vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht handelskamer locatie Utrecht zaaknummer / rolnummer: C/16/526089 / HA ZA 21-553 Vonnis van 20 april 2022 in de zaak van [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres in conventie, verweerster in reconventie, advocaat mr. M.F.H. van Delft te Leusden, tegen [gedaagde] , wonende te [woonplaats] , gedaagde in conventie, eiseres in reconventie, advocaat mr. R.J.G.J. van Warmerdam te Utrecht. Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden. 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het incidenteel vonnis van 26 januari 2022 de conclusie van antwoord in reconventie het proces-verbaal van plaatsopneming en aansluitende mondelinge behandeling, gehouden op 16 maart 2022. Voorafgaande aan de mondelinge behandeling hebben partijen over en weer nog stukken ingebracht waarnaar zij hebben verwezen in de spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd bij de mondelinge behandeling. 1.2. Bij de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat het partijen niet lukt in onderling overleg hun lang slepend conflict te beslechten. Daarom is bepaald dat de rechtbank vonnis zal wijzen op 4 mei 2022 of zoveel eerder als mogelijk zou zijn. De rechtbank heeft bepaald dat de uitspraak vandaag zal worden gedaan. 2De beoordeling 2.1. In het incidenteel vonnis heeft de rechtbank al uiteen gezet waar het in de hoofdzaak om gaat en heeft zij de vorderingen over en weer beschreven. De rechtbank verwijst daarvoor naar de punten 2 en 3 van het incidenteel vonnis en bouwt hierop voort. De rechtbank zal hierna uiteen zetten wat zij heeft afgeleid uit de stukken die over en weer zijn overgelegd en wat dat betekent voor de vorderingen die over en weer zijn ingesteld. De conclusie is dat de vorderingen over en weer zullen worden afgewezen omdat de rechtbank ervan uitgaat dat [gedaagde] gebruik kan maken van een erfdienstbaarheid van weg over de [straat] om te komen en te gaan naar de bebouwde kom van de gemeente [gemeente] . Wat volgt uit de stukken en hetgeen de rechtbank bij de descente heeft waargenomen 2.2. De percelen waarop de woningen van partijen staan, maakten vroeger onderdeel uit van boerderij “ [boerderij] ” (hierna: [boerderij] ) te [woonplaats] . Eigenaar van [boerderij] en aanpalende gronden (een landgoed van ongeveer 400 hectare) was mevrouw [A] . [A] verpachtte boerderij [boerderij] aan de broers [B] en [C] (de overleden echtgenoot van [gedaagde] ). [boerderij] lag aan en was bereikbaar vanaf de openbare weg en bebouwde kom van [woonplaats] via de toegangsweg de [straat] . Er is nooit een voor personen(voertuigen) geschikte ontsluiting geweest om de bebouwde kom van [woonplaats] en via de [straat] te bereiken. De erfdienstbaarheid die in meerdere transportaktes staat genoemd om te komen en te gaan naar de [straat] ziet op een karrespoor dat de ter plaatse gelegen weilanden met elkaar verbindt en dient om die weilanden voor landbouwkundige doeleinden te gebruiken. [A] en de familie [familie] die daar decennialang heeft geboerd, hebben dus altijd alleen maar de [straat] gebruikt en kunnen gebruiken om te gaan van en naar de bebouwde kom en de boerderij vanaf de bewoonde wereld te bereiken. 2.3. Op 19 december 1957 heeft broer [B] , destijds wonend aan de [adres] te [woonplaats] , van [A] een gedeelte van [boerderij] in eigendom gekregen. In de transportakte (hierna: de akte 1957) staat de verkregen eigendom als volgt omschreven (onderstrepingen rechtbank): “een perceel grond waarop door de koper reeds een “ uitneembare woning ” is geplaatst, liggende te [woonplaats] , nabij de [straat] uitmakende een ter plaatse afgebakend Noord-OOstelijk gedeelte, ter grootte van ongeveer dertien aren , van het kadastrale perceel Gemeente [gemeente] , sectie [sectie] , nr. [perceelnummer 1] ” (prod. 12 bij dagvaarding). Volgens de kadastrale gegevens die zijn overgelegd (prod. 13 bij dagvaarding) is de eigendom van [eiseres] , kadastraal bekend Gemeente [gemeente] , sectie [sectie] nummer [perceelnummer 2] (hierna: perceel [perceelnummer 2] ), afkomstig uit sectie [sectie] nummer [perceelnummer 1] . Voor de vraag wat het eigendomsrecht van [eiseres] precies inhoudt is dus bepalend wat is opgenomen in de akte 1957 omdat daarin het ontstaan van perceel [perceelnummer 2] is vastgelegd. In de akte 1957 is een erfdienstbaarheid opgenomen ten laste van perceel [perceelnummer 2] die bij alle leveringen van perceel [perceelnummer 2] is doorgezet. Die erfdienstbaarheid luidt: “dat op het lijdend erf niet anders mogen worden gebouwd dan opstallen welke zijn of kunnen worden beschouwd als bedrijfsgebouwen, ten dienste van het door eigenaar of pachter van het heersende erf uitgeoefend landbouw- of veeteeltbedrijf”. 2.4. De rechtbank leidt uit de akte 1957 af dat het de bedoeling was dat het aan [B] verkochte perceel [perceelnummer 2] ondergeschikt zou blijven aan de boerderij waar het van was afgesplitst. Bepaald is namelijk dat er alleen maar agrarische bedrijvigheid op mocht komen ten behoeve van [boerderij] . Dat sluit feitelijk de bouw van burgerwoningen uit. De rechtbank begrijpt dat [B] er al wel woonde in een verplaatsbare woning. Kennelijk was het niet de bedoeling van [A] dat die verplaatsbare woning blijvend als woning zou worden gebruikt. Anders is niet verklaarbaar waarom de voornoemde erfdienstbaarheid destijds is overeengekomen. 2.5. Dat maakt dat het niet logisch is dat met deze levering is beoogd het gedeelte van de toegangsweg tot [boerderij] , waarvan [eiseres] de eigendom zegt te hebben verkregen, in eigendom over te dragen aan [B] (hierna: [B] ). Dat zou namelijk hebben betekend dat [B] bevoegd zou worden te beschikken over de toegang tot [boerderij] en de (ver)pachter van [boerderij] afhankelijk zou worden van [B] en diens rechtsopvolgers voor wat betreft de bereikbaarheid van de boerderij. Een dergelijke redenering staat haaks op doel en strekking van de akte 1957, als gezegd: dat het perceel van [B] ondergeschikt zou zijn aan dat van de rest van [boerderij] en niet andersom. Bovendien kan ook uit bewoordingen van de akte 1957 niet worden opgemaakt dat het de bedoeling is geweest een deel van de [straat] over te dragen. In de akte 1957 staat namelijk dat het gaat om een perceel grond nabij de [straat], niet inclusief de [straat] . 2.6. Niet ter discussie staat dat het gedeelte van de [straat] ter hoogte van perceel [perceelnummer 2] volgens de kadastrale gegevens bij perceel [perceelnummer 2] hoort en dat perceel [perceelnummer 2] volgens de kadastrale gegevens een oppervlakte heeft van ongeveer vijftien are, dus ongeveer 2 are (200 m2) meer dan in de akte 1957 vermeld. Als uit de akte 1957 volgt dat het nooit de bedoeling is geweest van [A] om de eigendom van een gedeelte van de toegangsweg tot [boerderij] in eigendom over te dragen, is de vraag hoe dat gedeelte van de [straat] volgens de gegevens van het kadaster toch is gaan horen bij perceel [perceelnummer 2] . In deze vraag heeft mr. drs. [D] ( [adviesbureau] te [vestigingsplaats] , hierna: [D] )) zich verdiept in het kader van een hoger beroep dat loopt tegen de beslissing van de bewaarder van het kadaster en de openbare registers op een bezwaar dat [gedaagde] had ingediend tegen de beslissing tot afwijzing van een verzoek tot herstel van een