vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht handelskamer locatie Utrecht zaaknummer / rolnummer: C/16/531994 / KG ZA 21-692 Vonnis in kort geding van 26 januari 2022 in de zaak van [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres, hierna te noemen [eiseres] , advocaat mr. I.P. van Rossen, tegen de stichting [gedaagde] , gevestigd te [vestigingsplaats] , hierna te noemen het [gedaagde] , gedaagde, advocaat mr. M.L. Jinkes de Jong. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding van 27 december 2021 met vijf producties; aanvullende producties zes tot en met acht van [eiseres] ; de conclusie van antwoord met één productie; de mondelinge behandeling van 4 januari 2022 waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt; de pleitnota van [eiseres] ; de pleitnota van het [gedaagde] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2Waar gaat de zaak over? 2.1. [eiseres] , die al sedert 2010 bij de polikliniek reumatologie van het [gedaagde] bekend was, is op 21 februari 2019 door haar huisarts verwezen naar de reumatoloog van het [gedaagde] in verband met pijnklachten aan haar rechtervoet. Na haar bezoek aan de reumatoloog heeft [eiseres] herhaaldelijk de huisarts, de huisartsenpost en de dermatoloog bezocht vanwege de aanhoudende pijnklachten aan de rechtervoet. 2.2. Begin april 2019 is [eiseres] meerdere keren bij de spoedeisende hulp van het [gedaagde] geweest in verband met haar pijnklachten. Op 11 april 2019 is [eiseres] in het [gedaagde] (afdeling neurologie) opgenomen. Op 13 april 2019 is er een CTA (CT scan van arteriën) gemaakt. Op basis daarvan is de diagnose arteriële trombose gesteld en is er een behandeling gestart. De behandeling was niet succesvol, waardoor uiteindelijk het rechteronderbeen van [eiseres] op 16 april 2019 is geamputeerd. Voor een gedetailleerde weergave van het medisch beloop wordt verwezen naar het medisch dossier, dat onderdeel uitmaakt van de processtukken. 2.3. Het [gedaagde] heeft vervolgens onderzoek gedaan naar het incident van 16 april 2019 en heeft het incident als calamiteit gemeld bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. Van het onderzoek is op 29 augustus 2019 de ‘rapportage incidentenanalyse’ (hierna: de calamiteitenrapportage) verschenen. 2.4. In deze calamiteitenrapportage staat onder het kopje “Bevindingen en conclusies” onder meer het volgende citaat: Terugkijkend heeft de commissie het vermoeden dat men zich door de uitslagen van voor mw. [eiseres] . onvoldoende adequate onderzoeken heeft laten verleiden om een arteriële oorzaak van de klachten bij herhaling te verwerpen. Deze onderzoeken zijn aldus de extern deskundige niet adequaat om de oorzaak van het zogenaamde “blue toe syndrome” te kunnen vaststellen wat cruciaal was voor het verloop van het zorgproces van mw. [eiseres] . De commissie begrijpt in retrospect en met name na de interviews dat er niet direct ’s-nachts een CTA werd verricht toen eenmaal de diagnose “arterieel bedreigde voet” was gesteld. De commissie is echter van mening dat wanneer er sprake is van een dergelijke constatering er in principe te allen tijde acuut gehandeld dient te worden. Het is overigens voor de onderzoekscommissie zeer moeilijk in te schatten of het verloop en de uiteindelijke uitkomst van deze aandoening beïnvloed was indien het arterieel vaatlijden eerder was herkend en behandeld. Wel kan gesteld worden dat de hulpverlening voor mw. [eiseres] . gezien het aantal presentaties en de ernst daarvan vanuit het [gedaagde] te fragmentarisch is geweest en dat de patiënte onvoldoende door medisch specialisten is beoordeeld. (einde citaat). 