RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: UTR 22/1401 uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 mei 2022 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker (gemachtigde: mr. J.C. Walker), en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder (gemachtigde: Y. Huisman). Procesverloop Op 18 januari 2022 heeft het Uwv de beslagvrije voet van verzoeker vastgesteld op € 741,- per maand. Verzoeker heeft aan het Uwv gevraagd om de hoogte van zijn beslagvrije voet aan te passen. In het besluit van 4 februari 2022 (primaire besluit) heeft het Uwv bepaald dat de hoogte van de beslagvrije voet ongewijzigd blijft. Tegen het primaire besluit heeft verzoeker bezwaar ingediend. Ook heeft verzoeker de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Op 7 maart 2022 heeft het Uwv een nieuw besluit genomen waarin de beslagvrije voet opnieuw is vastgesteld op een bedrag van € 978,- per maand. Overwegingen Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen om op een zitting te verschijnen indien de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is. Verzoeker heeft in de brief van 13 april 2022 aan de voorzieningenrechter medegedeeld dat er geen sprake meer is van spoedeisend belang omdat het Uwv de beslagvrije voet heeft aangepast in het besluit van 7 maart
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.