← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2022:2353

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: UTR 22/797 uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 mei 2022 in de zaak tussen [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker Procesverloop Verzoeker heeft op 24 februari 2022 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. Een verzoek om een voorlopige voorziening moet aan een aantal voorwaarden voldoen, voordat het inhoudelijk behandeld kan worden. Het moet duidelijk zijn waarover het verzoek precies gaat en daarom moet de indiener van het verzoek (een kopie van) het besluit van het bestuursorgaan overleggen waarmee hij het niet eens is. Hij kan dit besluit ook omschrijven. Verder moet hij ook het bezwaar- of beroepschrift overleggen dat hij bij het bestuursorgaan heeft ingediend en argumenten aanvoeren waarop zijn verzoek om een voorlopige voorziening is gebaseerd. Dit volgt uit de wet.

  1. Verzoeker heeft om een voorlopige voorziening gevraagd. Hij heeft bij zijn verzoek geen besluit overgelegd en ook geen geldig kenmerk van een besluit opgegeven. Verzoeker heeft gezegd dat zijn besluit zich richt tegen een brief van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 30 januari 2022, maar het is onduidelijk waarover die brief gaat.
  2. In een brief van 25 februari 2022 heeft de griffier verzocht om een kopie van deze brief. Hierop heeft verzoeker niet gereageerd.
  3. Bij brief van 20 april 2022 heeft de griffier verzoeker een termijn van twee weken gegeven om de gevraagde informatie alsnog te verstrekken. Verzoeker heeft ook op die brief niet gereageerd.
  4. Omdat verzoeker – ondanks dat het hem twee keer is gevraagd - niet binnen de termijn een kopie van het besluit heeft overgelegd, zal de voorzieningenrechter zijn verzoek op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren. Dit betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet verder inhoudelijk zal behandelen en dat de procedure is geëindigd.
  5. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende. In de brief van 25 februari 2022 heeft de griffier al opgemerkt dat de woonplaats van verzoeker niet in het arrondissement van de rechtbank Midden-Nederland ligt. Dit zou tot gevolg kunnen hebben dat niet deze rechtbank, maar een rechtbank uit een ander arrondissement bevoegd is. De voorzieningenrechter kan dat echter niet vaststellen, omdat een besluit ontbreekt. Er is daarom voor nu voor gekozen om de bevoegdheid van de rechtbank Midden-Nederland aan te nemen, en het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren vanwege het ontbreken van een besluit.
  6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E.C. Bakker, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 25 mei
  7. griffier voorzieningenrechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. Artikel 8:81, vierde lid, van de Awb, in samenhang met artikel 6:5, eerste en tweede lid, van de Awb.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.