vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht handelskamer locatie Lelystad zaaknummer / rolnummer: C/16/515281 / HL ZA 21-13 Vonnis in hoofdzaak van 18 mei 2022 in de zaak van 1 [eiser sub 1] , wonende te [woonplaats] ,
(4)dwaling. Bij alle grondslagen staat voorop dat [eiser sub 1] de stelplicht en bewijslast draagt. Dat betekent dat hij voldoende gemotiveerd moet onderbouwen dat aan de vereisten voor de vier grondslagen is voldaan. Als dit niet lukt, dan worden zijn vorderingen afgewezen. Conclusie 4.2. De rechtbank is van oordeel dat [eiser sub 1] onvoldoende heeft onderbouwd dat aan de vereisten voor een geslaagd beroep op bedreiging, misbruik van omstandigheden, bedrog dan wel dwaling is voldaan. Dat betekent dat de Schuldbekentenis niet op die gronden vernietigd kan worden. Hierna wordt dit oordeel uitgelegd. Ad 1. Bedreiging 4.3. Bedreiging is aanwezig als iemand een ander beweegt tot een rechtshandeling (in dit geval het tekenen van de Schuldbekentenis) door deze persoon onrechtmatig met nadeel in persoon of goed te bedreigen. De bedreiging moet zodanig zijn, dat een redelijk oordelend mens daardoor kan worden beïnvloed (artikel 3:44 lid 2 BW). 4.4. [eiser sub 1] stelt dat [gedaagde] op 17 februari 2020 heeft gedreigd de grootste drugsdealer ten noorden van de Theems op [eiser sub 1] af te sturen als hij de Schuldbekentenis niet zou tekenen. Ter onderbouwing verwijst [eiser sub 1] naar de appwisseling tussen partijen op 19 februari 2020 waaruit hiervoor, in punt 2.9, is geciteerd. [gedaagde] betwist echter dat hij heeft gezegd een drugsdealer achter [eiser sub 1] aan te sturen als [eiser sub 1] niet zou tekenen. De standpunten van partijen hierover staan tegenover elkaar. 4.5. De verwijzing naar de appwisseling door [eiser sub 1] is onvoldoende om te oordelen dat [gedaagde] daadwerkelijk heeft gedreigd een drugsdealer op [eiser sub 1] af te sturen en dat [eiser sub 1] als gevolg daarvan de Schuldbekentenis heeft getekend. Dat [gedaagde] via Whatsapp niet ontkent een drugsdealer achter [eiser sub 1] aan te sturen, betekent niet dat hij [eiser sub 1] daadwerkelijk heeft bedreigd. Het proces-verbaal van de aangifte van bedreiging kan [eiser sub 1] ook niet helpen, omdat dit enkel een verklaring bevat van [eiser sub 1] terwijl [gedaagde] tot op heden niet is vervolgd. [gedaagde] heeft daarnaast terecht aangevoerd dat partijen voor en na het tekenen van de Schuldbekentenis regelmatig contact hadden en dat uit de appwisseling niet blijkt van een verstoorde verhouding tussen partijen. Ad 2, 3 en 4. Misbruik van omstandigheden, bedrog en dwaling 4.6. Omdat [gedaagde] aan zijn beroep op misbruik van omstandigheden, bedrog en dwaling (deels) dezelfde stellingen ten grondslag legt, worden deze gezamenlijk behandeld. 4.7. Van misbruik van omstandigheden is sprake als [gedaagde] wist of moest begrijpen dat [eiser sub 1] de Schuldbekentenis tekende door bijzondere omstandigheden - zoals noodtoestand, afhankelijkheid of onervarenheid - en hij het tekenen toch bevorderde terwijl hij wist of moest begrijpen dat hij [eiser sub 1] hiervan had moeten weerhouden (artikel 3:44 lid 4 BW). Bedrog is aanwezig als iemand een ander tot het verrichten van een rechtshandeling beweegt door opzettelijk een onjuiste mededeling te doen, opzettelijk iets relevants te verzwijgen of door een andere kunstgreep (artikel 3:44 lid 3 BW). Ten slotte is een overeenkomst vernietigbaar als deze onder invloed van dwaling, vanwege onjuiste informatie van de andere partij, tot stand is gekomen en de overeenkomst bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten (artikel 6:228 lid 1 sub a BW). 