RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 21/2888 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 januari 2022 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser (gemachtigde: mr. J.A. van Ham) en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal, verweerder (gemachtigde: mr. G. Bozkurt). Procesverloop Bij besluit van 4 december 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aflossingscapaciteit van eiser en zijn echtgenote vastgesteld op € 90,77 per maand. Bij besluit van 16 juni 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2022 via Skype. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen Inleiding
- Eiser en zijn echtgenote ontvingen een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden. Bij brief van 28 mei 2019 hebben zij gevraagd deze uitkering te beëindigen met ingang van 1 juni
- Bij besluit van 6 juni 2019 heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser en zijn echtgenote ingetrokken over de periode van 9 januari 2019 tot en met 30 april
- Met hetzelfde besluit heeft verweerder het bedrag dat zij teveel hebben ontvangen, € 3.559,26, teruggevorderd vanwege schending van de inlichtingenplicht.
- Bij besluit op bezwaar van 12 december 2019 heeft verweerder het primaire besluit herzien en de terugvorderingsperiode vastgesteld op 4 februari 2019 tot en met 30 april
- Het terugvorderingsbedrag heeft verweerder vastgesteld op € 2.794,
- Dit bedrag staat in rechte vast, omdat eiser geen beroep heeft ingediend tegen dit besluit.
- Ten tijde van de besluitvorming van verweerder ontvingen eiser en zijn echtgenote een uitkering in het kader van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandige ondernemers (Tozo).
- Met het bestreden besluit heeft verweerder bepaald dat maandelijks een bedrag van € 90,77 wordt ingehouden op de Tozo- uitkering van eiser en zijn echtgenote om in mindering te brengen op het terug te betalen bedrag. Verweerder heeft de aflossingscapaciteit berekend op basis van de Tozo-uitkering, die in het geval van eiser hetzelfde bedraagt als de bijstandsnorm voor gehuwden, destijds € 1.512,
- Eiser is het niet eens met de beslissing van verweerder. Hij voert aan hij onvoldoende middelen heeft om de schuld te betalen. Hij heeft schulden bij leveranciers en bij de Belastingdienst. Ook gaat zijn dochter binnenkort een opleiding volgen en moet hij voor haar zorgen. Als hij de schuld van € 2.794,26 moet betalen, dan kan hij dat alleen in heel veel termijnen doen. Oordeel rechtbank
- Omdat de schuld van € 2.794,26 in rechte vaststaat, kan de rechtbank alleen een oordeel geven over het maandelijks in te houden bedrag, op de Tozo-uitkering van eiser en zijn echtgenote en eventueel binnenkort op een door eiser aangevraagde Bbz-uitkering.
- De rechtbank overweegt dat op 1 januari 2021 de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet in werking is getreden. Met deze wet is de beslagvrije voet voor schuldenaren met een inkomen op of onder bijstandsniveau verhoogd van 90% naar 95% van het netto-inkomen inclusief vakantietoeslag.
- De rechtbank constateert dat verweerder bij de vaststelling van de aflossingscapaciteit rekening heeft gehouden met de in acht te nemen beslagvrije voet. Eiser heeft niet aangevoerd dat verweerder de beslagvrije voet niet in acht heeft genomen. Verder heeft hij zijn stelling dat hij andere schulden heeft niet nader onderbouwd. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat verweerder het in te houden bedrag onjuist heeft vastgesteld op € 90,77 per maand.
- Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt dus geen gelijk.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Gena, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 januari
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Van 8 maart 2017 (Stb. 2017, 110).