RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 22/838 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 mei 2022 in de zaak tussen [eiser] , te [plaats] , eiser, en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Huizen, verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar. Op 29 maart 2022 heeft verweerder alsnog een besluit genomen op de aanvraag/het bezwaar. Eiser verzoekt nu om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Verweerder heeft niet op dit verzoek gereageerd. Overwegingen
- De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
- Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Dat is wat eiser heeft gedaan. Inmiddels heeft verweerder wel een besluit genomen. Verweerder heeft dus gedaan wat eiser wilde en de rechtbank hoeft dit dan ook niet meer aan verweerder op te dragen. Omdat eiser het beroep niet heeft ingetrokken moet de rechtbank nog wel een beslissing nemen over het beroep.
- Het beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar is kennelijk niet-ontvankelijk. De rechtbank zal geen uitspraak doen over de vraag of eiser gelijk had met zijn beroep. Dit is om de volgende reden. Eiser wilde met zijn beroep bereiken dat verweerder zou beslissen op zijn aanvraag/bezwaar. Omdat verweerder heeft beslist, heeft het beroep van eiser geen zin meer. Het gaat daarbij om de beslissing van 29 maart 2022, waarbij verweerder alsnog een dwangsom heeft vastgesteld, waarmee de bezwaarprocedure is afgerond. Verweerder heeft het wettelijk vastgesteld maximumbedrag aan dwangsom toegekend. Eiser heeft daarom geen belang meer bij zijn oorspronkelijke beroep (geen procesbelang).
- Voor zover eiser beoogt een dwangsom te ontvangen omdat verweerder niet tijdig een dwangsombesluit heeft genomen, overweegt er geen dwangsommen in de zin van artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kunnen worden verbeurd door het bestuursorgaan als er niet tijdig een dwangsombesluit wordt genomen. Artikel 4:17 van de Awb ziet namelijk alleen op besluiten die moet worden genomen op een aanvraag of bezwaar (artikel 7:14 van de Awb). Een dwangsombesluit dient uit eigen beweging door het bestuursorgaan te worden genomen en een ingebrekestelling kan tevens niet worden aangemerkt als een aanvraag. Het beroep is ook in zoverre niet-ontvankelijk.
- Over de vergoeding van de proceskosten die eiser vraagt overweegt de rechtbank het volgende.
- De rechtbank kan een partij de proceskosten van de andere partij laten betalen (artikel 8:75 en 8:75a van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)).
- Alleen de kosten die gemaakt zijn door een professionele (juridische) hulpverlener kunnen worden vergoed. Omdat eiser geen advocaat of andere professionele juridische hulpverlener heeft, zijn er ook geen kosten die vergoed kunnen worden.
- Verweerder moet wel het griffierecht aan eiser betalen (artikel 8:41 van de Awb). Dit omdat verweerder pas na het instellen van beroep het besluit van 29 maart 2022 heeft genomen. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep niet-ontvankelijk; bepaalt dat verweerder het griffierecht dat eiser heeft betaald moet vergoeden. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. K.S. Smits, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 mei
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven. Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 16 april 2016, ECLI:NL:RVS:2014:1290