4.8. [eiser sub 1] heeft - bij zijn beroep op misbruik van omstandigheden, bedrog en dwaling - aangevoerd dat [gedaagde] hem in de waan heeft gebracht dat de Schuldbekentenis alleen voor fiscale doeleinden zou worden gebruikt en dat [eiser sub 1] daarom geen nadeel van de Schuldbekentenis zou ondervinden. [gedaagde] betwist dat hij heeft gezegd dat de Schuldbekentenis alleen voor fiscale redenen werd gebruikt. Hij verwijst naar de in punt 2.7 geciteerde e-mail van 28 januari 2020. De rechtbank is van oordeel dat uit deze e-mail, waarop [eiser sub 1] richting [gedaagde] niet heeft gereageerd, voldoende blijkt dat [gedaagde] gecompenseerd wilde worden voor zijn verliezen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser sub 1] bovendien verklaard dat hij, toen hij de Schuldbekentenis tekende, wel wist dat [gedaagde] een compensatie van hem verlangde. Aan de stelling van [eiser sub 1] dat hij vanwege de bedreiging niet in staat was om de informatie van [gedaagde] te controleren gaat de rechtbank, gezien het onder punt 4.5 overwogene, voorbij. 4.9. Ter onderbouwing van het beroep op misbruik van omstandigheden en dwaling verwijst [eiser sub 1] ook naar de tekst van de Schuldbekentenis. Deze zou onjuistheden bevatten. Er staat dat sprake is van bewaarneming terwijl het een overeenkomst van opdracht was en ook dat [eiser sub 1] een AFM registratie in onderpand zal geven terwijl dit niet kan. Op de zitting heeft [gedaagde] toegegeven dat inderdaad sprake was van een overeenkomst van opdracht. Dit kan [eiser sub 1] echter niet helpen, omdat hieruit niet volgt dat sprake is geweest van misbruik van omstandigheden dan wel dwaling. Gesteld noch gebleken is bovendien dat [eiser sub 1] , als er had gestaan dat sprake was van een overeenkomst van opdracht en/of de zinsnede over de AFM registratie was weggelaten, de Schuldbekentenis niet zou hebben getekend. 4.10. [eiser sub 1] stelt ten slotte dat sprake is van misbruik van omstandigheden, omdat hij gevoelig was voor druk, zich snel geïntimideerd voelde en ten tijde van het ondertekenen van de Schuldbekentenis in emotionele onbalans was. [eiser sub 1] stelt dat [gedaagde] hiervan wist. [gedaagde] betwist dat hij hiervan wist en stelt dat hij daar in ieder geval geen misbruik van heeft gemaakt. Nog daargelaten dat [eiser sub 1] zijn stellingen op geen enkele manier heeft onderbouwd, zijn de omstandigheden die hij aanvoert naar het oordeel van de rechtbank ook onvoldoende om tot de conclusie te komen dat sprake is van misbruik van omstandigheden door [gedaagde] . De redelijkheid en billijkheid 4.11. Als aanvullende grond heeft [eiser sub 1] nog een beroep gedaan op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. [gedaagde] zou op grond hiervan geen beroep mogen doen op de Schuldbekentenis, omdat [eiser sub 1] deze enkel heeft getekend vanwege de omstandigheid dat [gedaagde] deze nodig had voor fiscale doeleinden en de verliezen in goed overleg met [gedaagde] zijn geleden. Ook dit beroep slaagt niet. 4.12. Voor een geslaagd beroep is nodig dat de gevolgen van de overeenkomst voor één van de partijen onaanvaardbaar zijn naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Daarbij moet gekeken worden naar de aard en de verdere inhoud van de overeenkomst, de maatschappelijke positie en onderlinge verhouding van partijen, de wijze waarop het beding tot stand is gekomen en de mate waarin de wederpartij zich bewust is geweest van de strekking van het beding. Bij de toepassing hiervan moet de rechter de nodige terughoudendheid betrachten. 