [verdachte] , veilig gesteld. Bij de ‘Device Info’ zag ik, verbalisant, de volgende gegevens staan: Apple ID: [e-mailadres 1] Device name: [verdachte] 's iPhone. Op 16 november 2021 stuurt verdachte [verdachte] een Whatsapp-bericht naar een contact met de naam [A] . De letterlijke tekst van dit berichtje betrof: "Yoo [A] heb weer goeie wit / rook". Het contact met de naam [A] heeft het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . In BVIB staat dit nummer geregistreerd en gekoppeld aan [A] . Het is mij ambtshalve bekend dat [A] een harddruggebruiker betreft. Op 16 november 2021 stuurt verdachte [verdachte] een Whatsapp-bericht naar een contact met het nummer [telefoonnummer 3] . De letterlijke tekst van dit berichtje betrof: “Goeie spul Amersfoort”. Op 8 november 2021 stuurt verdachte [verdachte] een Whatsapp-bericht naar een contact met het nummer [telefoonnummer 4] . De letterlijke tekst van dit berichtje betrof: “Best stuff in Amersfoort”. Onderzoek aan de iPhone 7 De Apple iPhone 7 was in beslag genomen onder [verdachte] . Ik, verbalisant, zag dat het toestel was voorzien van de navolgende gebruikersgegevens: Apple ID: [e-mailadres 2] Device Name: iPhone van [verdachte] MSISDN-1: [nummer] . Chatgesprek Naam gebruiker toestel: [chatnaam 1]Naam wederpartij: [chatnaam 2]- 15-4-2021, [chatnaam 1] : Die base is uitverkocht bro- 15-4-2021, [chatnaam 1] : Maar kan wel assie brengen- 15-4-2021, [chatnaam 1] : En goeie snuif- 16-4-2021, [chatnaam 2] : Oke kun je ook hierkomen want heb geen vervoer- 16-4-2021, [chatnaam 1] : Ja kan- 16-4-2021, [chatnaam 1] : Hoelaat wil je- 16-4-2021, [chatnaam 2] : Over een uur- 16-4-2021, [chatnaam 2] : 1.5 en een assie- 16-4-2021, [chatnaam 1] : Isgoed ben daar over 2 uurtjes Bewijsoverweging Bij het gebruik van een enkelvoudige fotoconfrontatie voor het bewijs is als uitgangspunt behoedzaamheid op zijn plaats. De enkele omstandigheid dat een herkenning heeft plaatsgevonden op basis van een enkelvoudige fotoconfrontatie leidt er echter niet zonder meer toe dat die herkenning om die reden voor het bewijs buiten beschouwing dient te worden gelaten. Indien de getuige de verdachte al kent van andere situaties, bijvoorbeeld als vaste verkoper van drugs, gaat het er bij de confrontatie om het vaststellen of verdachte wel degene is die door de getuige wordt bedoeld. Het is dan niet nodig om tot een meervoudige confrontatie over te gaan. In dit geval hebben de getuigen hun vaste dealer herkend die al gedurende geruime tijd drugs aan hen verkocht. Daarbij komt dat getuige [getuige 2] heeft verklaard dat het telefoonnummer van zijn dealer [telefoonnummer 1] is. Dit is hetzelfde nummer dat was gekoppeld aan de iPhone 7 die onder verdachte in beslag was genomen. Ook heeft [getuige 2] verklaard over de reden waarom hij gestopt was bij zijn vorige dealer die hij heeft aangewezen als medeverdachte [medeverdachte] . [medeverdachte] heeft tegen [getuige 2] gezegd dat hij was opgepakt en dat hij daarom geen vervoer meer had (pagina 202 van het dossier). De politie heeft opgemerkt dat uit de politiesystemen is gebleken dat medeverdachte [medeverdachte] op 19 mei 2021 na een achtervolging in Amersfoort onderuit is gegaan, waarna zijn snorfiets in beslag is genomen (pagina 202 en 203 van het dossier). Ten slotte verklaart [getuige 2] dat zijn vorige dealer zijn huidige dealer kende. Hij heeft gezien dat zij bij sportschool 'basic fit' nabij het Eemplein in Amersfoort stonden te praten nadat hij drugs van zijn huidige dealer kocht. Over de foto van verdachte [verdachte] verklaart hij dat dat zijn huidige dealer was. Gelet op de genoemde omstandigheden met betrekking tot de enkelvoudige fotoconfrontatie waarbij de getuigen verdachte hebben herkend als dealer, in onderlinge samenhang bezien met de overige aangehaalde bewijsmiddelen, is de rechtbank van oordeel dat geen aanleiding bestaat om aan de juistheid van de herkenning van verdachte door de getuigen te twijfelen. Daarom kan de uitkomst van de enkelvoudige fotoconfrontatie, anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, worden gebruikt als bewijs. De rechtbank is op basis van de hierboven genoemde bewijsmiddelen van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, te weten het dealen en het aanwezig hebben van cocaïne, heeft begaan. 5BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: 1op tijdstippen in de periode van 20 april 2021 t/m 17 december 2021 te Amersfoort, opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I; 2op 17 december 2021 te Amersfoort, opzettelijk aanwezig heeft gehad 3,48 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 6STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet de volgende strafbare feiten op: feit 1: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. 7STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 8OPLEGGING VAN STRAF 8.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 365 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 100 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. Daarnaast heeft de officier van justitie de oplegging gevorderd van een 38v-maatregel, inhoudende een contactverbod met de medeverdachte [medeverdachte] , te vervangen door vijf dagen hechtenis bij elke overtreding van de maatregel 8.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de jonge leeftijd van verdachte, met het feit dat hij first offender is en met de omstandigheid dat hij wil werken aan zijn gokverslaving en dat er daarna weer ruimte is voor een opleiding of baan. Primair heeft de raadsvrouw verzocht een straf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen. Subsidiair heeft zij verzocht een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan 2,5 maanden voorwaardelijk op te leggen, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. 8.3 Het oordeel van de rechtbank Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken. De ernst van de feiten Verdachte heeft gedurende acht maanden cocaïne gedeald. Daarnaast was verdachte ook in het bezit van cocaïne. De verkoop van harddrugs is doorgaans lucratief voor dealers, maar het gebruik ervan is zeer schadelijk voor de volksgezondheid. Verdachte heeft door zijn handelen dan ook niet alleen gekozen voor eigen financieel gewin op strafbare wijze, maar ook de gezondheid van de kopers in gevaar gebracht. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat verslaafden vaak vermogensdelicten plegen om in hun gebruik te kunnen voorzien. Verdachte heeft hieraan door zijn handelen indirect bijgedragen. Voor de negatieve gevolgen van zijn handelen heeft verdachte kennelijk geen oog gehad. De persoon van verdachte De rechtbank heeft kennis genomen van het uittreksel justitiële documentatie van verdachte van 28 februari 2022, waaruit blijkt dat verdachte in de afgelopen vijf jaren niet is veroordeeld voor een soortgelijk feit. Wel liep verdachte tijdens het plegen van de bewezen verklaarde feiten in een proeftijd van een eerder opgelegde straf. De rechtbank zal hiermee in strafverzwarende zin rekening houden. Ook heeft de rechtbank gekeken naar het reclasseringsrapport van 31 maart 2022, opgesteld door L.S.M. Bijkerk, reclasseringswerker. De reclassering adviseert bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht, meewerken aan verdiepingsdiagnostiek, ambulante behandeling, een contactverbod met de medeverdachte, een verbod op kansspelen, het beschikken over een dagbesteding en een locatiegebod met elektronische monitoring. De straf Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Hierin wordt voor het met enige regelmaat dealen van harddrugs vanuit een pand of op straat gedurende een periode van zes tot twaalf maanden een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden als uitgangspunt gegeven. Gelet op de ernst van de feiten is slechts een vrijheidsstraf passend. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van twaalf maanden een passende straf is. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte van vijf maanden daarvan voorwaardelijk zal worden opgelegd, om verdachte in de toekomst van strafbare gedragingen te weerhouden. De rechtbank zal daarbij de bijzondere voorwaarden opleggen die door de reclassering zijn geadviseerd, met uitzondering van het in het rapport als bijzondere voorwaarden genoemde contactverbod en locatieverbod. 9BESLAG 9.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie heeft gevorderd het geldbedrag verbeurd te verklaren en de drugs te onttrekken aan het verkeer. 9.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft verzocht het geldbedrag aan verdachte terug te geven. 9.3 Het oordeel van de rechtbank Verbeurdverklaring De rechtbank zal het in beslag genomen geldbedrag verbeurd verklaren. Het geld is geheel of grotendeels uit baten van de strafbare feiten verkregen. Onttrekking aan het verkeer De rechtbank zal de in beslag genomen drugs onttrekken aan het verkeer. De feiten zijn begaan met betrekking tot de drugs en deze zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. 10VORDERING TENUITVOERLEGGING Parketnummer 16/196609-20 Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 7 mei 2021 (parketnummer 16/196609-20) is aan verdachte onder meer een gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 85 dagen voorwaardelijk opgelegd. De officier van justitie heeft gevorderd de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen. De verdediging heeft verzocht de vordering af te wijzen. De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. De vordering is derhalve toewijsbaar. De rechtbank ziet geen aanleiding daarvan af te wijken. De rechtbank zal daarom de tenuitvoerlegging gelasten. 11TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33aen 57 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 10 en 13a van de Opiumwet; zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde. 12BESLISSING De rechtbank: Bewezenverklaring - verklaart het onder feit 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld; - verklaart het meer of anders ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Strafbaarheid - verklaart het onder feit 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld; - verklaart verdachte strafbaar; Oplegging straf - veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twaalf
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.