fout in de registers. In zijn beroepschrift (overgelegd als productie voor de mondelinge behandeling), verwijst [D] naar “het plan voor een landbouwerswoning op een terrein a/d [straat] te [woonplaats] (prod. 2 bij cva). Daarop is te zien dat de weg los van het ingekleurde te bebouwen perceel staat ingetekend. [D] legt uit dat uit het veldwerk van het kadaster blijkt dat ten zuiden van de [straat] een slootje/greppel liep die het aan [B] geleverde perceel feitelijk scheidde van de [straat] . Partijen zijn het er ook over eens dat ter plaatse een sloot gelopen heeft. [D] heeft geconstateerd dat in 1961 abusievelijk alleen de Westelijke en Zuidelijke grens van perceel [perceelnummer 2] is ingetekend en door de bewaarder is geregistreerd (zie prod. 5 bij het beroep tegen de beslissing op bezwaar van bewaarder van het kadaster). Men heeft er daarbij geen rekening mee gehouden dat perceel [perceelnummer 2] aan de Noordzijde afgebakend was door de (inmiddels gedempte) sloot en dat het totale perceel ten Zuiden van de [straat] dertien are groot is. Zo kon het gebeuren dat abusievelijk de toegangsweg de [straat] op papier één geheel ging vormen met perceel [perceelnummer 2] . Hierdoor is volgens [D] ook een onjuiste perceelsgrootte (namelijk vijftien aren, zeventig centiare) geregistreerd. Het verschil tussen de 13 are die [B] van [A] geleverd heeft gekregen en de kadastraal geregistreerde oppervlakte van 15 are, 60 centiaren is namelijk precies de oppervlakte van de weg die is “bijgetekend”. 2.7. De rechtbank is van oordeel dat de bevindingen van [D] de enig logische verklaring zijn voor het feit dat in het kadaster iets anders geregistreerd staat dan wat uit de akte 1957 kan worden afgeleid. De enige andere verklaring zou namelijk kunnen zijn dat tussen 1957 en 1961 door [A] met [B] nadere afspraken zijn gemaakt op basis waarvan de eigendom van de [straat] aan [B] is overgedragen. Daarvoor zijn echter geen aanknopingspunten en dat is ook niet aannemelijk. De rechtbank gaat er dus van uit dat er in 1961 een fout is gemaakt bij de registratie van de eigendomsgrenzen die heeft geleid tot een verkeerde aanduiding van de oppervlakte van het perceel [perceelnummer 2] in alle leveringsaktes daarna, om te beginnen in de akte van 4 juni 1974 waarbij perceel [perceelnummer 2] door [B] werd overgedragen aan [E] . 2.8. Steun voor dit oordeel vindt de rechtbank in latere aktes. Zo is er de akte waarbij de eigendom van [boerderij] in 1976 werd geleverd aan [C] door de erfgenamen van [A] (prod. 6 bij cva, hierna: de akte 1976). Op het voorblad van de akte 1976 staat namelijk “Koopakte van boerderij en gronden [straat] met inbegrip van weg de [straat] sectie [sectie] gedeeltelijk” (hierna: perceel [perceelnummer 3] ). Het andere gedeelte van perceel [perceelnummer 3] , ging tegelijkertijd naar een andere broer van [C] , [F] , toentertijd wonende aan de [straat] te [woonplaats] . In de akte 1967 staat ook dat wordt geleverd “de boerderij met aangebouwde stallingen, grasland, weg en verder aanbehoren, staande en gelegen te [woonplaats] , [adres] en [woonplaats] , waaronder [sectie] nummer [perceelnummer 3] ”. Op de bijbehorende kaart staat de [straat] ingetekend los van perceel [perceelnummer 2] . Het perceel ten noorden van perceel [perceelnummer 2] was in 1976 perceel [perceelnummer 3] (dat blijkt uit de kadastrale kaart die aan de akte 1976 is gehecht). Het is dan ook duidelijk dat met de weg in akte 1976 de [straat] werd bedoeld. Perceel [perceelnummer 3] is later opgegaan in de percelen kadastraal bekend sectie [sectie] nrs [perceelnummer 4] en [perceelnummer 5] (prod. 13 bij dagvaarding). 