2.5. Op 15 oktober 2019 heeft [eiseres] het [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden en nog te lijden schade als gevolg van onvoldoende adequaat handelen door het [gedaagde] . 2.6. De Raad van Bestuur van het [gedaagde] heeft in een brief van 4 november 2019 aan [eiseres] medegedeeld dat het [gedaagde] tot de conclusie is gekomen dat er vertraging is opgetreden in het stellen van de diagnose ‘blue toe syndrome’, maar dat nog niet duidelijk is of en in hoeverre het beloop anders was geweest als er geen vertraging was opgetreden. Een onderzoek naar de aansprakelijkheid zal dat nog moeten uitwijzen. Het [gedaagde] heeft uit coulance een bedrag van € 25.000,00 aan [eiseres] ter beschikking gesteld, uitdrukkelijk zonder erkenning van aansprakelijkheid. 2.7. De aansprakelijkheidsverzekeraar van het [gedaagde] (Centramed) heeft in een brief van 2 juli 2020 aan [eiseres] medegedeeld dat zij niet heeft kunnen vaststellen dat sprake is geweest van verwijtbaar onzorgvuldig handelen door (de zorgverleners van) het [gedaagde] en dat daarom de aansprakelijkheid wordt afgewezen. 2.8. Op 19 oktober 2021 heeft mr. R. Moszkowicz namens [eiseres] het [gedaagde] wederom aansprakelijk gesteld. Nadien is tussen partijen herhaaldelijk contact geweest en heeft Centramed voorgesteld om gezamenlijk een deskundige te benoemen om nader te onderzoeken of het [gedaagde] onzorgvuldig jegens [eiseres] heeft gehandeld. Partijen zijn hier onderling niet uitgekomen. 2.9. Het [gedaagde] heeft op 29 november 2021 bij de rechtbank Midden-Nederland een verzoekschrift ingediend met het verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht. Ten tijde van de mondelinge behandeling van dit kort geding was het verzoek nog niet inhoudelijk behandeld. 3Wat vordert [eiseres] ? 3.1. [eiseres] vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis dat het [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van een (aanvullend) voorschot van € 75.000,00, met veroordeling van het [gedaagde] is de proces- en nakosten. 3.2. [eiseres] heeft aan deze vordering primair ten grondslag gelegd dat het [gedaagde] ernstig toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de tussen hen bestaande zorgovereenkomst. Subsidiair heeft zij gesteld dat het [gedaagde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Op deze gronden is zij verplicht de door [eiseres] geleden materiële en immateriële schade te vergoeden. De onderbouwing van deze grondslagen is nader uitgewerkt in de dagvaarding. 4Wat is het verweer van het [gedaagde] ? 4.1. Het [gedaagde] heeft meerdere verweren gevoerd, waarop – voor zover deze relevant zijn – bij de beoordeling nader zal worden ingegaan. 5De beoordeling Spoedeisend belang 5.1. Het meest verstrekkende verweer van het [gedaagde] ziet op het ontbreken van spoedeisend belang bij de vordering van [eiseres] . Dit verweer faalt om de volgende redenen. De omstandigheid dat [eiseres] langere tijd heeft stilgezeten, is wel degelijk een factor die meeweegt maar kan als zodanig niet het oordeel rechtvaardigen dat zij geen spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening. Dit klemt temeer nu [eiseres] onweersproken heeft aangevoerd dat zij in de tussenliggende periode werd geconfronteerd met een andere ernstige lichamelijke ziekte (acute leukemie), die alle tijd, aandacht en energie heeft opgeëist. Niet in geschil is dat [eiseres] , die voorheen werkzaam was als tandartsassistente, op grond van het feit dat zij voor 80% tot 100% arbeidsongeschikt is verklaard door het UWV thans een WIA-uitkering heeft van € 1.131,31 bruto per maand. Daarnaast heeft [eiseres] voldoende aannemelijk gemaakt dat als gevolg van de beenamputatie een aantal voorzieningen dan wel aanpassingen noodzakelijk zijn (in haar woning
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.