RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Lelystad Parketnummer: 16/262239-20 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 4 mei 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] geboren op [1960] te [geboorteplaats] , domicilie kiezende aan de [adres] , [woonplaats] , hierna te noemen: verdachte. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 april
- De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. H.M. Gorter en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. T.S.S. Overes, advocaat te Almere, alsmede de benadeelde partij [A] naar voren hebben gebracht. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt erop neer dat verdachte: primair: op 1 april 2018 in Lelystad tegen [A] een lasterlijke aanklacht heeft ingediend waardoor de eer of goede naam van die [A] is aangerand; subsidiair: op 1 april 2018 in Lelystad een valse aangifte heeft gedaan. 3VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4VRIJSPRAAK 4.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging De officier van justitie heeft gevorderd verdachte integraal vrij te spreken van de aan verdachte ten laste gelegde feiten. De raadsvrouw heeft eveneens integrale vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde feiten. 4.2 Het oordeel van de rechtbank Verdachte heeft op 1 april 2018 aangifte gedaan van bedreiging door [A] . Volgens verdachte heeft [A] die dag in de nabijheid van het hek bij de Oostvaardersplassen tegen hem gezegd: “ik ben jager, het wordt tijd dat ik jullie ook ga doodschieten” of woorden van gelijke bedreigende aard. [A] is op 27 november 2018 door de politierechter van deze verdenking vrijgesproken. De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte opzettelijk in strijd met de waarheid aangifte heeft gedaan van de vermeende bedreiging door [A] . Hiertoe wordt het volgende overwogen. Uit het feit dat [A] is vrijgesproken, kan worden afgeleid dat niet bewezen kan worden dat [A] de bedreiging heeft geuit. Echter, uit deze vrijspraak van [A] kan niet zonder meer worden afgeleid dat verdachte de bedreiging niet heeft gehoord en toch aangifte heeft gedaan. Daarvoor is aanvullend ondersteunend bewijs nodig. De getuigenverklaringen van de omstanders, die hebben verklaard de woorden niet te hebben gehoord, sluiten nog steeds niet uit dat verdachte de woorden wél heeft gehoord, of meende te horen. In geen van beide gevallen kan de voor zowel het primaire als subsidiaire tenlastegelegde vereiste opzet worden bewezen. Met andere woorden, nu op grond van het dossier niet uitgesloten kan worden dat verdachte de betreffende bedreigende woorden heeft gehoord, is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden dat verdachte opzettelijk een lasterlijke aanklacht jegens aangever dan wel een valse aangifte heeft gedaan. Verdachte dient dan ook vrijgesproken te worden van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde. 5BENADEELDE PARTIJ De heer [A] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en een schadevergoeding gevorderd van € 12.397,
- Dit bedrag bestaat uit € 2.397,00 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade, veroorzaakt ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde. 5.1 De standpunten van de officier van justitie en de verdediging De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering. De raadsvrouw heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering. 5.2 Het oordeel van de rechtbank De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering, omdat verdachte ten aanzien van de ten laste gelegde feiten waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken. Omdat de benadeelde partij in deze procedure aangemerkt moet worden als de in het ongelijk gestelde partij, zal hij in de proceskosten veroordeeld worden op de wijze die in de beslissing is vermeld. 6BESLISSING De rechtbank: Vrijspraak - verklaart het primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij; Benadeelde partij - verklaart de benadeelde partij [A] niet-ontvankelijk in de vordering; - veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten en begroot de kosten aan de zijde van verdachte op nihil. Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Loots, voorzitter, mr. A.W.M. van Hoof en mr. A.M.M.E. Doekes-Beijnes, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.B. Postma en mr. J.M. Tason Avila, griffiers, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 mei
- Mr. Doekes-Beijnes en mr. Tason Avilla zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage: de tenlastelegging Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat hij: op of omstreeks 1 april 2018 in Lelystad, althans in Nederland, opzettelijk tegen een persoon, te weten [A] (door verdachte [A] genoemd), bij de overheid een valse klacht of aangifte schriftelijk heeft ingeleverd of in schrift heeft doen brengen, door ten overstaan van een buitengewoon opsporingsambtenaar van de politie eenheid Midden-Nederland te verklaren dat verdachte bedreigd was door [A] en/of dat die [A] tegen hem, verdachte, heeft gezegd: "“Ik ben jager, het wordt tijd dat ik jullie ook ga doodschieten”, althans woorden van gelijke bedreigende aard en/of strekking, waardoor de eer of goede naam van die [A] is aangerand; subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden: op of omstreeks 1 april 2018 te Lelystad, althans in Nederland, aangifte heeft gedaan dat een strafbaar feit is gepleegd, door ten overstaan van een buitengewoon opsporingsambtenaar van de politie eenheid Midden-Nederland te verklaren dat verdachte bedreigd was door [A] en/of dat die [A] tegen hem, verdachte, heeft gezegd: “Ik ben jager, het wordt tijd dat ik jullie ook ga doodschieten”, althans woorden van gelijke bedreigende aard en/of strekking, wetende dat dat strafbare feit niet is gepleegd.