2.9. De conclusie is dus dat [B] na verkeerde registratie van de eigendomsgrenzen door het kadaster in 1961 een perceel grond (namelijk de weg de [straat] nabij zijn perceel [perceelnummer 2] ) heeft overgedragen in 1974, waarvan hij nooit de eigendom had verkregen en waarover hij dus niet bevoegd was te beschikken. En wat betekent dit voor de rechtsverhouding van partijen? Komt [eiseres] bescherming toe op grond van artikel 3:26 BW? Nee 2.10. De rechtbank is van oordeel dat dit een zeldzaam geval is waarvoor artikel 3:26 BW is geschreven. Dat artikel luidt als volgt: Indien op het tijdstip waarop een rechtshandeling ter verkrijging van een recht op een registergoed onder bijzondere titel wordt ingeschreven, met betrekking tot dat registergoed een onjuist feit in de registers ingeschreven was, kan de onjuistheid van dit feit door hem die redelijkerwijze voor overeenstemming van de registers met de werkelijkheid had kunnen zorgdragen, aan de verkrijger niet worden tegengeworpen, tenzij deze de onjuistheid kende of door raadpleging van de registers de mogelijkheid daarvan had kunnen kennen. In de toelichting op dit artikel staat vermeld dat de verkrijger van een registergoed beschermd wordt tegen degene die redelijkerwijze voor correctie van het onjuiste feit had kunnen zorgen. 2.11. Dat betekent dat [eiseres] , als verkrijger van perceel [perceelnummer 2] beschermd wordt tegenover de werkelijk eigenaar (voorheen [C] ) als die eigenaar voordat [eiseres] de eigendom verkreeg redelijkerwijs had kunnen zorgen voor correctie. In de toelichting staat ook dat alleen sprake is van redelijkerwijs kunnen zorgen als: de werkelijk rechthebbende zelf de onjuiste inschrijving heeft veroorzaakt, terwijl hij de onjuistheid kende of behoorde te kennen of de rechthebbende, na kennis genomen te hebben van de onjuiste inschrijving, heeft nagelaten de inschrijving te doen doorhalen of rectificeren (VV II, Parl. Gesch. InvW 3, p. 1105). 2.12. Helder is dat in dit geval (de rechthebbenden van) [C] niet zelf de onjuiste inschrijving heeft (hebben) veroorzaakt. Uit de akte 1957 en 1976 volgt namelijk dat de [straat] niet aan [B] , maar aan [C] is geleverd. Pas geruime tijd nadat [eiseres] eigenaar van perceel [perceelnummer 2] is geworden, is voor (de rechtverkrijgenden van) [C] kenbaar geworden dat [eiseres] de eigendom claimde van de [straat] . Begrijpelijk is dat deze stellingname niet onmiddellijk tot een diepgaand onderzoek naar de juistheid/onjuistheid van dit standpunt heeft geleid en dat partijen over en weer in eerste instantie uit zijn gegaan van hun (eigen) gelijk. Naar mate de verhoudingen verder verstoord raakten is juridische hulp gezocht. Die hulp heeft er inmiddels toe geleid dat [gedaagde] doende is te trachten de fout die in het verleden is gemaakt gecorrigeerd te krijgen (zie het beroepschrift van [D] ). [eiseres] kan dus [gedaagde] niet tegenwerpen dat men heeft nagelaten de inschrijving te doen doorhalen of rectificeren. De rechtbank concludeert dan ook dat [eiseres] geen beroep op de bescherming van artikel 3:26 BW toekomt. Wat moet het oordeel dan zijn? [gedaagde] heeft het recht om te komen en te gaan over de [straat] naar de bebouwde kom van [gemeente] 2.13. Uit het voorgaande vloeit voort dat [B] niet bevoegd was over de [straat] te beschikken en dat hem dit bekend was of duidelijk had moeten zijn uit de akte 1957. Voor zover hij heeft beoogd in 1974 het gedeelte van de [straat] grenzend aan het noorden van het perceel [perceelnummer 2] , over te dragen aan [E] in 1974, moet hij worden geacht dit te kwader trouw te hebben gedaan. 2.14. De rechtsopvolger(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.