← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2022:1986

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 21/4146-V uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 mei 2022 op het verzet tussen [opposante] , te [vestigingsplaats] , opposante, en het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Flevoland (het college), geopposeerde,(gemachtigde: mr. R.D. Reinders). Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Staatsbosbeheer, (gemachtigde: mr. M. van Egmond). Inleiding De Stichting heeft op 25 januari 2021 een brief (hierna: de brief) verstuurd aan het college en aan Provinciale Staten van de provincie Flevoland. In de brief verzoekt de Stichting aan het college en aan Provinciale Staten om politieke verantwoordelijkheid te nemen voor de heckrunderen. Eiseres verzoekt het college om er op toe te zien dat Staatsbosbeheer het beheer van de grote grazers uitvoert conform het door Provinciale Staten vastgesteld beleid (gebaseerd op het Advies Beleidskader Beheer Oostvaardersplassen (hierna: het Beleid van Provinciale Staten)) en dat Staatsbosbeheer met spoed gecontroleerd gaat bijvoeren. Op 24 maart 2021 heeft een vergadering van de commissie Ruimte, Natuur en Duurzaamheid plaatsgevonden, waarin de Stichting de brief heeft toegelicht. De Stichting heeft vervolgens beroep ingediend tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de brief. In de uitspraak van 9 december 2021 heeft de rechtbank overwogen dat de brief niet kan worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het betreft namelijk geen verzoek aan het college tot het nemen van een besluit in de zin van de Awb, maar een verzoek tot het verrichten van feitelijke handelingen, namelijk het uitvoeren van controles. Er kan daarom volgens de rechtbank gelet op artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb ook geen sprake zijn van een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit of een schriftelijke weigering tot het nemen van een besluit. Daardoor is artikel 8:1 van de Awb niet van toepassing en heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beroep. De Stichting heeft tegen deze uitspraak een verzetschrift ingediend, aangevuld op 30 maart 2022 en op 8 april

  1. De zitting heeft plaatsgevonden op 19 april
  2. Namens de stichting zijn verschenen [A] (voorzitter van de Stichting) en [B] (secretaris/penningmeester van de Stichting). Ook zijn verschenen [C] en mr. I. de Wit. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [D] en zijn gemachtigde. De gemachtigde van Staatsbosbeheer is ook verschenen. Overwegingen
  3. De rechtbank heeft de uitspraak van 9 december 2021 gedaan zonder dat zij een zitting heeft gehouden. Artikel 8:54 van de Awb biedt die mogelijkheid als over de uitkomst van de procedure in redelijkheid geen twijfel mogelijk is. Standpunten van de Stichting
  4. De Stichting voert aan dat de uitspraak van de rechtbank van 9 december 2021 niet juist is en dat de rechtbank zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard. Het college is volgens de Stichting verantwoordelijk voor de naleving van het Beleid van Provinciale Staten. Met de brief heeft de Stichting het college er op gewezen dat het Beleid van Provinciale Staten door Staatsbosbeheer niet wordt nageleefd en dat het managementplan 2020/2027 van Staatsbosbeheer dat ook laat zien. Het beroep ziet er op dat de rechtbank beoordeelt of het managementplan 2020/2027 van Staatsbosbeheer overeenkomt met het Beleid van Provinciale Staten. De Stichting stelt zich op het standpunt dat wel sprake is van een besluit in de zin van de Awb, namelijk een besluit in de zin van artikel 8:2, tweede lid, onder a, van de Awb. Daarnaast is het beroep volgens de Stichting ook gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit in de zin van artikel 8:55d van de Awb. Standpunten van het college
  5. Op de zitting heeft het college aangevoerd dat de brief geen aanvraag is om een besluit te nemen in de zin van de Awb. Het college stelt dat waar de Stichting om verzoekt, moet worden aangemerkt als een verzoek om feitelijk handelen of als een politieke oproep. Het college heeft de brief politiek opgepakt door de brief in de commissievergadering van 24 maart 2021 te bespreken en daarmee is volgens het college de kwestie afgedaan. Daarnaast heeft de Stichting ook geen ingebrekestelling gestuurd aan het college. Hierdoor zou een beroep tegen het niet tijdig beslissen volgens het college niet mogelijk zijn. Toetsingskader
  6. In deze verzetprocedure is de beoordeling van de rechtbank beperkt tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder de Stichting op een zitting te horen. De rechtbank moet dus beoordelen of door de argumenten van de Stichting twijfel ontstaat over die eerdere uitkomst. Zo nee, dan is het verzet ongegrond en blijft de eerdere uitspraak in stand. Zo ja, dan is het verzet gegrond en vervalt de eerdere uitspraak. Beoordeling van het geschil door de rechtbank
  7. Om beroep bij de rechtbank te kunnen instellen tegen het niet tijdig nemen van een besluit, moet het verzoek van de Stichting kunnen leiden tot het nemen van een besluit in de zin van de Awb door het college. De rechtbank is van oordeel dat dat niet het geval is en verwijst naar wat de rechtbank daarover in haar uitspraak van 9 december 2021 heeft overwogen. Waar de Stichting aan het college om heeft verzocht (het nemen van politieke verantwoordelijkheid voor de heckrunderen, het er op toezien dat Staatsbosbeheer het beheer van de grote grazers uitvoert conform het Beleid van Provinciale Staten en het met spoed gecontroleerd bijvoeren) is feitelijk handelen en een politieke oproep. Zowel het verzoek tot feitelijk handelen, als de politieke oproep zijn niet aan te merken als een verzoek tot het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
  8. De Stichting voert aan dat er wel sprake is van een besluit op grond van artikel 8:2, tweede lid aanhef en onder a, van de Awb. De rechtbank stelt vast dat in dat artikel is bepaald dat met een besluit wordt gelijkgesteld de schriftelijke beslissing, inhoudende de weigering van de goedkeuring van een besluit, inhoudende een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel of de intrekking of de vaststelling van de inwerkingtreding van een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel. De rechtbank oordeelt dat het verzoek in de brief hier niet onder valt, alleen al omdat het college daarop geen schriftelijke beslissing heeft genomen, zodat geen sprake kan zijn van een besluit in de zin van artikel 8:2, tweede lid, aanhef en onder a van de Awb. De rechtbank oordeelt dat het verzoek in de brief dus ook niet kan worden gelijkgesteld met een besluit.
  9. De rechtbank stelt vast dat het verzoek in de brief niet kan leiden tot het nemen van een besluit of een daarmee gelijk te stellen situatie. Daarom staat geen beroep bij de bestuursrechter open op grond van artikel 8:1 van de Awb. Dit betekent dat ook het indienen van een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit als bedoeld in artikel 6:2 van de Awb niet mogelijk is.
  10. Het is de rechtbank op de zitting duidelijk geworden dat de Stichting zich zorgen maakt om de heckrunderen in de Oostvaardersplassen. De Stichting heeft benadrukt dat zij wil dat de rechtbank beoordeelt of het college (en Staatsbosbeheer in het managementplan 2020/2027) handel(t)(en) conform het Beleid van Provinciale Staten. Aan die (inhoudelijke) beoordeling kan de rechtbank niet toekomen. Conclusie
  11. De rechtbank heeft in de uitspraak van 9 december 2021 terecht overwogen dat de rechtbank onbevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van 9 december 2021 in stand blijft.
  12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van M. Bos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 mei
  13. griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak kunt u niet in hoger beroep.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.