4.13. [eiser sub 1] heeft de schuldbekentenis getekend wetende wat de bedoeling van [gedaagde] hiermee was, namelijk compensatie voor de geleden verliezen en als bewijs voor de belastingdienst. [eiser sub 1] heeft dit niet onder dreiging of een verkeerde voorstelling van zaken gedaan en evenmin is komen vast te staan dat sprake was van een zodanig ongelijke positie van partijen dat [eiser sub 1] niets anders kon dan tekenen. Het is dan ook niet onaanvaardbaar dat [gedaagde] [eiser sub 1] vervolgens houdt aan de Schuldbekentenis. Dat de Schuldbekentenis een verkeerde kwalificatie van de overeenkomst tussen [eiser sub 1] en [gedaagde] vermeldt, maakt dit niet anders. Ook de stelling dat de geleden verliezen in goed overleg met [gedaagde] zijn geleden maakt een beroep op de Schuldbekentenis niet onaanvaardbaar, nog daargelaten dat dit niet is komen vast te staan. Integendeel: uit de overgelegde Whatsapp berichten, zoals hiervoor onder punt 2.3 geciteerd, blijkt dat [gedaagde] niet betrokken was bij (alle) handelsopdrachten en dat hij geschrokken is van het verlies. De overige stellingen van [eiser sub 1] 4.14. voert nog een aantal omstandigheden aan, op grond waarvan hij vindt dat hij niet gehouden kan worden aan de Schuldbekentenis. Deze omstandigheden spelen zowel in conventie als in reconventie een rol, maar leiden er naar het oordeel van de rechtbank niet toe dat [gedaagde] geen beroep mag doen op de Schuldbekentenis. 4.15. De eerste stelling van [eiser sub 1] is dat een goedschrift - zoals bedoeld in artikel 158 Rv - ontbreekt. Dit leidt er echter alleen toe dat de Schuldbekentenis tussen partijen geen dwingend bewijs oplevert van de waarheid van die verklaring. De Schuldbekentenis heeft echter wel vrije bewijskracht en kan dus dienen tot bewijs van de stellingen [gedaagde] . 4.16. Ten tweede kan de stelling dat de BTC niet aan [eiser sub 1] (maar aan [A] ) zijn overgedragen en hij ze daarom ook niet kan teruggeven, [eiser sub 1] niet helpen. Vast staat dat [eiser sub 1] toegang had tot het account waarop de BTC waren gestort en dat hij hiermee kon handelen, zodat [eiser sub 1] wel degelijk de beschikking had over de BTC en in staat moet zijn geweest (al dan niet samen met [A] ) deze terug te geven aan [gedaagde] . Of [A] en [eiser sub 1] samen toestemming moeten geven tot handelingen op het account of dat [A] [eiser sub 1] nu de toegang tot het account heeft ontzegd, is iets in de verhouding tussen [A] en [eiser sub 1] . Daar staat [gedaagde] buiten. Het is daarbij [eiser sub 1] die de Schuldbekentenis heeft getekend waarin hij zich heeft verbonden de 10,7 BTC terug te geven. Zonder extra toelichting valt daarom ook niet in te zien waarom [eiser sub 1] de BTC niet meer terug kon of kan geven aan [gedaagde] . 4.17. Ten derde is niet komen vast te staan dat [eiser sub 1] iedere beslissing op initiatief van of na overleg met [gedaagde] nam. Het had op de weg van [eiser sub 1] gelegen om uit te leggen welke transacties hij precies met de BTC heeft verricht waarvoor hij opdracht van [gedaagde] heeft gekregen. Partijen hebben veelvuldig contact gehad via Whatsapp dus het ligt voor de hand dat de gestelde opdrachten onder andere daarin werden gegeven. De Whatsapp berichten die in het geding zijn gebracht zijn in ieder geval onvoldoende om tot deze conclusie te komen. Bovendien valt ook niet in te zien waarom [gedaagde] [eiser sub 1] - in het geval zijn stelling juist is - niet aan de Schuldbekentenis zou mogen houden. [eiser sub 1] heeft deze uit vrije wil ondertekend en wist wat de bedoeling van [gedaagde] daarmee was. De verklaringen voor recht dat (
- a)[gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de (nog te lijden) schade en (
