← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2022:1964

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: UTR 22/1401 uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 mei 2022 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. J.C. Walker), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (gemachtigde: Y. Huisman). Procesverloop Op 18 januari 2022 heeft het Uwv de beslagvrije voet van verzoeker vastgesteld op € 741,- per maand. Verzoeker heeft aan het Uwv gevraagd om de hoogte van zijn beslagvrije voet aan te passen. In het besluit van 4 februari 2022 (primaire besluit) heeft het Uwv bepaald dat de hoogte van de beslagvrije voet ongewijzigd blijft. Tegen het primaire besluit heeft verzoeker bezwaar ingediend. Ook heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Op 7 maart 2022 heeft het Uwv een nieuw besluit genomen waarin de beslagvrije voet opnieuw is vastgesteld op een bedrag van € 978,- per maand. Overwegingen Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen om op een zitting te verschijnen indien de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is. Verzoeker heeft in de brief van 13 april 2022 aan de voorzieningenrechter medegedeeld dat er geen sprake meer is van spoedeisend belang omdat het Uwv de beslagvrije voet heeft aangepast in het besluit van 7 maart

  1. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. De conclusie is dat er geen enkel spoedeisend belang is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. De voorzieningenrechter ziet in de gewijzigde besluitvorming in de bezwaarprocedure aanleiding om het verzoek om een proceskostenvergoeding toe te wijzen en het Uwv te veroordelen in de proceskosten van eiser. De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de voorzieningenrechter vast op € 759,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, met een waarde per punt van € 759.- en een wegingsfactor 1). Ook moet het Uwv het door verzoeker betaalde griffierecht aan hem vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;- draagt het Uwv op het betaalde griffierecht van € 50,- te vergoeden;- veroordeelt het Uwv tot betaling aan verzoeker van € 759,- aan proceskosten. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T.E.G. van Heukelom, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 mei
  2. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.