RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 21/4392 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 april 2022 in de zaak tussen [eiser] (eiser) en [eiseres] (eiseres), in hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarige [minderjarige] ( [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] , te [woonplaats] , eisers (gemachtigde: mr. M. Flipse), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [plaats] , verweerder (gemachtigden: G.J. Bosch, mr. B Wallage en mr. M. van Miltenburg). Procesverloop In het besluit van 12 april 2021 (primair besluit) heeft verweerder voor de periode van 1 januari 2021 tot en met1 april 2022 [minderjarige] op grond van de Jeugdwet (Jw) geïndiceerd voor diverse voorzieningen en in het kader daarvan een persoonsgebonden budget (pgb) afgegeven. Verweerder heeft de aanvraag voor een pgb voor 15 uur in de week voor Begeleiding Individueel door eiseres afgewezen. Verweerder heeft wel besloten om hiervoor een overgangsperiode van zes maanden te hanteren. In het besluit van 25 oktober 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 22 februari 2022 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen Inleiding 1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. [minderjarige] is 17 jaar oud en zij is bekend met een psychiatrische en een taalontwikkelingsstoornis. Eisers hebben op 23 december 2020 een aanvraag ingediend voor een pgb ten behoeve van [minderjarige] . Eisers hebben onder andere gevraagd om een indicatie voor 15 uur per week Begeleiding Individueel gegeven door eiseres. Standpunten partijen 2. Verweerder heeft de aanvraag voor een indicatie voor Begeleiding Individueel voor 15 uur per week in de vorm van een pgb gegeven door eiseres afgewezen. Verweerder heeft in dit kader overwogen dat op grond van de Verordening Jeugdhulp en Wmo gemeente [woonplaats] die geldt vanaf 1 januari 2021 (hierna: de Verordening) het niet meer mogelijk is om deze gevraagde zorg te indiceren, omdat deze zorg op eigen kracht kan worden geboden. Alleen als er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden kan deze zorg alsnog worden geïndiceerd, maar daar is in dit geval geen sprake van. Uit coulance heeft verweerder een afbouwperiode van zes maanden gehanteerd, omdat deze zorg voorheen wel werd geïndiceerd. 3. Eisers voeren aan dat de Verordening waaraan verweerder de aanvraag moet toetsen niet bepaalt dat er sprake moet zijn van een afbouw van het aantal uren pgb gelet op de wijzigingen. Verder blijkt uit de Verordening ook niet dat er geen pgb kan worden afgegeven. De beslissing is onvoldoende gemotiveerd. Uit het verslag van [school voor speciaal onderwijs] van 18 november 2021 blijkt waarom [minderjarige] de voorziening nodig heeft en waarom deze ook leidt tot een betere en effectievere ondersteuning. De zorg die [minderjarige] nodig heeft vraagt meer nabijheid vanuit een voor haar veilige ander, te weten haar moeder (eiseres). De voorziening zou daarom doelmatiger zijn als die wordt uitgevoerd door eiseres. De voorziening die wordt gevraagd voldoet aan de gestelde voorwaarden. Het aantal uren dat gevraagd wordt zal derhalve moeten worden toegekend. Eisers voeren verder aan dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht. Verweerder heeft nagelaten een gedegen belangenafweging te maken. Wettelijk kader 4. Artikel 2.3, eerste lid, van de Jw bepaalt dat indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp treft. Het college waarborgt een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld: a. gezond en veilig op te groeien; b. te groeien naar zelfstandigheid, en c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. Beoordeling door de rechtbank 5. Volgens vaste rechtspraak van de hoogste rechter in dit soort zaken, de Centrale Raad van Beroep (CRvB), volgt uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 2.3 van de Jeugdwet dat het bestuursorgaan voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over jeugdhulp van belang zijnde feiten en af te wegen belangen. De CRvB heeft daarvoor een stappenplan opgesteld. Wanneer een jeugdige of een ouder zich meldt met een vraag om jeugdhulp moet het college allereerst vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder is (stap 1). Vervolgens zal het college moeten vaststellen of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn (stap 2). Pas wanneer de problemen en stoornissen zijn vastgesteld, kan worden bepaald welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren (stap 3). Nadat de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht, moet worden onderzocht of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.