- b)dat [eiser sub 1] geen BTC verschuldigd is 4.18. De gevorderde verklaringen voor recht gaan uit van de vernietiging of het niet kunnen inroepen van de Schuldbekentenis door [gedaagde] . Nu deze stellingen niet slagen, worden de verklaringen voor recht afgewezen. De verklaring voor recht dat sprake is van een overeenkomst tot het beheren en verhandelen van de door [gedaagde] beschikbaar gestelde 20,59964 BTC 4.19. Omdat [gedaagde] op de mondelinge behandeling heeft erkend dat er een overeenkomst van opdracht is aangegaan, zijn partijen het hierover eens. De gevorderde verklaring voor recht wordt daarom wegens gebrek aan belang afgewezen. De vordering namens [eiseres sub 2] 4.20. Partijen zijn het ten slotte eens dat [eiseres sub 2] geen partij is bij het geschil. Op de mondelinge behandeling heeft [eiser sub 1] verklaard dat [eiseres sub 2] enkel is meegenomen in de procedure, omdat het faillissementsrequest ook tegen haar was gericht. [eiseres sub 2] zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vorderingen. De proceskosten in conventie 4.21. Omdat [eiser sub 1] in het ongelijk wordt gesteld en [eiseres sub 2] niet-ontvankelijk wordt verklaard, moeten zij de proceskosten van [gedaagde] in conventie vergoeden. Deze kosten worden begroot op € 304,00 voor het griffierecht en € 1.407,50 (2,5 punten van het liquidatietarief II) voor het salaris advocaat. De proceskosten zijn in totaal € 1.711,50. De vordering in reconventie 4.22. De Schuldbekentenis wordt gelet op het voorgaande niet vernietigd, zodat aan de voorwaarde voor de reconventionele vordering van [gedaagde] is voldaan. [gedaagde] vordert de betaling van 10,7 BTC althans van het euro equivalent daarvan. 4.23. Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] desgevraagd toegelicht dat alleen de Schuldbekentenis - en niet een tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen of onrechtmatig handelen - de grondslag is voor de reconventionele vordering. 4.24. De verweren die [eiser sub 1] hiertegen heeft aangevoerd, hangen samen met de stellingen die hiervoor bij de vorderingen in conventie zijn besproken. Deze stellingen hebben in conventie niet geleid tot de conclusie dat [gedaagde] geen beroep mag doen op de Schuldbekentenis en die conclusie is in reconventie niet anders. Daarnaast heeft [eiser sub 1] nog aangevoerd dat [gedaagde] er niet op mocht vertrouwen dat [eiser sub 1] de wil had om daadwerkelijk te erkennen dat hij een schuld aan [gedaagde] had, omdat de Schuldbekentenis onder druk is getekend en omdat [eiser sub 1] dacht dat de Schuldbekentenis enkel voor fiscale doeleinden zou worden gebruikt en [gedaagde] dat wist. Uit niets blijkt dat [eiser sub 1] de Schuldbekentenis onder druk heeft getekend. Daarnaast wist [eiser sub 1] dat [gedaagde] compensatie wilde ontvangen. Van het ontbreken van de wil om schuld te bekennen is dan ook geen sprake. 4.25. Dit betekent dat de vordering tot betaling van 10,7 BTC zal worden toegewezen. Dat [gedaagde] geen ingebrekestelling heeft verstuurd, leidt niet tot een ander oordeel omdat voor de vordering tot nakoming geen ingebrekestelling vereist is. 4.26. [gedaagde] heeft ook het euro equivalent van de 10,7 BTC van [eiser sub 1] gevorderd. Tegelijkertijd heeft [gedaagde] gesteld dat de Schuldbekentenis enkel de betaling van 10,7 BTC - en niet een geldsom - inhoudt. Op basis van de (nakoming van
- de)Schuldbekentenis kan deze vordering dus niet worden toegewezen. De wettelijke rente 4.27. [gedaagde] heeft wettelijke rente gevorderd over de 10,7 BTC of het euro equivalent daarvan. Deze vordering zal worden afgewezen. Wettelijke rente is de schade die verschuldigd is over de vertraging in de voldoening van een geldsom (artikel 6:119 BW). BTC zijn geen geldsom en hiervoor is geoordeeld dat het euro equivalent van de BTC niet wordt toegewezen, zodat er geen recht op vergoeding van de wettelijke rente bestaat. De proceskosten in reconventie 4.28. Omdat [gedaagde] in reconventie (grotendeels) gelijk krijgt, moet [eiser sub 1] zijn proceskosten in reconventie vergoeden. De vordering in reconventie hangt samen met de vordering in conventie, zodat de helft van het aantal punten van het liquidatietarief wordt toegekend. Dat betekent dat de proceskosten van [gedaagde] worden begroot op € 563,00 (1 punt van het liquidatietarief II) voor het salaris advocaat. [gedaagde] heeft in het petitum in reconventie ook een veroordeling van [eiseres sub 2] in de proceskosten gevraagd. Omdat de reconventie zich enkel tegen [eiser sub 1] richt zal deze vordering worden afgewezen. In conventie en in reconventie: afwijzing integrale proceskostenveroordeling 4.29. In zijn conclusie van antwoord heeft [gedaagde] nog gesteld dat hij een integrale proceskostenveroordeling wil ontvangen. Hij voert aan dat [eiser sub 1] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. De rechtbank begrijpt dat [gedaagde] dit vindt omdat [eiser sub 1] vernietiging van de Schuldbekentenis vraagt op onterechte gronden en omdat [eiser sub 1] pas na lange tijd - na meerdere gesprekken tussen partijen en na de aanvraag van het faillissement van [eiser sub 1] - aangifte heeft gedaan van bedreiging. 4.30. Deze omstandigheden zijn echter geen reden tot vergoeding van de daadwerkelijke proceskosten van [gedaagde] . De rechtbank volgt als hoofdregel het beleid in de richtlijn Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven. Een uitzondering op dit beleid is onder andere mogelijk bij misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure. Hiervan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid daarvan, in verband met de betrokken belangen van de andere partij achterwege had moeten blijven. Dit kan het geval zijn als aan de vordering feiten en omstandigheden ten grondslag worden gelegd waarvan [eiser sub 1] weet of hoorde te weten dat deze onjuist zijn en op voorhand moest begrijpen dat de stellingen geen kans van slagen hadden. Daarvan is niet snel sprake, ook omdat de toegang tot de rechter gewaarborgd moet blijven. 4.31. In dit geval maakt [eiser sub 1] geen misbruik van het procesrecht en handelt hij niet onrechtmatig door een procedure te starten. [eiser sub 1] heeft de bevoegdheid zijn vordering aan de rechtbank voor te leggen. Dat bepaalde argumenten niet worden geaccepteerd of dat hij wellicht lang heeft gewacht met het doen van aangifte, betekent niet dat de vordering niet ingesteld had mogen worden. Voor een integrale proceskostenveroordeling is in dit geval daarom geen reden. 5De beslissing De rechtbank In conventie 5.1. verklaart [eiser sub 1] niet-ontvankelijk in haar vorderingen, 5.2. wijst de vorderingen van [eiser sub 1] af, 5.3. veroordeelt [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] in de proceskosten in conventie, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.711,50, 5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling in conventie uitvoerbaar bij voorraad, In reconventie 5.5. veroordeelt [eiser sub 1] om aan [gedaagde] 10,7 BTC te betalen, 5.6. veroordeelt [eiser sub 1] in de proceskosten van de hoofdzaak in reconventie, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 563,00. 5.7. verklaart dit vonnis in reconventie uitvoerbaar bij voorraad, 5.8. wijst het meer of anders gevorderde af. Dit vonnis is gewezen door mr. C.P. Lunter en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2022. type: coll: