RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: UTR 22/1316 uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 mei 2022 in de zaak tussen [verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. W. Graafland), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere (het college), verweerder (gemachtigde: H. Smit). Procesverloop Met een besluit van 26 februari 2021 heeft het college verzoekster op straffe van dwangsommen gelast om een overkapping, een garage en een zorgwoning op het perceel [adres] in [plaats] te verwijderen en verwijderd te houden (de last onder dwangsom). Verzoekster heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het college heeft met het besluit van 9 februari 2022 (het bestreden besluit) het bezwaar van verzoekster gedeeltelijk gegrond verklaard en de last onder dwangsom gewijzigd. Verzoekster hoeft de mantelzorgwoning niet meer van het perceel te verwijderen, deze moet wel worden verplaatst. De lasten onder dwangsom voor de overkapping en de garage heeft het college met het bestreden besluit in stand gelaten. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. In antwoord op de vraag van de voorzieningenrechter, heeft het college op 29 maart 2022 toegezegd dat hij niet zal handhaven totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan in de beroepszaak. Vervolgens heeft verzoekster haar verzoek om een voorlopige voorziening te treffen ingetrokken met het verzoek het college te veroordelen in de proceskosten. De voorzieningenrechter heeft college met een brief van 11 april 2021 in de gelegenheid gesteld binnen twee weken te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het college heeft niet gereageerd. Overwegingen
- De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
- Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
- Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet de vraag of sprake is van ‘geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen’ in een voorlopige voorzieningenprocedure in de eerste plaats worden gerelateerd aan het specifieke doel van die procedure, te weten het voorkomen van onevenredig nadeel hangende – in dit geval – de beroepsprocedure. Het college komt dus ‘geheel of gedeeltelijk tegemoetgekomen’ als hij de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voorlopig opschort, dan wel de gevraagde voorlopige maatregel verricht, waardoor onevenredig nadeel wordt voorkomen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college met de toezegging van 29 maart 2022 tegemoet is gekomen aan het verzoek om voorlopige voorziening. Verzoekster heeft het verzoek om een voorlopige voorziening immers ingediend om te voorkomen dat zij voordat de rechtbank uitspraak heeft gedaan in haar beroepszaak de garage en overkapping moet verwijderen of van rechtswege de dwangsommen zouden verbeuren.
- De voorzieningenrechter wijst het verzoek om proceskostenveroordeling als kennelijk gegrond toe en veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekster. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 759,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 759,- met een wegingsfactor 1).
- De griffier betaalt het griffierecht aan verzoekster terug. Beslissing De voorzieningenrechter veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 759,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 mei
- griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Die wetsartikelen zijn op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter zonder zitting uitspraak doen. Artikel 8:75a van de Awb. Op grond van artikel 8:82, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb.