RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Locatie Utrecht Parketnummers: 16/659121-19; 16/659028-20; 16/659031-20; 16/659035-20 (gev. ttz) (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 5 juli 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1985] te [geboorteplaats] , thans gedetineerd in de PI [locatie] te [plaats] . 1INLEIDING 1.1 De loop van het onderzoek Op 7 juli 2017 is [slachtoffer 1] van het leven beroofd bij het station van [plaats] (deelonderzoek Breuk). De politie kwam al snel op het spoor van twee verdachten, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] werd in oktober 2017 aangehouden in Spanje, [medeverdachte 2] in Nederland. [medeverdachte 1] heeft als verdachte vrijwel direct een bekennende verklaring afgelegd. Vervolgens werd duidelijk dat hij in staat en bereid was om meer te verklaren over mededaders en opdrachtgevers in het onderzoek Breuk, maar ook over andere ernstige strafbare feiten. Hij heeft diverse kluisverklaringen afgelegd en uiteindelijk is met hem in november 2018 een zogenoemde kroongetuige-overeenkomst gesloten. Zijn verklaringen hebben nieuwe aanknopingspunten gegeven voor liquidatie-onderzoeken die waren vastgelopen en er is zicht gekregen op een groep personen die zich bezig leek te houden met het plegen van liquidaties en feiten die daarmee verband houden. Op 21 november 2018 is een landelijke klapdag gehouden, waarop vele aanhoudingen zijn verricht en een zeer groot aantal gegevensdragers in beslag is genomen. Het onderzoek naar deze criminele organisatie en de feiten die in dat kader zijn gepleegd heeft de naam Eris gekregen. In dat onderzoek doet de rechtbank vandaag uitspraak. 1.2 Het onderzoek ter terechtzitting Dit vonnis wordt op tegenspraak gewezen. Na diverse voorbereidende zittingen is op 30 augustus 2021 de inhoudelijke behandeling begonnen en zijn in totaal 51 zittingsdagen gevolgd, zoals in bijlage 1 opgenomen. Gedurende die dagen is de kroongetuige op zitting gehoord en zijn de deelonderzoeken en vorderingen van de benadeelde partijen behandeld. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officieren van justitie in het onderzoek Eris en van hetgeen [verdachte] en zijn raadslieden, mrs. J.B. van Faassen en N.C.J. Meijering, advocaten te [plaats] naar voren hebben gebracht. Tevens heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen de benadeelde partijen naar voren hebben gebracht. Dit betrof de volgende personen: [benadeelde 1] , bijgestaan door mr. F.A. ten Berge; [benadeelde 2] , bijgestaan door mr. F.A. ten Berge; [benadeelde 3] ; [benadeelde 4] ; [benadeelde 5] , bijgestaan door mr. W. van Egmond. Tot slot heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen [slachtoffer 2] , bijgestaan door mr. S. Schuurman, in zijn slachtofferverklaring naar voren heeft gebracht. 1.3 Het onderzoek Eris Het onderzoek Eris heeft betrekking op 21 verdachten, die ervan worden beschuldigd al dan niet in wisselende samenstelling betrokken te zijn geweest bij één of meer liquidaties, pogingen daartoe of voorbereiding daarvan. De zaken van twee van deze verdachten, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] , die alleen verdachte zijn in het deelonderzoek Charon, zijn afgesplitst en worden door een andere meervoudige kamer van deze rechtbank behandeld (Charon 2). Zeventien verdachten worden beschuldigd van het vormen van een criminele organisatie gericht op liquidaties, voorbereidingen daartoe en wapendelicten. Daarnaast worden enkele verdachten beschuldigd van andere strafbare feiten. In dit vonnis zijn de overwegingen en beslissingen van de rechtbank opgenomen die in de strafzaak tegen de hierboven genoemde verdachte zijn gegeven. De rechtbank wijst vandaag ook vonnis in de zaken van de andere achttien medeverdachten die gelijktijdig terecht hebben gestaan. Het procesdossier Eris bestaat uit een groot aantal deelonderzoeken, die ook onderling met elkaar verweven zijn, al is het maar door de daarop gebaseerde verdenking van deelname aan de criminele organisatie. Deze verwevenheid maakt dat de rechtbank niet alleen op de verweren van de betreffende verdachte in zal gaan, maar ook, waar nodig, hetgeen is aangevoerd in andere zaken in haar oordeel zal betrekken. Voor de leesbaarheid van het vonnis zal de rechtbank in plaats van de termen verdachte en getuige de namen gebruiken: [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [verdachte] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 11] , [medeverdachte 12] , [medeverdachte 13] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 14] , [medeverdachte 15] , [medeverdachte 16] , [medeverdachte 17] , [medeverdachte 18] , [medeverdachte 19] en [medeverdachte 20] . De rechtbank gebruikt een voorletter in die gevallen waarin meerdere personen in het dossier dezelfde achternaam hebben. Waar de rechtbank de naam ‘ [naam 1] ’ noemt gaat het in alle gevallen om [medeverdachte 1] , zijn vader wordt steeds aangeduid als [A] . Er zijn sterke aanwijzingen voor de betrokkenheid van [B] (verder: [B] ) in een groot aantal deelonderzoeken in Eris. De officier van justitie heeft toegelicht dat [B] ook daadwerkelijk als verdachte wordt beschouwd: hij zou kort gezegd de persoon zijn die aan de organisatie van [medeverdachte 5] opdrachten tot liquidaties gaf. Meer in het bijzonder zou zijn gebleken dat [medeverdachte 5] communiceerde met een persoon dan wel personen met onder andere de volgende gebruikersnamen: ‘ [PGP gebruikersnaam B 1] ’; ‘ [PGP gebruikersnaam B 2] ’; ‘ [PGP gebruikersnaam B 3] ’; ‘ [PGP gebruikersnaam B 4] ’. In het dossier van het onderzoek Eris wordt daartoe verwezen naar conclusies waarop de politie baseert dat achter deze PGP-namen de persoon van [B] schuil gaat. De onderliggende onderzoeksbevindingen zijn blijkbaar deels afkomstig uit het onderzoek in de strafzaak Marengo, maar die zijn grotendeels niet gevoegd in het dossier Eris. Ook in Eris zijn sterke aanwijzingen dat [B] als opdrachtgever van [medeverdachte 5] betrokken is. [medeverdachte 1] heeft dit immers met zoveel woorden verklaard, terwijl ook ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 6] ’ aan ‘ [PGP gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] ’ laat weten dat de berichten die hij af en toe doorstuurt (van ‘ [PGP gebruikersnaam B 3] ’) van [B] zijn. Omdat [B] in het megaproces Marengo wordt vervolgd, heeft het Openbaar Ministerie ervoor gekozen om hem niet ook in het Eris-proces te dagvaarden. Dit heeft tot gevolg dat [B] zich in dit proces niet heeft kunnen verweren en de rechtbank hem ook niet kan confronteren met aanwijzingen die doen vermoeden dat [B] schuilgaat achter genoemde PGP-namen. De rechtbank zal daarom in haar overwegingen telkens spreken van vermoedelijk [B], daar waar zij deze sterke aanwijzingen ziet. 1.4 Het dossier waar de rechtbank bij haar beoordeling van is uitgegaan De verschillende deelonderzoeken in chronologische volgorde:
- Charon, de moord op [slachtoffer 3] op 31 januari 2017; 2 Eend, het beramen van de moord op [slachtoffer 2] in de periode van 2 februari 2017 tot en met 10 januari 2018; 3 Kraai, het beramen van de moord op [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] op 18 februari 2017; 4 Spreeuw, het beramen van de moord op [slachtoffer 6] op 18 februari 2017; 5 Mus, het beramen van de moord op [slachtoffer 22] op 18 februari 2017; 6 Duif, het beramen van de moord op [slachtoffer 8] en [slachtoffer 9] op 18 februari 2017; 7 Barbera, de poging tot moord op [slachtoffer 10] op 9 maart 2017; 8 Arford, de poging tot moord op [slachtoffer 11] , [slachtoffer 12] , [slachtoffer 13] en [slachtoffer 14] op 17 maart 2017; 9 Charlie17, de moord op [slachtoffer 15] op 17 april 2017; 10 Gezicht, de poging afschieten raketwerper op een woning in [plaats] op 28 juni 2017 en het schieten met een automatisch vuurwapen op een woning in [plaats] op 29 juni 2017; 11 Breuk, de voorbereiding voor de moord op [slachtoffer 1] op 5 juli 2017 en de moord op [slachtoffer 1] op 7 juli 2017; 12 Langenhorst, de moord op [slachtoffer 16] op 26 juli 2017; 13 Lis, de moord op [slachtoffer 17] op 21 september 2017; 14 Goudvink, de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 18] in de periode van juli 2018 tot en met 24 september 2018; 15 de criminele organisatie in de periode van januari 2017 tot en met 21 november
- En daarnaast nog de volgende deelonderzoeken: 16 Waterspin, de afpersing en poging tot afpersing van [slachtoffer 19] en [slachtoffer 20] in de periode van 2017-2018 (verdachten [medeverdachte 14] en [medeverdachte 20] ); 17 Amarone, het bezit van en de handel in vuurwapens van 15 augustus 2017 tot en met 16 april 2019 (verdachte [medeverdachte 13] ); 18 Brunello, de mishandeling van [slachtoffer 21] op 7 februari 2019 en het bezit van een vuurwapen op 25 oktober 2016 (verdachte [medeverdachte 12] ). In de strafdossiers van iedere verdachte zijn, behalve het gehele zogeheten Eris-dossier (bovengenoemde achttien deelonderzoeken), tevens gevoegd: alle processen-verbaal van de terechtzittingen van de rechtbank tegen ieder van de Eris-verdachten, met uitzondering van de processen-verbaal over de persoonlijke omstandigheden van de verdachten; alle processen-verbaal van (getuigen)verhoor door de rechter-commissaris die in de zaken van één of meer van de verdachten zijn opgemaakt, met uitzondering van enkele getuigenverklaringen in de zaak Waterspin die alleen in de zaken van verdachten [medeverdachte 14] en [medeverdachte 20] zijn opgenomen; documenten en bescheiden die, op initiatief van de verdediging of anderszins, gedurende de procedure zijn toegevoegd aan het dossier in de zaak tegen één of meer verdachten. Hoewel de meeste verdachten al dan niet op verzoek van een medeverdachte op zitting als getuige zijn gehoord, zijn daarnaast alle processen-verbaal van de zittingen in alle dossiers gevoegd vóórdat het requisitoir en de pleidooien zijn gehouden. Ten gevolge hiervan maken alle verklaringen van alle verdachten zoals afgelegd op de zittingen in bijzijn van hun advocaat deel uit van het procesdossier, dus niet alleen de verklaringen die zij daar als getuige hebben afgelegd, maar ook de verklaringen die zij in hun eigen zaak hebben afgelegd. Dit maakt dat het dossier voor elke verdachte gelijkluidend is. De vonnissen zijn in beginsel als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 1: de inleiding Hoofdstuk 2: de verkorte weergave van de tenlastelegging Hoofdstuk 3: de voorvragen, overwegingen en algemene conclusies met betrekking tot de kroongetuige Hoofdstuk 4: de waardering van het bewijs en de conclusies van de veredelingen Hoofdstuk 5: de bewezenverklaring Hoofdstuk 6: de strafbaarheid van de feiten Hoofdstuk 7: de strafbaarheid van de verdachte Hoofdstuk 8: de strafmaat Hoofdstuk 9: het beslag Hoofdstuk 10: de benadeelde partijen Hoofdstuk 11: de toepasselijke wettelijke voorschriften Hoofdstuk 12: de beslissing Bijlage 1: de zittingsdagen Bijlage 2: de tenlastelegging per verdachte Bijlage 3: de door de rechtbank vastgestelde veredelingen en identificaties Bijlage 4: de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen In bijlage 3 bij dit vonnis heeft de rechtbank de gebruikers van diverse PGP-accounts, telefoons, en andere gegevensdragers veredeld en geïdentificeerd. Waar de rechtbank in het vonnis benoemt dat een gebruiker is veredeld/geïdentificeerd, verwijst de rechtbank daarvoor naar de bewijsmiddelen en conclusies in deze bijlage
- In bijlage 4 heeft de rechtbank per deelonderzoek de bewijsmiddelen opgenomen die zij gebruikt voor het bewijs in dat deelonderzoek. In een aantal deelonderzoeken verwijst de rechtbank op grond van de onderlinge verwevenheid naar bewijsmiddelen opgenomen onder andere deelonderzoeken, voor zover deze mede ten grondslag liggen aan de bewijsbeslissing. Gelet op de onderlinge verwevenheid van de deelonderzoeken en de criminele organisatie waarbinnen het merendeel van deze deelonderzoeken is uitgevoerd, zijn de bijlagen 1, 3 en 4 voor alle verdachten grotendeels gelijkluidend, voor zover een veroordeling volgt. Dit geldt niet voor de deelonderzoeken Waterspin, Amarone en Brunello. Deze deelonderzoeken zijn niet in het verband van de criminele organisatie gepleegd en de bewijsmiddelen in die deelonderzoeken worden daarom alleen in de bijlage bij het vonnis van de betreffende verdachten opgenomen. 2TENLASTELEGGING De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort, feitelijk en chronologisch weergegeven, op neer dat [verdachte] : Ten aanzien van 16/659028-20 (Eend) Primair in de periode van 2 februari 2017 tot en met 10 januari 2018 in Nederland met een ander of anderen heeft geprobeerd de moord op [slachtoffer 2] uit te lokken; Subsidiair op 26 februari 2017 in Nederland medeplichtig is geweest aan de poging tot het uitlokken van de moord op [slachtoffer 2] ; Meer subsidiair in de periode van 2 februari 2017 tot en met 10 januari 2018 in Nederland met een ander of anderen voorbereidingshandelingen voor de moord op [slachtoffer 2] heeft verricht; Ten aanzien van 16/659121-19 (Mus, Barbera en Arford) Feit 1, primair in de periode van 17 februari tot en met 19 februari 2017 in Nederland met een ander of anderen heeft geprobeerd [slachtoffer 22] te vermoorden; Feit 1, subsidiair in de periode van 17 februari tot en met 19 februari 2017 in Nederland met een ander of anderen de poging om [slachtoffer 22] te vermoorden heeft uitgelokt; Feit 1, meer subsidiair in de periode van 17 februari tot en met 19 februari 2017 in Nederland met een ander of anderen medeplichtig is geweest aan de poging om [slachtoffer 22] te vermoorden; Feit 1, nog meer subsidiair in de periode van 17 februari tot en met 19 februari 2017 in Nederland met een ander of anderen heeft geprobeerd de moord op [slachtoffer 22] uit te lokken; Feit 1, nog meer meer in de periode van 17 februari tot en met 19 februari 2017 in subsidiair Nederland met een ander of anderen de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 22] heeft uitgelokt; Feit 1, meest subsidiair in de periode van 17 februari tot en met 19 februari 2017 in Nederland met een ander of anderen voorbereidingshandelingen voor de moord op [slachtoffer 22] heeft verricht; Feit 2, primair op 9 maart 2017 te [plaats] met een ander of anderen heeft geprobeerd [slachtoffer 10] te vermoorden; Feit 2, subsidiair in de periode van januari tot en met 9 maart 2017 te [plaats] en/of [plaats] met een ander of anderen de poging om [slachtoffer 10] te vermoorden heeft uitgelokt; Feit 2, meer subsidiair in de periode van januari tot en met 9 maart 2017 te [plaats] met een ander of anderen heeft geprobeerd de moord op [slachtoffer 10] uit te lokken; Feit 2, nog meer meer in de periode van januari 2017 tot en met 9 maart 2017 te subsidiair [plaats] met een ander of anderen de voorbereiding van de moord op [slachtoffer 10] heeft uitgelokt; Feit 2, meest subsidiair in de periode van januari tot en met 9 maart 2017 te [plaats] met een ander of anderen voorbereidingshandelingen voor de moord op [slachtoffer 10] heeft verricht; Feit 3, primair op 17 maart 2017 te [plaats] met een ander of anderen heeft geprobeerd [slachtoffer 11] , [slachtoffer 13] , [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 12] te vermoorden; Feit 3, subsidiair in de periode van januari tot en met 17 maart 2017 te [plaats] en/of [plaats] met een ander of anderen de poging om [slachtoffer 11] , [slachtoffer 13] , [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 12] te vermoorden heeft uitgelokt; Feit 3, meer subsidiair in de periode van januari tot en met 17 maart 2017 te [plaats] met een ander of anderen heeft geprobeerd de moorden op [slachtoffer 11] , [slachtoffer 13] , [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 12] uit te lokken; Feit 3, nog meer meer in de periode van januari 2017 tot en met 17 maart 2017 te subsidiair [plaats] en/of [plaats] met een ander of anderen de voorbereiding van de moorden op [slachtoffer 11] , [slachtoffer 13] , [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 12] heeft uitgelokt; Feit 3, meest subsidiair in de periode van januari tot en met 17 maart 2017 te [plaats] met een ander of anderen voorbereidingshandelingen voor de moorden op [slachtoffer 11] , [slachtoffer 13] , [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 12] heeft verricht; Ten aanzien van 16/659031-20 (Charlie17) Primair op 17 april 2017 te [plaats] met een ander of anderen [slachtoffer 15] heeft vermoord; Subsidiair in de periode van 1 januari tot en met 17 april 2017 te [plaats] samen met een ander of anderen de moord op [slachtoffer 15] heeft uitgelokt; Meer subsidiair in de periode van 1 januari tot en met 17 april 2017 te [plaats] met een ander of anderen medeplichtig is geweest aan de moord op [slachtoffer 15] Ten aanzien van 16/659121-19 (Gezicht en Breuk) Feit 4, primair op 28 juni 2017 te [plaats] met een ander of anderen heeft geprobeerd personen in/rond de woning aan de [adres] te doden door een raketwerper op de woning te richten en de trekker over te halen; Feit 4, subsidiair in de periode van 26 juni tot en met 28 juni 2017 te [plaats] en/of [plaats] de poging om personen in/rond de woning aan de [adres] te doden heeft uitgelokt; Feit 4, meer subsidiair in de periode van 26 juni tot en met 28 juni 2017 te [plaats] en/of [plaats] met een ander of anderen medeplichtig is geweest aan de poging om personen in/rond de woning aan de [adres] te doden; Feit 4, meer meer subsidiair op 28 juni 2017 te [plaats] met een ander of anderen personen in/rond de woningen aan de [adres] en [adres] met de dood heeft bedreigd door een raketwerper op de woning aan de [adres] te richten; Feit 4, nog meer meer in de periode van 26 juni tot en met 28 juni 2017 te [plaats] subsidiair en/of [plaats] de bedreiging van personen in/rond de woningen aan de [adres] en [adres] heeft uitgelokt; Feit 4, meest subsidiair in de periode van 26 juni tot en met 28 juni 2017 te [plaats] en/of [plaats] met een ander of anderen medeplichtig is geweest aan de bedreiging van personen in/rond de woningen aan de [adres] en [adres] ; Feit 5, primair in de periode van 26 juni tot en met 28 juni 2017 te [plaats] met een ander of anderen de poging om personen in/rond de woning aan de [adres] te doden heeft uitgelokt; Feit 5, subsidiair in de periode van 26 juni tot en met 28 juni 2017 te [plaats] en/of [plaats] met een ander of anderen medeplichtig is geweest aan de poging om personen in/rond de woning aan de [adres] te doden; Feit 6, primair op 29 juni 2017 te [plaats] met een ander of anderen heeft geprobeerd personen in/rond de woning aan de [adres] en een naastgelegen woning te doden door met een vuurwapen op die woningen te schieten; Feit 6, subsidiair in de periode van 26 juni tot en met 29 juni 2017 te [plaats] en/of [plaats] met een ander of anderen de poging tot het doden van personen in/rond de woningen aan de [adres] heeft uitgelokt; Feit 6, meer subsidiair in de periode van 26 juni tot en met 29 juni 2017 te [plaats] en/of [plaats] met een ander of anderen medeplichtig is geweest aan de poging tot het doden van personen in/rond de woningen aan de [adres] ; Feit 6, meer meer subsidiair op 29 juni 2017 te [plaats] openlijk geweld heeft gepleegd op de [straat] door woningen te beschieten; Feit 6, nog meer meer in de periode van 26 juni tot en met 29 juni 2017 te [plaats] subsidiair en/of [plaats] met een ander of anderen het plegen van openlijk geweld op de [straat] heeft uitgelokt; Feit 6, nog meer meer meer in de periode van 26 juni tot en met 29 juni 2017 te [plaats] subsidiair en/of [plaats] met een ander of anderen medeplichtig is geweest aan het plegen van openlijk geweld op de [straat] ; Feit 6, nog meer meer meer op 29 juni 2017 te [plaats] met een ander of anderen personen meer subsidiair in/rond de woningen aan de [adres] met de dood heeft bedreigd door met een vuurwapen op die woningen te schieten; Feit 6, nog meer meer meer in de periode van 26 juni tot en met 29 juni 2017 te [plaats] meer meer subsidiair en/of [plaats] de bedreiging van de bewoners van de [adres] heeft uitgelokt; Feit 6, meest subsidiair in de periode van 26 juni tot en met 29 juni 2017 te [plaats] en/of [plaats] met een ander of anderen medeplichtig is geweest aan de bedreiging van de bewoners van de [adres] ; Feit 7 in de periode van 26 juni tot en met 29 juni 2017 te [plaats] en/of [plaats] met een ander of anderen voorbereidingshandelingen voor de doodslag op de bewoners van de woning aan de [adres] heeft verricht; Feit 8, primair op 7 juli 2017 te [plaats] [slachtoffer 1] met een ander of anderen heeft vermoord; Feit 8, subsidiair in de periode van 5 juli tot en met 7 juli 2017 te [plaats] , [plaats] en/of [plaats] met een ander of anderen de moord op [slachtoffer 1] heeft uitgelokt; Feit 8, meer subsidiair in de periode van 5 juli tot en met op 7 juli 2017 te [plaats] , [plaats] , en/of [plaats] met een ander of anderen medeplichtig is geweest aan de moord op [slachtoffer 1] ; Ten aanzien van 16/659035-20 (Deelname criminele organisatie) in de periode van 1 januari 2017 tot en met 21 november 2018 te [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] en/of [plaats] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die als oogmerk het plegen van levensdelicten, de voorbereiding daarvan en het voorhanden hebben van wapens en munitie had. De rechtbank heeft geconstateerd dat het aan [verdachte] onder 16/659121-19 (Gezicht en Breuk) feit 4 meer meer subsidiair en feit 5 primair tenlastegelegde in de kern exact hetzelfde feitencomplex behelsde, namelijk bedreiging van personen rond de [adres] en [adres] te [plaats] op 28 juni 2017 door een raketwerper op de [adres] te richten. Dit ziet de rechtbank als een kennelijke misslag. Het ligt op de weg van de rechter om de tekst van in een tenlastelegging voorkomende misslagen te verbeteren, indien de verdachte daardoor in zijn verdediging niet wordt geschaad. Zo'n verbetering is niet een wijziging van de tenlastelegging in de zin van artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), maar slechts een vaststelling van de juiste inhoud van de tenlastelegging, waarvoor geen medewerking van het Openbaar Ministerie of de verdachte is vereist. Nu de rechtbank zoals hierna wordt overwogen tot bewezenverklaring zal komen van het onder feit 4 meer meer subsidiair tenlastegelegde heeft zij de tenlastelegging verbeterd gelezen in die zin dat feit 5 primair is komen te vervallen en feit 5 subsidiair wordt gelezen als feit 5 primair en feit 5 meer subsidiair als feit 5 subsidiair, zoals hiervoor is opgenomen.
- VOORVRAGEN, OVERWEGINGEN EN ALGEMENE CONCLUSIES MET BETREKKING TOT DE KROONGETUIGE De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het tenlastegelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van [verdachte] en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. Het debat dat is gevoerd over de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging heeft zich toegespitst op het inzetten van de kroongetuige in het Eris-proces. 3.1 De kroongetuige 3.1.1 Algemeen De kerntaak van de zittingsrechter met betrekking tot een kroongetuige is tweeledig. Zij beoordeelt de betrouwbaarheid van diens verklaringen en de rechtmatigheid van de overeenkomst die met de kroongetuige is gesloten, voor zover de rechtmatigheid is betwist. Als eerste zal de rechtbank de totstandkoming van de overeenkomst met [medeverdachte 1] schetsen. Daarna zal zij de verweren bespreken die de rechtmatigheid van de overeenkomst betreffen en de daaraan te verbinden gevolgen. Vervolgens komen de verweren die de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige betwisten aan bod. Hoewel niet alle raadslieden zich concreet bij alle verweren hebben aangesloten, zal de rechtbank deze verweren ambtshalve bespreken in alle vonnissen waarin de verklaringen van [medeverdachte 1] van belang zijn. Bij de beoordeling heeft de rechtbank rekening gehouden met de bepalingen in de artikelen 226g Sv e.v., die zien op de kroongetuigeregeling, op artikel 359a Sv en op artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). 3.1.2 Totstandkoming van de overeenkomst Op 13 oktober 2017 is [medeverdachte 1] aangehouden op verdenking van de moord op [slachtoffer 1] gepleegd op 7 juli 2017 te [plaats] . Hij heeft als verdachte in die zaak een bekennende verklaring afgelegd. In november 2017 heeft [medeverdachte 1] kenbaar gemaakt dat hij bereid en in staat was om over meer dan alleen zijn eigen rol in deze zaak verklaringen af te leggen in ruil voor bescherming, omdat hij vreesde voor zijn leven. Tussen januari 2018 tot en met mei 2018 heeft [medeverdachte 1] in totaal 25 zogenaamde kluisverklaringen afgelegd tegenover het team Bijzondere Getuigen. Op 12 november 2018 heeft de rechter-commissaris in strafzaken de voorgenomen overeenkomst tussen de Staat en [medeverdachte 1] getoetst en rechtmatig bevonden. Op 13 november 2018 heeft de Staat een overeenkomst gesloten met [medeverdachte 1] . Daarbij heeft [medeverdachte 1] zich verbonden om als getuige zonder voorbehoud, volledig en naar waarheid verklaringen af te leggen met betrekking tot een aantal in de overeenkomst genoemde misdrijven (de zogenoemde ‘dealfeiten’) en afstand gedaan van zijn verschoningsrecht als verdachte (de rechtbank begrijpt: in zijn hoedanigheid van getuige). De officier van justitie verbond zich om bij volledige nakoming door [medeverdachte 1] de strafeis voor zijn aandeel in de dealfeiten te zullen stellen op twaalf jaar gevangenisstraf. Daarbij werd opgemerkt dat de strafeis tegen een verdachte die geen kroongetuige was, bij gelijke omstandigheden een gevangenisstraf van 24 jaren zou bedragen (“de basisstrafeis”). De strafvervolging van [medeverdachte 1] zou zich, behoudens gewijzigde omstandigheden, uitstrekken tot het medeplegen van de moord op [slachtoffer 1] , medeplegen van het voorhanden hebben van twee vuurwapens, medeplegen van opzetheling van twee personenauto’s, medeplegen van opzettelijk gebruikmaken van een valse kentekenplaat, alsmede – bij voldoende bewijs – medeplegen van poging doodslag dan wel bedreiging en vernieling op 28 en 29 juni 2017 aan de [straat] te [plaats] en tot deelname aan een criminele organisatie. 3.1.3 Rechtmatigheid van de overeenkomst Er zijn diverse verweren gevoerd die strekken tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dan wel tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van [medeverdachte 1] , omdat de overeenkomst met [medeverdachte 1] niet rechtmatig gesloten zou zijn. Hiertoe is door de verdediging onder meer aangevoerd dat het onmogelijk is te toetsen of de inhoud van de verklaringen van [medeverdachte 1] is beïnvloed door eventuele verboden toezeggingen in het kader van de met [medeverdachte 1] gesloten beschermingsovereenkomst, omdat deze laatste niet toetsbaar of controleerbaar is. Voorts is volgens de verdediging de uiteindelijke netto strafeis van acht jaar in de overeenkomst disproportioneel laag en is door het Openbaar Ministerie op ongerechtvaardigde en onbegrijpelijke gronden afgezien van vervolging van [medeverdachte 1] in het deelonderzoek Langenhorst. Ook is aangevoerd dat in de overeenkomst verboden beloningen zijn ingebouwd. Dit omdat het Openbaar Ministerie geen ontnemingsvordering indient voor onder meer het wederrechtelijk door [medeverdachte 1] verkregen voordeel van € 10.000,- voor de moord op [slachtoffer 1] , omdat [medeverdachte 1] een miljoenenschuld die hij aan derden heeft niet meer zal hoeven te betalen omdat hij straks in de anonimiteit verdwijnt en omdat de vader van [medeverdachte 1] niet zal worden vervolgd. Deze beloningen zouden niet openlijk zijn gedeeld met de rechtbank en de verdediging. De rechtbank moet aan de hand van de feiten en omstandigheden die ten tijde van het tot stand komen van de overeenkomst met [medeverdachte 1] aan de orde waren, de vraag beantwoorden of deze overeenkomst binnen de grenzen van het recht is gebleven. De rechtbank zal dit bespreken bij de hieronder genoemde onderwerpen. Overeenkomst ex artikel 226g Sv in dit geval mogelijk? De rechtbank dient allereerst te beoordelen of de overeenkomst met [medeverdachte 1] dringend noodzakelijk was om de opsporing, voorkoming of beëindiging van feiten mogelijk te maken die anders niet of niet tijdig zou plaatsvinden, of er een redelijke verhouding was tussen het belang van de te verkrijgen informatie en de te leveren tegenprestatie en of de overeenkomst ook overigens binnen de grenzen van het recht is gebleven. De rechtbank stelt vast dat de verklaringen van [medeverdachte 1] betrekking hebben op misdrijven als bedoeld in artikel 226g, eerste lid Sv. De rechtbank is verder van oordeel dat het Openbaar Ministerie het op goede gronden dringend noodzakelijk heeft geacht om tot een overeenkomst met [medeverdachte 1] te komen. [medeverdachte 1] kon immers verklaren over een aantal voltooide levensdelicten waarvan de opsporing op een dood spoor was beland en zonder zijn verklaringen niet binnen afzienbare tijd tot resultaat had geleid. Zijn verklaringen betroffen niet alleen vermeende uitvoerders, maar ook vermeende opdrachtgevers. Door de verklaringen van [medeverdachte 1] is zicht gekregen op een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van liquidaties in opdracht van anderen voor geld en die tot dan toe onder de radar was gebleven. Ook boden zijn verklaringen veel aanknopingspunten voor nader onderzoek in lopende onderzoeken en zaken die op dat moment nog niet bekend waren bij de politie. Beïnvloeding door beschermingsovereenkomst? Het Openbaar Ministerie heeft aangevoerd dat vóór het sluiten van de overeenkomst niet over de details van een getuigenbeschermingsovereenkomst met de kroongetuige wordt gesproken. Er wordt alleen toegezegd dat kroongetuigen hulp en steun zullen krijgen om na afloop van de detentie elders een veilig bestaan op te bouwen. De details en de financiële aspecten komen pas aan de orde als de fictieve datum van invrijheidstelling van de kroongetuige in zicht komt. Nu de verklaringen reeds lang daarvoor zijn afgelegd kunnen die niet beïnvloed zijn door de beschermingsovereenkomst. De rechtbank bespreekt het verweer omtrent de beschermingsovereenkomst in het licht van de zorgplicht die wordt ontleend aan de positieve verplichtingen van het EVRM, het burgerlijk recht en aan de in artikel 226l Sv neergelegde bepaling. Aan deze zorgplicht wordt in voorkomende gevallen uitvoering gegeven door het maken van afspraken over getuigenbescherming met kroongetuigen. Door de medewerking te vragen van deze getuigen aan de opsporing, neemt de Staat ook een gedeelte van de ‘veiligheidsverantwoordelijkheid’ van deze persoon op zich. Uit het samenstel van de wettelijke regeling en de toepasselijke beleidsregels volgt dat met betrekking tot de rechtmatigheid en de doelmatigheid van maatregelen van getuigenbescherming in de strafvorderlijke context aan de strafrechter in het geheel geen toetsende rol is toebedeeld. De kroongetuigenregeling en de getuigenbescherming betreffen juist juridisch twee verschillende trajecten. Hoewel in de afgelopen jaren soms duidelijk werd dat er in de praktijk wel degelijk verstrengeling kan bestaan tussen de strafvorderlijke overeenkomst en de beschermingsovereenkomst, in die zin dat de mate van ervaren geboden veiligheid en de bereidheid om te verklaren elkaar kunnen beïnvloeden, en er in de literatuur regelmatig wordt gepleit voor een vorm van externe, rechterlijke toetsing van de beschermingsovereenkomst, biedt de wet hiervoor ook thans nog geen grond. De Hoge Raad heeft in dit kader overwogen: “Zo een verplichting zou – temeer omdat de huidige wet geen specifieke regeling kent met betrekking tot de afscherming van processtukken in het belang van de veiligheid van de kroongetuige – onverenigbaar zijn met het doel van bescherming van de getuige en de aard van de daartoe strekkende maatregelen.”.De rechtbank wijst er overigens in dit verband op dat de kluisverklaringen door [medeverdachte 1] reeds zijn afgelegd vóórdat de strafvorderlijke overeenkomst met hem is gesloten, dus zonder dat hij wist óf de overeenkomst gesloten zou worden en zo ja, onder welke voorwaarden, terwijl de details van de beschermingsovereenkomst nóg later, namelijk pas kort voor het aflopen van de gevangenisstraf zullen worden bepaald. Dit levert dus geen aanwijzing op dat er sprake is van verboden toezeggingen in het kader van de beschermingsovereenkomst. Overeenkomst proportioneel? De rechtbank zal achtereenvolgens ingaan op de omvang van de vervolging van [medeverdachte 1] en het afzien van vervolging van de vader van [medeverdachte 1] , de basisstrafeis, de eis en het achterwege laten van een ontnemingsvordering en het feit dat [medeverdachte 1] een schuld aan derden niet meer zou hoeven te betalen. Bij requisitoir heeft het Openbaar Ministerie uitgebreid toegelicht dat de beslissing om [medeverdachte 1] niet te vervolgen in Langenhorst ruim ná het sluiten van de overeenkomst is genomen door de zaaksofficieren naar aanleiding van de resultaten van het opsporingsonderzoek en dat daarbij geen gebruik is gemaakt van het opportuniteitsbeginsel, maar dat is beslist dat een vervolging in de ogen van het Openbaar Ministerie geen kans van slagen had. Deze beslissing was volgens het Openbaar Ministerie gelegen in het gegeven dat [medeverdachte 1] – in tegenstelling tot de andere verdachten – uitgebreide verklaringen heeft afgelegd en duidelijk heeft gemaakt dat hij de moord helemaal niet wilde plegen en ook tijdig is gestopt. Deze verklaringen acht het Openbaar Ministerie betrouwbaar en in lijn met andere onderzoeksbevindingen. De rechtbank hanteert het volgende juridisch kader. In de Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken (hierna te noemen: de Aanwijzing) zijn beleidsregels geformuleerd over de toepassing van de artikelen 226g tot en met 226l Sv. In de Aanwijzing is geregeld welke toezeggingen aan getuigen toelaatbaar zijn en welke toezeggingen niet. Punt 5.1 van deze Aanwijzing bevat een verbod om toezeggingen te doen met betrekking tot de inhoud van de tenlastelegging (bijvoorbeeld het aantal feiten op de tenlastelegging en de zwaarte daarvan). Punt 5.2 bevat een verbod om in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid af te zien van actieve opsporing of vervolging van strafbare feiten. Bij de beoordeling door het Openbaar Ministerie of vervolging van een verdachte voor een bepaald strafbaar feit opportuun is spelen in ieder geval de aard van het feit, de bewijsbaarheid van het feit en het algemeen belang een rol. Ook in geval van een potentiële kroongetuige is de afweging daarvan bij uitstek een taak van het Openbaar Ministerie. De rechter die de overeenkomst met een kroongetuige toetst, dient deze afweging in beginsel te eerbiedigen. Het is niet de taak van die rechter om zelf te bepalen voor welke feiten de kroongetuige zou moeten worden vervolgd en welke strafeis bij die vervolging zou passen. Wel dient de rechter, gelet op de geldende wet- en regelgeving, te toetsen of er geen sprake is geweest van onderhandelingen met de getuige over het aantal ten laste te leggen feiten en de kwalificatie daarvan en of niet in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid aan de getuige is toegezegd af te zien van vervolging voor bepaalde feiten. In dat geval zou er immers sprake kunnen zijn van een niet toegestane toezegging in de zin van de Aanwijzing. De rechtbank stelt vast dat is gesteld noch gebleken dat [medeverdachte 1] en het Openbaar Ministerie hebben onderhandeld over de ten laste te leggen feiten. Het Openbaar Ministerie heeft zoals hiervoor besproken verklaard dat de vervolgingsbeslissing in het deelonderzoek Langenhorst het resultaat was van intern overleg tussen de zaaksofficieren ruim ná het sluiten van de overeenkomst en dat het resultaat daarvan aan [medeverdachte 1] is medegedeeld. Evenmin is gebleken dat het achterwege laten van vervolging van [medeverdachte 1] voor zijn handelingen in dit deelonderzoek is te duiden als een verboden toezegging. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 226g, tweede lid Sv schrijft voor dat in de overeenkomst met een kroongetuige wordt vastgelegd voor welke feiten de getuige zelf zal worden vervolgd. Dat betekent dat het Openbaar Ministerie de strafbaarheid van het feit, de kans op een veroordeling en aspecten van algemeen belang naar de stand van zaken van dat moment moet inschatten. Vanuit een oogpunt van algemeen belang is niet onbegrijpelijk dat het Openbaar Ministerie de vervolging van de potentiële kroongetuige beperkt tot feiten waarvoor reeds op dat moment voldoende bewijs voorhanden lijkt te zijn of die mogelijkheid in ieder geval reëel te achten is na verder opsporingsonderzoek. Wanneer het Openbaar Ministerie een kroongetuige ook zou moeten vervolgen voor feiten waarin de bewijspositie dubieus is of zeer weinig kans van slagen heeft, zouden de te verwachten veroordeling en de straf(eis) uiterst onzeker worden. Het nuttig effect van de kroongetuigenregeling zou in die interpretatie ernstig worden aangetast. Het Openbaar Ministerie heeft na de totstandkoming van de overeenkomst geoordeeld dat de slagingskans van een vervolging van [medeverdachte 1] in de zaak Langenhorst te klein was, omdat – kort gezegd – bewijs voor het vereiste opzet op de moord bij [medeverdachte 1] ontbrak. De rechtbank acht deze beoordeling in de zaak van [medeverdachte 1] weliswaar voor (enige) discussie vatbaar, maar niet zo onbegrijpelijk dat geoordeeld zou kunnen worden dat het niet anders kan dan dat in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid aan de getuige is toegezegd af te zien van vervolging voor bepaalde feiten en dat het achterwege laten van vervolging voor dit feit achteraf moet worden opgevat als een verkapte verboden toezegging voor het afleggen van verklaringen. De rechtbank acht de beslissing van het Openbaar Ministerie om alleen te vervolgen in bewijstechnisch stevig ogende zaken dan ook rechtmatig. Voor een toezegging aan [medeverdachte 1] dat zijn vader [A] niet zal worden vervolgd voor strafbare feiten in Eris is geen enkele aanwijzing gevonden in het dossier. Netto strafeis disproportioneel? Het Openbaar Ministerie heeft gesteld dat geen sprake is van een disproportionele eis. Zoals hiervoor besproken heeft het Openbaar Ministerie in de overeenkomst de basisstrafeis bepaald op 24 jaren en, bij nakoming van de verplichtingen door [medeverdachte 1] , toegezegd om 50% hiervan als straf te zullen eisen, namelijk twaalf jaren gevangenisstraf. De rechtbank hanteert het volgende juridisch kader. Ook voor de tegen een kroongetuige te formuleren basisstrafeis geldt dat het Openbaar Ministerie een ruime beoordelingsvrijheid heeft die de rechter heeft te eerbiedigen. Op voorhand kan echter niet worden uitgesloten dat een toegezegde basisstrafeis zo onbegrijpelijk laag is dat het verschil met een reguliere strafeis niet anders kan worden opgevat dan als tegenprestatie voor af te leggen verklaringen. De rechter dient in verband daarmee te toetsen of het Openbaar Ministerie, gelet op alle omstandigheden van het geval en met inachtneming van zijn ruime beoordelingsvrijheid, in redelijkheid tot de toegezegde basisstrafeis heeft kunnen komen. De rechtbank kan de rechtmatigheid van die basisstrafeis slechts afmeten aan de feiten die daadwerkelijk aan [medeverdachte 1] ten laste zijn gelegd. Zoals gezegd gaat het om het medeplegen van een moord, het voorhanden hebben van wapens, de heling van auto’s en het voorhanden hebben van een valse kentekenplaat en zijn daarbij tevens de feiten betrokken in het deelonderzoek Gezicht en deelname aan een criminele organisatie. Al deze feiten overziende acht de rechtbank de basisstrafeis van 24 jaren niet zo onverklaarbaar laag dat deze niet anders kan worden verklaard dan als een verkapte tegenprestatie voor het afleggen van verklaringen, terwijl de maximale strafkorting van 50% niet wordt overschreden. Daarom acht de rechtbank de overeenkomst met [medeverdachte 1] ook op dit punt niet onrechtmatig. Bij aanvang van de inhoudelijke behandeling heeft het Openbaar Ministerie evenwel aangekondigd bij requisitoir een lagere straf te zullen eisen dan in de overeenkomst is toegezegd. Dit naar aanleiding van de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen op 1 juli
- In deze nieuwe wet is de termijn van de voorwaardelijke invrijheidstelling gemaximeerd tot twee jaar bij gevangenisstraffen vanaf zes jaar. Ten tijde van het sluiten van de overeenkomst zou een gevangenisstraf van twaalf jaar een netto straf van acht jaar betekenen. Daar mocht [medeverdachte 1] bij het sluiten van de overeenkomst van uitgaan. In het geval van de nieuwe wet betekent een gevangenisstraf van twaalf jaar een netto straf van tien jaar. De inhoud van de overeenkomst biedt volgens het Openbaar Ministerie ruimte om een zodanige gevangenisstraf te eisen die erop neerkomt dat de kroongetuige netto acht jaar moet zitten. Bij requisitoir is daarom niet 24 jaar gevangenisstraf als uitgangspunt genomen, maar twintig jaar gevangenisstraf, die met 50% is verminderd tot de uiteindelijke eis van tien jaar in plaats van twaalf jaar. De rechtbank overweegt dat bij het aangaan van de overeenkomst in 2018 de oude regelgeving gold dat een veroordeelde in beginsel na afloop van twee derde van zijn gevangenisstraf in aanmerking kwam voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Het Openbaar Ministerie en [medeverdachte 1] hebben bij het aangaan van de overeenkomst geen rekening gehouden met de gevolgen die de Wet straffen en beschermen zou hebben voor de uitvoering van de aan [medeverdachte 1] op te leggen straf. Na de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen zou [medeverdachte 1] bij een gelijkblijvende basiseis immers in een nadeliger positie komen te verkeren dan waar hij op grond van de overeenkomst van uit mocht gaan. Zijn netto straf zou namelijk twee jaar langer zijn. Hoewel in de overeenkomst alleen gesproken wordt over de basiseis en niet over de netto uit te zitten gevangenisstraf, acht de rechtbank aannemelijk dat juist de te verwachten netto straf voor [medeverdachte 1] van belang is geweest bij de vraag of hij de overeenkomst wilde aangaan, zoals ter terechtzitting bij requisitoir respectievelijk pleidooi ook expliciet door beide partijen is betoogd. In die zin is er dan ook sprake van een wijziging van omstandigheden die tot gevolg heeft dat de overeenkomst voor [medeverdachte 1] nu anders uitpakt dan hij bij het aangaan van de overeenkomst mocht verwachten. De rechtbank betrekt verder bij haar oordeel dat ook een basisstrafeis van twintig jaar op zichzelf nog past binnen de ruime beoordelingsvrijheid die het Openbaar Ministerie toekomt en dus ook op zichzelf beschouwd niet zo onbegrijpelijk laag is dat deze moet worden gezien als een ontoelaatbare, verkapte tegenprestatie voor het afleggen van zijn verklaringen. Gelet op het belang dat opgewekt vertrouwen in beginsel gehonoreerd dient te worden is de rechtbank dan ook van oordeel dat het Openbaar Ministerie in afwijking van de overeenkomst zijn eis ter zitting mocht baseren op een basisstrafeis van twintig jaar. De rechtmatigheid van de overeenkomst wordt daardoor ook achteraf niet aangetast. Dat betekent dat er gelet op het voorgaande geen sprake is van disproportionele eis. Ook op dit punt is de overeenkomst daarom rechtmatig. Ontoelaatbare toezegging inzake ontneming? De rechtbank hanteert het volgende juridisch kader. Voor zover het Openbaar Ministerie los van een eventuele overeenkomst ook al niet tot vordering van het wederrechtelijk verkregen voordeel zou zijn overgegaan, hoeft het dat bij een getuige met wie een overeenkomst is gesloten ook niet te doen. Het Openbaar Ministerie kan dan eenzijdig beslissen van ontneming af te zien, zonder dat van een toezegging in de zin van de Aanwijzing sprake is. Ook op dit punt komt aan het Openbaar Ministerie een zekere beoordelingsvrijheid toe. Wel zal uit de motivering van het besluit om volledig van een ontnemingsvordering af te zien, moeten blijken dat geen sprake is van een verkapte financiële beloning voor het afleggen van verklaringen. Het Openbaar Ministerie heeft aangevoerd dat er geen sprake is geweest van een toezegging aan [medeverdachte 1] dat er geen ontnemingsvordering zal worden ingediend. Uit de stukken die zijn opgenomen in het dossier blijkt niet dat hierover is gesproken tussen de officier van justitie van het team Bijzondere Getuigen en [medeverdachte 1] en zijn advocaat. Hoewel dit had gekund, is daarover geen afspraak gemaakt. Het Openbaar Ministerie heeft verder aangevoerd dat [medeverdachte 1] na afloop van zijn detentie elders, vermoedelijk in een ver land, een veilig nieuw bestaan zal moeten opbouwen. Financieel gezien begint hij bij nul en zal hij in het begin een redelijke tegemoetkoming van het team Getuigenbescherming ontvangen. Bij de bepaling van de hoogte van die tegemoetkoming is het uitgangspunt dat iemand gezien de nieuwe leefomstandigheden een redelijk bestaan kan opbouwen. Een eventuele ontneming zou dus ook door het team Getuigenbescherming betaald moeten worden. Dat is volgens het Openbaar Ministerie geen werkelijke ontneming en uit oogpunt van de Staat een vestzak-broekzak-aangelegenheid. Om die reden zal het Openbaar Ministerie geen vordering ontneming indienen voor [medeverdachte 1] . De rechtbank is van oordeel dat het Openbaar Ministerie in het licht van het geschetste kader in het ontbreken van eigen verhaalsmogelijkheden bij [medeverdachte 1] op enigszins afzienbare termijn voldoende reden heeft kunnen zien om een ontnemingsvordering niet opportuun te achten. Van een zo onbegrijpelijke beslissing dat er in feite slechts sprake kan zijn van een verkapte financiële beloning is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De verdediging heeft nog aangevoerd dat [medeverdachte 1] in het criminele circuit een miljoenenschuld heeft aan derden, en dat deze schuld hem feitelijk is kwijtgescholden omdat [medeverdachte 1] door het aangaan van de overeenkomst onvindbaar is geworden voor zijn schuldeisers. Voor zover de verdediging heeft betoogd dat op dit punt sprake is van een (verkapte) beloning, verwerpt de rechtbank dit verweer. Allereerst is niet gebleken dat de kroongetuige een juridisch afdwingbare (miljoenen)schuld heeft bij derden. Reeds daarom slaagt dit verweer niet. Los daarvan is geen sprake van enige toezegging door het Openbaar Ministerie dat deze schulden niet meer betaald zouden hoeven worden en slaagt het verweer ook daarom niet. Samenvatting en conclusie De overeenkomst met [medeverdachte 1] heeft betrekking op feiten als bedoeld in artikel 226g Sv. Het Openbaar Ministerie heeft het sluiten van de overeenkomst op goede gronden dringend noodzakelijk geacht en heeft de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit niet overschreden. Noch uit de omvang van de vervolging, noch uit de strafeis, noch uit het achterwege laten van een ontnemingsvordering kan worden afgeleid dat aan [medeverdachte 1] verboden toezeggingen zijn gedaan in ruil voor het afleggen van verklaringen. Ook in onderling verband en samenhang bezien is geen sprake van een overschrijding van de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit, zodat de verweren strekkende tot niet-ontvankelijkheid of het uitsluiten van bewijs van de verklaringen van [medeverdachte 1] op die grond niet slagen. 3.1.4 Betrouwbaarheid verklaringen kroongetuige Door diverse raadslieden is aandacht gevraagd voor de onbetrouwbaarheid van de getuige. Aangevoerd is dat [medeverdachte 1] al sinds jonge leeftijd op meerdere terreinen strafbare feiten pleegt, zoals handel in drugs en oplichtingen. Omdat hij al zijn hele leven liegt en bedriegt, is het zeer riskant om zijn verklaringen te gebruiken voor het bewijs, zeker nu [medeverdachte 1] een duidelijk eigen belang heeft bij het afleggen van zijn verklaringen, aldus de raadslieden. Alle raadslieden hebben daarnaast op inhoudelijke gronden de bruikbaarheid en de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 1] betwist. Zoals in de zaak van [medeverdachte 14] is verwoord: “De kroongetuige heeft veel vermoedens, invullingen, veronderstellingen en gevoelens en verkeerde ten tijde van de feiten waarover hij verklaart niet zelden onder invloed van verdovende middelen. Hij is na talloze verhoren door de politie, bij de rechter-commissaris en op de zitting nauwelijks meer in staat om onderscheid te maken tussen wat hij daadwerkelijk heeft meegemaakt, wat hij van derden heeft gehoord en wat hij later heeft opgepikt uit de media. De primaire bron is uiteindelijk vaak [medeverdachte 5] , die ooit iets tegen hem gezegd zou hebben, al weet hij niet meer waar, wanneer, in welke bewoordingen en in welke context.”. Andere raadslieden hebben daaraan nog toegevoegd dat de verklaringen bewust of onbewust onbetrouwbaar zijn te achten: door de wijze van verhoren, namelijk het toepassen van Neuro Linguïstisch Programmeren (NLP), het bestaan van valse herinneringen en het voeden met informatie door politie en justitie. De verklaringen kunnen daarom niet worden gebezigd voor het bewijs. In ieder geval is het volgens de raadslieden noodzakelijk om deze verklaringen met grote voorzichtigheid te benaderen. Voorwaardelijk is verzocht om nader deskundigenonderzoek te gelasten over geheugentraining, dan wel hierover een deskundige ter zitting te bevragen. Het Openbaar Ministerie heeft hiertegen het volgende aangevoerd. [medeverdachte 1] heeft in zijn kluisverklaringen slechts uit zijn eigen geheugen geput. In de vele tactische verklaringen die [medeverdachte 1] bij de verhoorders uit het onderzoek Eris heeft afgelegd, heeft [medeverdachte 1] globaal telkens hetzelfde verhaal verteld, maar vooral méér dan in zijn kluisverklaringen. Nergens is hij teruggekomen op zijn eerder afgelegde kluisverklaringen in de zin dat deze bewust onjuist zouden zijn geweest. De tactische verklaringen bevatten vooral meer details dan de kluisverklaringen, dit naar aanleiding van verhelderende vragen. Uiteindelijk is [medeverdachte 1] geconfronteerd met de onderzoeksresultaten. Soms om uit te leggen hoe zijn verklaringen passen in het beeld dat met harde onderzoeksbevindingen tot stand is gekomen, maar ook om zaken, die hij zich kennelijk niet goed herinnerde, helder te krijgen. Dat ging vaak om tijd en plaats. Zo heeft hij zich vergist of één bepaalde ontmoeting van zijn vele ontmoetingen met [medeverdachte 5] in [plaats] of [plaats] heeft plaatsgevonden en heeft hij grote moeite gehad om bepaalde gebeurtenissen in tijd goed te plaatsen. Het Openbaar Ministerie heeft tot slot opgemerkt dat als gevolg van de zeer getrapte wijze van verhoren van [medeverdachte 1] en de letterlijke uitwerking van zijn verhoren, het in elk geval helder is hoe zijn verklaringen tot stand zijn gekomen en controle ten behoeve van de bruikbaarheid van zijn verklaringen goed uitvoerbaar is. De rechtbank overweegt als volgt. Vooropgesteld wordt dat de rechtbank niet de betrouwbaarheid van de persoon van [medeverdachte 1] maar die van zijn verklaringen dient te toetsen. Een kritische benadering van de verklaringen van [medeverdachte 1] ligt voor de hand, nu hij deze heeft afgelegd als kroongetuige. Immers, het feit dat een kroongetuige van het Openbaar Ministerie een tegenprestatie krijgt in ruil voor zijn verklaringen, verschaft hem een bijzondere positie, die maakt dat zijn verklaringen met extra behoedzaamheid dienen te worden benaderd, zoals voorgeschreven in artikel 360, tweede lid Sv in verband met artikel 342, tweede lid Sv. De eis van behoedzaamheid geldt in het bijzonder waar het gaat om die verklaringen die zien op informatie die [medeverdachte 1] stelt van [medeverdachte 5] te hebben verkregen. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 11] hebben over [medeverdachte 5] immers verklaard dat hij informatie wel eens aandikte of dat hij met desinformatie strooide. Uitgangspunt is dat ‘de auditu-verklaringen’ in beginsel bruikbaar zijn voor bewijs, maar dat de verdediging wel de gelegenheid moet hebben gehad om de getuige, het liefst ter terechtzitting, te horen. Vastgesteld kan worden dat de verdediging [medeverdachte 1] ook ter zitting aan vele indringende verhoren heeft onderworpen, waarbij het aspect ‘van horen zeggen van [medeverdachte 5] ’ uitvoerig aan de orde is geweest. Het zou dan ook te ver gaan om aan de verklaringen van [medeverdachte 1] om die reden op voorhand slechts de waarde van steunbewijs toe te kennen, zeker omdat de beweerde bron van de ‘de auditu-verklaringen’, [medeverdachte 5] , zich hoofdzakelijk heeft beperkt tot het enkel ontkennen van de beweringen van [medeverdachte 1] . Op de rechtbank komt [medeverdachte 1] in zijn wijze van verklaren bij de politie en de rechter-commissaris, maar ook ter terechtzitting, zelfverzekerd, helder en in grote lijnen consistent over. Bij deze algemene positieve indruk staat voorop dat [medeverdachte 1] zichzelf heeft belast in zaken waarin hij tot op dat moment bij het Openbaar Ministerie in het geheel niet in beeld was gekomen en het gegeven dat zijn, op punten gedetailleerde, verklaringen voor een belangrijk deel ook bevestiging vinden in objectieve onderzoeksbevindingen. De rechtbank wijst hier onder meer op de bevindingen in het uitgebreide verificatie/falsificatiedossier. Wel is duidelijk gebleken dat [medeverdachte 1] grote moeite heeft met het plaatsen van gebeurtenissen in de tijd en dat hij bepaalde zaken heeft ingevuld en met elkaar verward, zoals bijvoorbeeld in de deelonderzoeken Lis en Barbera. Ook heeft [medeverdachte 1] zijn verklaringen gedurende het proces op punten moeten nuanceren, daar waar hij eerder, al dan niet ingegeven door zijn eigen overtuigingen, in al te concluderende zin had verklaard. Sommige ongerijmdheden in de verklaringen van [medeverdachte 1] zijn niet geheel opgehelderd of op andere wijze verklaarbaar gebleken. Hiervan is bijvoorbeeld sprake in de deelonderzoeken Charlie17 en Langenhorst, daar waar het de gang van zaken in aanloop naar de moord, dan wel de rol van [medeverdachte 1] zelf betreft. Ook in deze beide zaken, die in de vonnissen van de verdachten die het betreft en voor zover relevant bij de beantwoording van de vragen van 348 en 350 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) nader aan de orde komen, komt de rechtbank evenwel niet op voorhand tot de conclusie dat [medeverdachte 1] bewust niet volledig naar waarheid heeft verklaard. Ondanks de kanttekeningen die op punten bij de verklaringen van [medeverdachte 1] kunnen worden geplaatst, blijft, tegen de achtergrond van het totaal van zijn vele verklaringen in het licht van de overige onderzoeksbevindingen, het beeld van [medeverdachte 1] als een overwegend betrouwbaar verklarende getuige in stand. Uit de verbatim uitgewerkte verhoren van [medeverdachte 1] is van het toepassen van NLP, van het opwekken van valse herinneringen en het voeden van informatie in de verhoren door de politie niet gebleken, noch zijn hiervoor aanwijzingen te vinden. De rechtbank ziet dan ook geen noodzaak om hieromtrent nader deskundigenonderzoek te laten doen of een deskundige te bevragen, zodat het (voorwaardelijke) verzoek daartoe wordt afgewezen. De genoemde kanttekeningen maken wel dat de rechtbank de verklaringen van [medeverdachte 1] met de vereiste extra behoedzaamheid zal benaderen. De rechtbank geeft hieraan op de volgende wijze concreet uiting. Een verklaring van [medeverdachte 1] over het daderschap van een medeverdachte bij een tenlastegelegd feit kan in beginsel in aanzienlijke mate bijdragen aan het bewijs maar slechts dan leiden tot een veroordeling van deze medeverdachte indien er naast deze verklaring sprake is van ander zelfstandig bewijs, dus uit andere bron, dat deze verklaring in voldoende mate ondersteunt. Voor de feitelijke invulling hiervan verwijst de rechtbank naar de bespreking van de diverse deelonderzoeken. 4WAARDERING VAN HET BEWIJS EN DE CONCLUSIES VAN DE VEREDELINGEN 4.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie acht het onder 16/659028-20 primair; 16/659121-19 feit 1: nog meer meer subsidiair, feit 2: nog meer meer subsidiair, feit 4: subsidiair, feit 5: primair, feit 6: subsidiair, feit 7, feit 8: primair, 16/659031-20 subsidiair en 16/659035-20 tenlastegelegde wettig en overtuigend te bewijzen en verwijst daartoe naar de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen. De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 16/659121-19 feit 1: primair – meer meer subsidiair, feit 2: primair – meer meer subsidiair, feit 3, feit 4: primair, feit 6: primair en 16/659031-20 primair tenlastegelegde. 4.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging van [verdachte] heeft verzocht hem vrij te spreken van het onder 16/659028-20, 16/659121-19 feit 1, feit 3, feit 4, feit 5, feit 6, feit 7, feit 8, 16/659031-20 en 16/659035-20 tenlastegelegde. De daartoe gevoerde verweren komen, voor zover van belang voor de bewijswaardering, aan de orde in de overwegingen van de rechtbank. Ten aanzien van 16/659121-19 feit 2 heeft de verdediging geen verweer gevoerd. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Conclusies veredelingen en identificaties De rechtbank heeft op basis van de bewijsmiddelen en conclusies die zijn opgenomen in bijlage 3 onder meer de volgende veredelingen van PGP-namen en bijnamen vastgesteld. [verdachte] Op basis van de gebruikte bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat [verdachte] schuil ging achter de PGP-accounts ‘ [PGP gebruikersnaam verdachte 1] ’, ‘ [PGP gebruikersnaam verdachte 2] ’ en ‘ [PGP gebruikersnaam verdachte 3] ’. [verdachte] heeft uiteindelijk ter terechtzitting bekend dat hij tot medio april 2017 de gebruiker was van het account ‘ [PGP gebruikersnaam verdachte 1] ’, althans dat hij het betreffende toestel in die periode wel heeft gehad, nadat hij dit overigens aanvankelijk bij de politie zeer stellig heeft ontkend. Ook zonder deze erkenning van de zijde van [verdachte] volgt uit de gebruikte bewijsmiddelen onmiskenbaar dat [verdachte] in ieder geval tot (medio) april 2017 het PGP-account ‘ [PGP gebruikersnaam verdachte 1] ’ heeft gebruikt. De rechtbank volgt [verdachte] niet in zijn verweer dat hij sinds (medio) april 2017 niet langer schuil ging achter het account ‘ [PGP gebruikersnaam verdachte 1] ’, aangezien dit wordt weersproken door de gebruikte bewijsmiddelen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De PGP-naam ‘ [PGP gebruikersnaam verdachte 1] ’ behoort bij PGP-pin [PGP-pin] , dit blijkt uit de genoemde administratie die bij [C ] is aangetroffen en correspondeert ook met de gegevens zoals die blijken uit het PGP-toestel van [medeverdachte 1] , waarin de naam ‘ [PGP gebruikersnaam verdachte 1] ’ ook wordt genoemd met de PIN [PGP-pin] . Uit de administratie die bij [C ] is aangetroffen blijkt dat dit PGP-pinnummer in ieder geval vanaf 14 januari 2017 is gekoppeld aan het simnummer eindigend op [simnummer] , terwijl daarbij de naam ‘ [account naam] ’ en ‘ [account naam] ’ (de rechtbank begrijpt: de [straat] te [plaats] ) wordt vermeld. De rechtbank concludeert dat de simkaart eindigend op [simnummer] en behorend bij PGP-pin [PGP-pin] op enig moment na 14 januari 2017 aan [verdachte] is verstrekt. Het simnummer [simnummer] is bevraagd bij BlackBerry, waaruit bleek dat dit nummer ook geregistreerd stond met IMEI-nummer [IMEI-nummer ] (verder: [IMEI-nummer ] ) en IMSI-nummer: [simnummer] (verder: [simnummer] ), die voor het eerst is gezien op 18 april
- Uit de bewijsmiddelen volgt dat het (gewone) telefoonnummer van [verdachte] ( [telefoonnummer] ) ook in de periode vanaf 18 april 2017 veelvuldig in de directe nabijheid is van de PGP met het IMSI-nummer eindigend op [IMSI-nummer] , terwijl de beide toestellen gezamenlijk dezelfde reisbewegingen maken en gezamenlijk op dezelfde momenten (ook in de nachtelijke uren) in de directe nabijheid van de woning van [verdachte] zendmasten aanstralen. Op grond hiervan stelt de rechtbank vast dat [verdachte] ook in de periode na april 2017 gebruik heeft gemaakt van de PGP met de accountnaam ‘ [PGP gebruikersnaam verdachte 1] ’. [verdachte] heeft gesuggereerd dat niet hij, maar bijvoorbeeld iemand die vaak met hem mee reisde en/of vlak bij hem in de buurt woonde, de gebruiker van het betreffende PGP-toestel zou kunnen zijn. Deze enkele niet nader onderbouwde suggestie kan niet tot een andere conclusie leiden dan de rechtbank heeft getrokken. Naar aanleiding van vragen van de rechtbank is nog nader onderzocht of een specifieke andere persoon na half april 2017 wellicht over het PGP-toestel met de accountnaam ‘ [PGP gebruikersnaam verdachte 1] ’ heeft kunnen beschikken, maar de resultaten van dat onderzoek bieden geen aanknopingspunten dat die persoon in plaats van [verdachte] het toestel zou hebben gehad, maar versterken juist de conclusie dat [verdachte] de accountnaam ook na half april 2017 heeft gebruikt. Met betrekking tot de accountnamen ‘ [PGP gebruikersnaam verdachte 2] ’ en ‘ [PGP gebruikersnaam verdachte 3] ’ overweegt de rechtbank dat [verdachte] zich over deze accountnamen op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Uit de bewijsmiddelen volgt onmiskenbaar dat [verdachte] de gebruiker is van deze accountnamen. In de genoemde PGP-chatgesprekken tussen ‘ [PGP gebruikersnaam verdachte 3] ’ en ‘ [PGP gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] ’ (veredeld als [medeverdachte 5] ) spreekt ‘ [PGP gebruikersnaam verdachte 3] ’ van een wapen (ijzer) dat door de mannen van [medeverdachte 5] kan worden opgepikt op de [straat] te [plaats] , de straatnaam van het toenmalige woonadres van [verdachte] . Ook spreekt ‘ [PGP gebruikersnaam verdachte 3] ’ over een track (de rechtbank begrijpt: baken) onder zijn auto en schakelt [medeverdachte 5] zijn mannen in om hem daarbij te helpen. Uit onderzoek Loos naar de poging tot liquidatie van twee mannen in [plaats] bleek uit een ‘melding […] ’ dat [verdachte] op 16 februari 2018 was gecontroleerd in Spanje. Dat ‘ [PGP gebruikersnaam verdachte 2] ’ aangaf dat een baken onder zijn auto zat en dat [verdachte] op 16 februari 2018 in Spanje was, zoals in het PGP-gesprek van 10 januari 2018 door ‘ [PGP gebruikersnaam verdachte 2] ’ werd aangegeven, versterkt ook voor de rechtbank de conclusie dat ‘ [PGP gebruikersnaam verdachte 2] ’ als accountnaam door [verdachte] werd gebruikt. Bovendien blijkt uit de chats van 14 december 2017 tussen [medeverdachte 5] en ‘ [PGP gebruikersnaam B 4] ’ ook dat gesproken wordt over de situatie met ‘ [bijnaam verdachte] ’ en de track, die duidelijk verwijst naar de chats tussen ‘ [PGP gebruikersnaam verdachte 3] ’ en [medeverdachte 5] en waaruit de rechtbank afleidt dat de persoon achter het account ‘ [PGP gebruikersnaam verdachte 1] ’ dezelfde is als de persoon achter het account ‘ [PGP gebruikersnaam verdachte 3] ’. Ook de chat van 14 december 2017 waarin [medeverdachte 5] en ‘ [PGP gebruikersnaam verdachte 3] ’ spreken over hoe ze vorig jaar zijn begonnen versterkt deze conclusie. Overige verdachten De rechtbank concludeert ten aanzien van de andere verdachten het volgende: [medeverdachte 5] is de gebruiker van de PGP-accounts ‘ [PGP gebruikersnaam 2 medeverdachte 5] ’ (tussen 18 en 20 februari 2017), ‘ [PGP gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] ’, ‘ [PGP gebruikersnaam 3 medeverdachte 5] ’, ‘ [PGP gebruikersnaam 4 medeverdachte 5] ’ en [PGP gebruikersnaam 5 medeverdachte 5] (deelonderzoek Goudvink); [medeverdachte 6] is de gebruiker van het PGP-account ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 6] ’; [medeverdachte 12] is de gebruiker van het PGP-account ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 12] ’ en [medeverdachte 12] heeft de bijnamen ‘ [bijnaam medeverdachte 12] ’ en ‘ [bijnaam medeverdachte 12] ’; [medeverdachte 11] is van 22 tot en met 24 februari 2017 de gebruiker van het PGP-account ‘ [PGP gebruikersnaam 2 medeverdachte 5] ’ en [medeverdachte 11] heeft de bijnamen ‘ [bijnaam medeverdachte 11] ’/‘ [bijnaam medeverdachte 11] ’; [medeverdachte 9] is van 14 maart 2017 tot en met 17 maart 2017 de gebruiker van het PGP-account ‘ [PGP gebruikersnaam 2 medeverdachte 5] ’ en [medeverdachte 9] heeft de bijnaam ‘ [bijnaam medeverdachte 9] ’. 4.3.2 Eend De rechtbank leidt uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen de volgende gang van zaken af. 4.3.2.1 De aangetroffen chats Op 2 februari 2017 vindt er een PGP-chatgesprek plaats tussen ‘ [PGP gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] ’, veredeld als [medeverdachte 5] , en ‘ [PGP account medeverdachte 5] ’. Dit account is niet veredeld. ‘ [PGP account medeverdachte 5] ’ stuurt in dit gesprek aan [medeverdachte 5] “Sportschool adres [adres] in [plaats] sir . Huis adres is [adres] ”. Op 4 februari 2017 stuurt ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 6] ’, veredeld als [medeverdachte 6] , naar [medeverdachte 5] “Is zijn gym trouwens sir !”. Vervolgens stuurt [medeverdachte 6] een bericht van ‘ [PGP gebruikersnaam verdachte 1] ’, veredeld als [verdachte] , door dat afkomstig is van het account ‘ [PGP gebruikersnaam B 2] ’, waarvan zich in het dossier aanwijzingen bevinden dat dit account kan worden veredeld als [B] . Hierin staat: “Hy sluit hem vaak af alleen”. [medeverdachte 6] stuurt daarna naar [medeverdachte 5] dat hij een klein moment moet hebben en dat [medeverdachte 6] zo alles zal doorsturen. Uit het dossier van de deelonderzoeken Mus, Kraai, Duif en Spreeuw blijkt dat er op 18 en 19 februari 2017 eveneens een PGP-chatgesprek plaatsheeft tussen een account veredeld als [medeverdachte 5] , ‘ [PGP gebruikersnaam 2 medeverdachte 5] ’, en [medeverdachte 6] waar min of meer op eenzelfde wijze informatie wordt gedeeld over personen (‘ [naam 2] ’, ‘ [naam 2] ’, ‘ [slachtoffer 22] ’ en ‘ [naam 2] en [naam 2] ’) die moeten worden geliquideerd. Op 26 februari 2017 stuurt [verdachte] de berichten “In die porsche ryd zyn vriendin vaak klopt” en “ [PGP gebruikersnaam B 1] dat is die man precies op die foto die u stuurde” door van ‘ [PGP gebruikersnaam B 2] ’. [medeverdachte 5] reageert daarop door te stellen dat hij dan genoeg weet. Naar de inhoud van bovengenoemde gesprekken is nader onderzoek gedaan. Hieruit is gebleken dat in februari 2017 op de [adres] in de [plaats] een democenter was gevestigd van de sportschool [sportschool 1] . De uiteindelijke belanghebbende van deze sportschool is [slachtoffer 2] . Ook had [slachtoffer 2] in februari 2017 een relatie met [D] . Zij woonde in 2017 op de [adres] te [plaats] . Deze [D] had van 17 april 2015 tot 25 februari 2017 een Porsche Panamera op haar naam staan. Voorts bleek uit onderzoek naar de onder [medeverdachte 5] inbeslaggenomen Acer-laptop dat hier verschillende afbeeldingen op staan van [slachtoffer 2] . 4.3.2.2 De rol van [verdachte] De rechtbank leidt uit de gebezigde bewijsmiddelen onder meer af dat [medeverdachte 5] is uitgelokt tot het liquideren van [slachtoffer 2] doordat aan hem berichten zijn gestuurd waarin informatie over [slachtoffer 2] wordt gedeeld. De rechtbank overweegt over de strafbare betrokkenheid van [verdachte] het volgende. Uit de bewijsmiddelen volgt dat aanvankelijk op 2 februari 2017 ene ‘ [PGP account medeverdachte 5] ’ via een PGP-toestel informatie aan [medeverdachte 5] verschaft over een persoon die is veredeld als [slachtoffer 2] , namelijk het adres van zijn sportschool en zijn huisadres. Op 4 februari 2017 stuurt [medeverdachte 6] informatie aan [medeverdachte 5] over [slachtoffer 2] , namelijk “Is zijn gym trouwens sir !”. Daarmee geeft [medeverdachte 6] kennelijk aan [medeverdachte 5] informatie over de sportschool van [slachtoffer 2] . Aansluitend stuurt [medeverdachte 6] nadere informatie aan [medeverdachte 5] , namelijk dat ‘hij’ – de rechtbank begrijpt dit als [slachtoffer 2] – zijn gym vaak alleen afsluit. Dit bericht is afkomstig van een account van vermoedelijk [B] , die dit bericht naar [verdachte] heeft gestuurd, terwijl [verdachte] dit bericht op zijn beurt aan [medeverdachte 6] heeft gestuurd. Aansluitend bericht [medeverdachte 6] aan [medeverdachte 5] dat hij nog even een moment moet hebben en dat [medeverdachte 6] zo alles door zal sturen. Op 26 februari 2017 stuurt [verdachte] een bericht van vermoedelijk [B] over de auto waarin de vriendin van [slachtoffer 2] rijdt en een tekst over een foto, althans de bevestiging dat ‘dat de man op de foto is die u stuurde’. Aangezien op gegevensdragers bij [medeverdachte 5] foto’s van [slachtoffer 2] zijn aangetroffen, acht de rechtbank aannemelijk dat [medeverdachte 5] een foto heeft gezonden aan de organisatie van vermoedelijk [B] en dat daarnaar verwezen wordt. Op dat moment antwoordt [medeverdachte 5] dat hij genoeg weet. De rechtbank overweegt dat dit het moment is waarop de uitlokking van [medeverdachte 5] is voltooid. [medeverdachte 5] weet dan immers genoeg en heeft daarmee zijn wil om de moord op [slachtoffer 2] te gaan organiseren bepaald. Dat de informatie die [medeverdachte 6] , [verdachte] , de persoon achter ‘ [PGP account medeverdachte 5] ’ en vermoedelijk [B] aan [medeverdachte 5] hebben verschaft daadwerkelijk betrekking heeft op het voornemen om [slachtoffer 2] te vermoorden, staat voor de rechtbank buiten kijf. De informatie-uitwisseling moet immers gezien worden in de context van de andere contacten die [medeverdachte 6] en/of [verdachte] , [medeverdachte 5] en vermoedelijk [B] met elkaar hadden in de deelonderzoeken Mus, Kraai, Duif en Spreeuw en die de rechtbank duidt als onmiskenbaar betrekking hebbend op voorgenomen liquidaties, waarbij ook regelmatig is gesproken over bedragen die betaald zouden worden indien deze voorgenomen liquidaties uitgevoerd zouden worden. Bovendien blijkt ook uit het latere berichtenverkeer tussen [medeverdachte 5] en vermoedelijk [B] dat [medeverdachte 5] de opdracht tot liquidatie heeft aanvaard, nu hij immers in die berichten verslag doet van de acties die hij tot dat moment heeft ondernomen en waarin hij opmerkt dat [slachtoffer 2] nog een keer gefilmd moet worden en dat er daarna ‘actie’ is. De rechtbank volgt de verdediging van [verdachte] niet in het verweer dat [verdachte] ‘geen intellectueel eigenaar’ is van de berichten die hij doorstuurde en dat hij slechts de doorgever was van berichten. Uit de bovengenoemde context van het deelonderzoek Mus, waarbij de rechtbank strafbare betrokkenheid van [verdachte] aanneemt, blijkt zonder meer dat [verdachte] weet had van de betekenis van de berichten die hij (door)zond, namelijk dat die betrekking hadden op een voorgenomen liquidatie, zodat hij willens en wetens bijgedragen heeft aan de uitlokking van [medeverdachte 5] . De rechtbank heeft tot slot overwogen dat in deze fase van de samenwerking de communicatie tussen vermoedelijk [B] en [medeverdachte 5] nog niet rechtstreeks plaatsvond maar verliep via [verdachte] en [medeverdachte 6] , zodat [verdachte] en [medeverdachte 6] een belangrijke schakel waren in het contact met de opdrachtgever. Op grond daarvan is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte 6] en vermoedelijk [B] , waarbij de bijdrage van [verdachte] van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen. Uit het voorgaande volgt ook dat er bij [verdachte] evident sprake is geweest van voorbedachte raad. Nu de moord destijds echter niet is uitgevoerd, acht de rechtbank op grond van het bovenstaande het tenlastegelegde medeplegen van poging tot uitlokking van medeplegen van moord op [slachtoffer 2] wettig en overtuigend bewezen. 4.3.3 Mus De rechtbank leidt uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen de volgende gang van zaken af. 4.3.3.1 De aangetroffen chats Op 18 februari 2017 vindt er een PGP-chatgesprek plaats tussen ‘ [PGP gebruikersnaam 2 medeverdachte 5] ’, veredeld als [medeverdachte 5] , en ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 6] ’, veredeld als [medeverdachte 6] . [medeverdachte 5] vraagt aan [medeverdachte 6] : “wie zoek je” en “wat staat op (…) hoofd sir !!”. [medeverdachte 6] antwoordt dat hij “70 de hoofd geeft” met “onze yzers en fietsen”. De kroongetuige heeft verklaard dat met ‘70 de hoofd’ € 70.000,- per liquidatie wordt bedoeld en dat met ‘yzers’ en ‘fietsen’ vuurwapens en auto’s worden bedoeld. [medeverdachte 5] antwoordt aan [medeverdachte 6] dat hij de service van de organisatie goed vindt. Verder wordt nog besproken dat [medeverdachte 5] “niets aan vijanden verkoopt alleen de dood. Alleen de dood” en dat hij “wist dat er oorlogskast was”, waarop [medeverdachte 6] antwoordt dat “die kast leeg moet op hun allemaal” en dat de kas(t) “nog laaaaaaang niet leeg is”. [medeverdachte 6] noemt dat ze “ratten moeten bestrijden broer” en vraagt “we zijn 1 team toch sir ?”. [medeverdachte 5] antwoordt hierop: “Jaaa” en “Meer dan 1”. De rechtbank leidt hieruit af dat [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] via de chat verder aan het verkennen zijn wat zij voor elkaar kunnen betekenen en dat het daarbij om het liquideren van personen gaat. Ook leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 6] daarbij zorgt dat er vuurwapens en auto’s beschikbaar zijn en dat hij geld in het vooruitzicht stelt. Uit het chatgesprek van 19 februari 2017 tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] blijkt dat een ‘soldaat’ van [medeverdachte 5] ook daadwerkelijk een ‘yzer’ bij [medeverdachte 6] heeft opgehaald. [medeverdachte 5] geeft hiervan een ontvangstbevestiging aan [medeverdachte 6] . In het vervolg van het chatgesprek van 18 februari 2017 worden door [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] personen besproken die worden gezocht. Eén van die personen wordt “ [slachtoffer 22] ”, “ [slachtoffer 22] ” of “ [slachtoffer 22] ” genoemd. Deze persoon zou rijden in een witte Volkswagen Polo met het kenteken [kenteken] . Uit de politiesystemen blijkt dat [slachtoffer 22] in 2017 meermalen in een auto met dit kenteken is gecontroleerd. [medeverdachte 5] vraagt aan [medeverdachte 6] of hij “ [slachtoffer 22] wil”. [medeverdachte 6] antwoordt hierop met “Ja graag!”. [medeverdachte 5] vraagt vervolgens voor “hoeveel” en zegt dat ‘ [slachtoffer 22] ’ “heeel dichtbij is” en “zeg met wat je met hem wilt en de prijs kan komende week”. [medeverdachte 6] antwoordt “Laats wou hem lokken maar ging mis hij kwam met gepantserde wagen en nog aanhang met andere auto’s en die head was alleen hij zou ook zelf rijden!”. De kroongetuige heeft verklaard dat met ‘head’ schutter wordt bedoeld. [medeverdachte 6] noemt vervolgens de prijs waar [medeverdachte 5] om vraagt: “Als je hem dit weekend nog of maandag geef ik je 80 snel zonder gezeik!!!”. [medeverdachte 5] antwoordt: “Ok”, “Maak er werk van” en “Ik hou je op de hoogte”. [medeverdachte 6] geeft nog mee dat het ook top is als [medeverdachte 5] hem in de fiets kan verbranden. Op 19 februari 2017 overdag en aan het begin van de avond stuurt [medeverdachte 6] naar [medeverdachte 5] een aantal berichten van ‘ [PGP gebruikersnaam verdachte 1] ’, veredeld als [verdachte] , door, al dan niet eerst doorgestuurd van het account ‘ [PGP gebruikersnaam B 3] ’. In het dossier bevinden zich aanwijzingen dat dit account kan worden veredeld als [B] . Deze berichten luiden: “ [PGP gebruikersnaam verdachte 1] [02/19/2017 @ FW: [PGP gebruikersnaam B 3] 15.20] En sir fiets in de fik met die hond erin beste geen fouten sir ”, “ [PGP gebruikersnaam verdachte 1] [02/19/2017 @ 15.52] Hahahaha ok heel sterk bro mensen naar ons hart zijn dit” en “ [PGP gebruikersnaam verdachte 1] [02/19/2017 @ 15.51] Laat m aub vndg slapen zou mooi zijn”. [medeverdachte 6] stuurt naar [medeverdachte 5] dat “iedereen jullie begint te mogen broer is alleen maar goed teken!”. Een paar uur later vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 6] “Bro hoe bgaat t met [slachtoffer 22] hou me op de hoogte zien ze m vndg”. [medeverdachte 6] heeft dit doorgestuurd naar [medeverdachte 5] . Als [medeverdachte 5] hierop stuurt dat ze “al goed contact met degene die mee gaat helpen” hebben en dat “hij hem nu in positie moet zetten” antwoordt de persoon die vermoedelijk [B] is via de accounts van [verdachte] en [medeverdachte 6] “Met gods wil sir whoooooooppppp (…) ooooooooooooooooppppp dat wil ik horen whoooppppppp whooooppppp Jij ook bedankt bro!”. Om 23.47 uur laat [medeverdachte 5] aan [medeverdachte 6] weten dat “hij er vandaag niet was”, dat “de mensen die hem rijden en thuiszetten ons gaan seinen” en “dus nog heel even geduld iedereen staat klaar”. [medeverdachte 5] laat [medeverdachte 6] weten dat hij naar huis gaat, maar dat hij er “morgen weer op is”, “hij (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 22] ) zit al in de net… nu timeren” en “je voelt me.deze gaat nergens dan naar boven”. De rechtbank leidt hieruit af dat zowel [medeverdachte 6] als [verdachte] betrokken zijn bij de opdracht aan [medeverdachte 5] tot het liquideren van [slachtoffer 22] en dat [medeverdachte 5] aan beiden verslag uitbrengt over de voortgang. 4.3.3.2 De rol van [verdachte] De rechtbank leidt uit de gebezigde bewijsmiddelen onder meer af dat [medeverdachte 5] is uitgelokt tot het liquideren van [slachtoffer 22] doordat aan hem berichten zijn gestuurd waarin informatie over [slachtoffer 22] wordt gedeeld. De rechtbank overweegt over de strafbare betrokkenheid van [verdachte] het volgende. [verdachte] heeft in een reeks chatberichten tussen hem en [medeverdachte 6] , die onmiskenbaar over uit te voeren liquidaties gingen, gevraagd naar de voortgang van de voorgenomen liquidatie van [slachtoffer 22] , berichten van de opdrachtgever, vermoedelijk [B] doorgestuurd en aanwijzingen met betrekking tot deze voorgenomen liquidatie doorgegeven aan [medeverdachte 6] . De rechtbank acht bewezen dat [verdachte] zich samen met [medeverdachte 6] schuldig heeft gemaakt aan deze uitlokking. [medeverdachte 6] heeft immers in een reeks chatberichten tussen hem en [medeverdachte 5] laten weten dat hij [slachtoffer 22] wilde, daarbij ook de prijs voor deze voorgenomen liquidatie genoemd aan [medeverdachte 5] en duidelijk gemaakt wanneer hij wilde dat de liquidatie plaats zou vinden. Bovendien heeft iemand namens [medeverdachte 5] een wapen ten behoeve van de liquidatie bij [medeverdachte 6] gehaald. Ook heeft [medeverdachte 6] voornoemde berichten van [verdachte] doorgezonden aan [medeverdachte 5] . De rechtbank heeft daarbij overwogen dat in deze fase van de samenwerking de communicatie tussen vermoedelijk [B] en [medeverdachte 5] nog niet rechtstreeks plaatsvond maar verliep via [verdachte] en [medeverdachte 6] , zodat [verdachte] en [medeverdachte 6] een belangrijke schakel waren in het contact met de opdrachtgever. Op grond daarvan is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte 6] en vermoedelijk [B] , waarbij de bijdrage van [verdachte] van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen. Door de verdediging van [verdachte] is aangevoerd dat – voor zover de genoemde berichten al aan [verdachte] kunnen worden toegeschreven – daaruit niet kan volgen dat hij de moord op [slachtoffer 22] (mede) heeft uitgelokt. Daartoe zou zijn bijdrage te gering zijn en bovendien zou [medeverdachte 5] al zijn uitgelokt door ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 6] ’ op het moment dat de berichten die aan [verdachte] worden toegeschreven zouden zijn verzonden. De rechtbank verwerpt dit verweer. De berichten van [verdachte] zoals die uit de gebruikte bewijsmiddelen blijken, dragen significant bij aan de uitlokking van [medeverdachte 5] , zij bevatten immers aanwijzingen met betrekking tot het tijdstip en de wijze waarop de liquidatie moet plaatsvinden. Tenslotte overweegt de rechtbank dat er geen enkele aanleiding is om te veronderstellen dat de berichten die door de rechtbank aan [verdachte] worden toegeschreven niet van zijn hand zouden zijn dan wel niet door hem zouden zijn doorgezonden. De verdediging heeft haar stelling dat de berichten mogelijk achteraf zijn aangepast door derden niet onderbouwd. Uit het voorgaande volgt ook dat er bij [verdachte] evident sprake is geweest van voorbedachte raad. Nu de moord destijds niet is uitgevoerd, acht de rechtbank op grond van het bovenstaande het tenlastegelegde medeplegen van poging tot uitlokking van medeplegen van moord op [slachtoffer 22] wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal [verdachte] vrijspreken van het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde. Omdat in strafrechtelijke zin geen sprake is geweest van een begin van uitvoering van de liquidatie, geldt dat de voor deze varianten van de tenlastelegging vereiste poging tot moord niet bewezenverklaard kan worden. 4.3.4 Barbera De rechtbank leidt uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen de volgende gang van zaken af. Daarbij merkt de rechtbank op dat zij de verklaringen van [medeverdachte 1] voor dit deelonderzoek buiten beschouwing zal laten. De verweren die de verdediging op dat punt heeft gevoerd, kunnen daarom onbesproken blijven. 4.3.4.1 Uitlokken van de liquidatie Op 6 maart 2017 vindt er een PGP-chatgesprek plaats tussen ‘ [PGP gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] ’, veredeld als [medeverdachte 5] en ‘ [PGP gebruikersnaam verdachte 1] ’, veredeld als [verdachte] . [verdachte] vraagt aan [medeverdachte 5] of ‘ze die man in [plaats] willen doen’. [medeverdachte 5] antwoordt hierop bevestigend. [verdachte] geeft [medeverdachte 5] te kennen dat hij het op gaat zetten. [medeverdachte 5] laat aan [verdachte] weten dat ze klaar staan. Het eerste PGP-chatgesprek waaraan [medeverdachte 6] deelneemt dateert van 9 maart 2017 om 21.42 uur, op het moment dat duidelijk is dat de voorgenomen liquidatie van [slachtoffer 10] is mislukt. De rechtbank leidt uit de inhoud van deze chats en uit de inhoud van nadien gevoerde chats af dat [medeverdachte 6] samen met [verdachte] de opdracht heeft gegeven tot de liquidatie en overweegt daartoe het volgende. Allereerst blijkt uit het chatgesprek dat vanaf 9 maart 2017 om 21.42 uur wordt gevoerd dat [medeverdachte 6] op de hoogte was van de voorgenomen liquidatie van [slachtoffer 10] . [medeverdachte 6] zegt tegen [medeverdachte 5] dat het niet mis mag gaan. [medeverdachte 5] antwoordt hierop dat [medeverdachte 6] ‘ [verdachte] ’ het moet laten uitleggen. [medeverdachte 5] stuurt vervolgens naar [verdachte] dat hij het ‘ [medeverdachte 6] ’ moet uitleggen. [medeverdachte 5] laat nog wel aan [medeverdachte 6] weten dat hij vindt dat de ‘tata’ het niet goed heeft gedaan en hij vraagt zich af hoe dat kan terwijl ‘jullie’ hem betalen. [medeverdachte 5] geeft vervolgens aan naar de ‘heads’ te gaan om ze te bedaren. Een paar uur na de mislukte liquidatie vraagt [medeverdachte 5] aan [verdachte] wat hij de ‘heads’ kan zeggen. [verdachte] antwoordt hierop dat er morgen wat ‘pap’ (de rechtbank begrijpt: geld) wordt gestuurd voor de moeite en dat [medeverdachte 5] dat dan met [verdachte] kan delen. [medeverdachte 5] vindt dit goed. In de nacht van 10 op 11 maart 2017 vraagt [medeverdachte 5] aan [medeverdachte 6] wat het adres is. [medeverdachte 6] antwoordt hierop “ [straat] kruising [straat] ”. [medeverdachte 5] zegt tegen [medeverdachte 6] dat hij iemand stuurt en geeft vervolgens dat adres aan [N] door. [medeverdachte 6] vraagt aan [medeverdachte 5] of het klopt dat ‘ [bijnaam verdachte] ’ 35 heeft afgesproken. [medeverdachte 5] antwoordt hierop “Ja ik zei voor jullie 2
- Geef ik heads de rest”. [medeverdachte 5] laat aan [medeverdachte 6] weten dat de persoon die hij heeft gestuurd er staat. [medeverdachte 6] antwoordt om 00.25 uur dat hij het al heeft gegeven. [N] is die nacht om 00.05 uur door de politie op de [straat] te [plaats] gecontroleerd. In hetzelfde gesprek vraagt [medeverdachte 5] aan [medeverdachte 6] of [medeverdachte 6] het redelijk vindt. [medeverdachte 6] antwoordt dat dit de eerste keer is en “die man heeft nog niet van je gehoord maar zodra er progres volgt zal je zien heb het je al eens verteld geef me 2 snel en je zal geen geld problemen hebben broer!” Vervolgens antwoordt [medeverdachte 5] : “Dank voor het gebaar mijn broer. We staan aan je zij. Sorry dat we je niet konden geven wat je hoorde te krijgen, maar ik hoop dat er nog een kans volgt om deze voor u naar Satan te sturen.. gr mijn broer”. Uit een chatbericht tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] van 18 februari 2017 blijkt dat er voor een geslaagde liquidatie € 70.000.- aan [medeverdachte 5] wordt betaald door de organisatie waar [medeverdachte 6] deel van uitmaakte. Uit het feit dat [medeverdachte 5] in het deelonderzoek Barbera geld krijgt voor de moeite, leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 5] ook voor de moord op het beoogde slachtoffer een geldbedrag in het vooruitzicht is gesteld. De rechtbank leidt uit bovengenoemde feiten en omstandigheden af dat [verdachte] en [medeverdachte 6] gezamenlijk [medeverdachte 5] hebben geprobeerd te bewegen tot het liquideren van het beoogde slachtoffer door [medeverdachte 5] een geldbedrag in het vooruitzicht te stellen. Uit hetgeen de rechtbank hierna overweegt met betrekking tot de uitvoering van de liquidatie, blijkt dat in het kader van de uitlokking ook aan [medeverdachte 5] is verteld wat de verblijfplaats van het slachtoffer zou zijn op het moment van de voorgenomen liquidatie, dat het over een Marokkaanse man uit [plaats] gaat die [slachtoffer 10] heet, die lang en kaal is en die in een auto van het merk Mazda rijdt. 4.3.4.2 Het beoogde slachtoffer In de politiesystemen gaven de zoektermen ‘ [slachtoffer 10] , ‘ [plaats] ’ en ‘Mazda’ een hit op [slachtoffer 10] . [slachtoffer 10] heeft van 24 januari 2017 tot en met 26 november 2018 een Mazda op naam gehad. In 2017 was hij kaal en hij is 1.80 meter lang. [slachtoffer 10] heeft zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit en wordt al jaren in verband gebracht met de handel in harddrugs. De rechtbank leidt op basis van het voorgaande af dat het aannemelijk is dat [slachtoffer 10] het doelwit van de beoogde liquidatie op 9 maart 2017 was. 4.3.4.3 Plaats van de voorgenomen moord Op 4 maart 2017 heeft [medeverdachte 5] aan [medeverdachte 18] gevraagd wat het adres is van café [café 1] en of dit café nog open is voor publiek of dat het dicht is. Café [café 1] was gelegen aan de [adres] te [plaats] . In dit café werden tot januari 2017 de clubbijeenkomsten van de afdeling [plaats] van [motorclub] gehouden. In de avond van 9 maart 2017 heeft [medeverdachte 5] contact met [medeverdachte 2] (die geen verdachte is in dit onderzoek). Om 19.33 uur laat [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 5] weten dat hij thuis is op de [adres] te [plaats] en dat dat vlakbij het café is. [medeverdachte 2] vraagt aan [medeverdachte 5] wat ze rijden en of hij thuis of bij het café moet wachten. [medeverdachte 5] antwoordt hierop dat [medeverdachte 2] ze vanzelf ziet en dat hij thuis op ze moet wachten. Om 20.42 uur vraagt [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 5] of hij al wat weet. [medeverdachte 5] antwoordt hierop om 20.45 uur dat [medeverdachte 2] moet wachten. Daarna vinden er nog (al dan niet gemiste) telefoonoproepen plaats tussen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] . Daarvan is de inhoud niet bekend geworden. Uit de hierna te noemen chatberichten tussen [medeverdachte 5] en [verdachte] blijkt dat het beoogde doelwit ook bij een café zou komen. De rechtbank leidt uit deze feiten en omstandigheden af dat het de bedoelding was dat [slachtoffer 10] op de avond van 9 maart 2017 in of in de nabijheid van café [café 1] te [plaats] zou worden geliquideerd. 4.3.4.4 De voorbereidingshandelingen voor de (mislukte) liquidatie 4.3.4.4 Gebruik van de PGP-telefoon door [medeverdachte 5] Op 9 maart 2017 vanaf 20.28 uur hebben [medeverdachte 5] en [verdachte] contact via de PGP. Uit de chatberichten valt op te maken dat er iets te gebeuren staat. [verdachte] stuurt namelijk een bericht van ‘ [PGP gebruikersnaam B 2] ’, vermoedelijk [B] , door met de inhoud “ [PGP gebruikersnaam B 1] , het kan zijn dat hij daar eerder is om te kijken weet maar nooit”. Om 20.41 uur stuurt [verdachte] aan [medeverdachte 5] dat “hij er is”. Om 20.43 uur laat PGP-account ‘ [PGP-account] ’ via PGP-account ‘ [PGP-account] ’ via ‘ [PGP gebruikersnaam B 2] ’ via [verdachte] aan [medeverdachte 5] weten dat hij om 9 uur exact naar binnen loopt. ‘ [PGP gebruikersnaam B 2] ’ zegt daarover “Dus hy staat daar gewoon sir 9uur gaat ie na binnen dus als ze zyn auto zien hem erin doen direct” en “Dus laat heads goed kyken hy moet daar zyn nu in auto sir 9uur gaat ie na binnen”. [verdachte] zegt tegen [medeverdachte 5] dat ze ready moeten staan. De rechtbank leidt uit de inhoud van de berichten en het gebruik van het woord ‘heads’ af dat PGP-account ‘ [PGP-account] ’ het doelwit is dat om 9 uur ergens zou komen en dat vervolgens moest worden geliquideerd. Uit het vervolg van het chatgesprek blijkt dat [medeverdachte 5] in de minuten daarna meermalen aangeeft dat ze nog niets zien en dat hij meermalen vraagt of ‘ze’ binnen zijn. [verdachte] benadrukt daarop dat ‘ [PGP-account] ’ heeft aangegeven dat hij exact 21 uur naar binnen loopt, dus nog niet binnen is en dat hij in de omgeving moet staan. [medeverdachte 5] noemt dat er ‘popo’ (de rechtbank begrijpt: politie) in de buurt is en dat ‘ze’ er niet meer lang kunnen staan. [verdachte] antwoordt daarop dat ze zich dan moeten focussen en dat ze niet weg kunnen gaan. Om 21.06 uur stuurt ‘ [PGP-account] ’ via ‘ [PGP-account] ’ via ‘ [PGP gebruikersnaam B 2] ’ via [verdachte] dat de “tent gesloten is”. [verdachte] stuurt ook nog het volgende bericht van ‘ [PGP gebruikersnaam B 2] ’ door: “Hé deze kanker heads zitten te kanker deze man gaat zo weg en weer niks hy is daar al 25min”. Om 21.09 uur stuurt [verdachte] naar [medeverdachte 5] : “ [PGP gebruikersnaam B 1] die café gesloten”. Om 21.08 uur krijgt [medeverdachte 5] van [verdachte] de opdracht om te kijken waar die ‘wagi’ (de rechtbank begrijpt: auto) staat. Dit moet een Mazda zijn. Volgens [verdachte] moeten ‘ze’ rijden om de Mazda te zoeken “want man gaat [bijnaam medeverdachte 12] 10 min weg”. Om 21.21 uur stuurt ‘ [PGP-account] ’ via ‘ [PGP-account] ’ via ‘ [PGP gebruikersnaam B 2] ’ via [verdachte] naar [medeverdachte 5] “Ik ben weg hier”. Uit dit laatste bericht en het vervolg van het chatgesprek leidt de rechtbank af dat het kennelijk niet gelukt is om deze persoon te liquideren. Ook na dit moment heeft [medeverdachte 5] nog contact met [verdachte] om te bespreken waarom het niet is gelukt. Op de onder [medeverdachte 5] aangetroffen filmpjes van PGP-gesprekken is te zien dat vanaf 21.42 uur ook [medeverdachte 6] met [medeverdachte 5] gaat chatten. De rechtbank leidt uit het bovenstaande af dat [medeverdachte 5] een PGP-telefoon in zijn bezit heeft gehad, die bedoeld was om gebruikt te worden bij de uitvoering van de moord op [slachtoffer 10] , te weten het doorgeven van het moment waarop het beoogde slachtoffer ter plaatse zou zijn en het onderhouden van contact over de uitvoering. 4.3.4.4.2 Beoogde uitvoerders van de moord en gebruik bestelbus Uit de telecomgegevens van 9 maart 2017 blijkt dat [medeverdachte 5] ten tijde van het ter plaatse komen van het doelwit en het hierover chatten met [verdachte] voornamelijk telefonisch contact had of probeerde te hebben met [medeverdachte 9] . Dit is het geval om 20.42 uur, 20.43 uur, 20.49 uur, 20.52 uur, 21.01 uur, 21.10 uur, 21.14 uur en 21.17 uur. Om 21.18 uur straalde een toestel van [medeverdachte 9] aan op de mast [adres] in [plaats] . In het chatgesprek van 9 maart 2017 stuurt [verdachte] om 21.08 uur “Stuur is foto van ingang van cafe”. [medeverdachte 5] antwoordt met “Ze zitten ervoor in bus”. Op 17 maart 2017, acht dagen na het moment van deze mislukte liquidatie, worden [medeverdachte 11] , [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] aangehouden. [medeverdachte 10] heeft dan een sleutel van een Volkswagen Caddy, een bestelbus, bij zich. De Caddy is in de nacht van 7 op 8 maart 2017, twee dagen voor de mislukte liquidatie van [slachtoffer 10] , in [plaats] gestolen. In het navigatiesysteem van deze Caddy stond het adres [straat] de [plaats] . De eigenaar heeft verklaard dit adres als enige van de adressen niet te hebben ingevoerd. In de nacht van 8 op 9 maart 2017 hebben [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] WhatsApp-contact met elkaar en gaat het erover of [medeverdachte 9] een sleutel aan [medeverdachte 10] heeft gegeven. [medeverdachte 10] geeft aan de sleutel te hebben. [medeverdachte 9] noemt nog dat als [medeverdachte 10] ernaar gevraagd wordt, hij moet zeggen dat [medeverdachte 9] de sleutel heeft. Over de inhoud van deze berichten hebben [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] geen aannemelijke verklaring afgelegd. Gelet op alle overige feiten en omstandigheden in dit dossier, in onderlinge samenhang bezien, gaat de rechtbank er daarom van uit dat het hier gaat om de sleutel van de bestelbus. Uit de telecomgegevens van 9 maart 2017 blijkt dat [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] in de ochtend met elkaar hebben afgesproken. [medeverdachte 10] appt om 10.09 uur naar [medeverdachte 9] dat hij nu de deur uit is. Om 10.38 uur laat [medeverdachte 9] aan [medeverdachte 10] weten dat [medeverdachte 10] “gewoon voor kan parkeren” en dat hij dan naar [medeverdachte 9] toe moet komen. Om 18.35 uur straalde een toestel van [medeverdachte 10] aan op de mast aan de [adres] te [plaats] . Zoals eerder genoemd, straalde een telefoon van [medeverdachte 9] kort na het moment van de beoogde liquidatie ook op deze mast aan. Om 01.27 uur straalde een telefoon van [medeverdachte 10] aan op de mast [adres] te [plaats] . Deze mast bevindt zich in de nabije omgeving van de woning van [medeverdachte 5] aan de [adres] te [plaats] . Uit de telecomgegevens die zich in het dossier bevinden blijkt niet dat [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] zich op de avond van 9 maart 2017 op enig moment in de nabijheid van café [café 1] hebben bevonden. De verdediging van [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] heeft gesteld dat dit tot vrijspraak zou moeten leiden . In dat verband hebben zij mede aangevoerd dat [medeverdachte 10] en [medeverdachte 9] ook op andere avonden in de betreffende periode in [plaats] waren waarbij hun telefoons de zendmast aan de [adres] aanstraalden. Uit het enkele feit dat zij ook op de avond van 9 maart 2017 in [plaats] waren, kan dus geen betrokkenheid bij het tenlastegelegde worden afgeleid, aldus de verdediging. De rechtbank acht op basis van de telecomgegevens met betrekking tot (het tijdstip van) de contacten tussen [medeverdachte 9] en [medeverdachte 5] , de feiten en omstandigheden met betrekking tot de bestelbus en het feit dat [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] de avond na de mislukte liquidatie samen naar [medeverdachte 5] zijn gereden, in samenhang met het feit dat zij die avond in [plaats] waren, voldoende aannemelijk dat zij betrokken waren bij de uitvoering van het plan om [slachtoffer 10] van het leven te beroven. Dat zij op andere avonden in die periode ook in [plaats] waren, is gelet op het overige belastende bewijsmateriaal niet van doorslaggevend belang. De rechtbank gaat er op basis van het voorgaande van uit dat [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] de beoogde schutters zouden zijn bij de liquidatie van [slachtoffer 10] en dat [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] eerder genoemde bestelbus voorhanden hebben gehad om te gebruiken bij de voorgenomen liquidatie van [slachtoffer 10] . De rechtbank heeft daarbij gelet op het gegeven dat [medeverdachte 5] op het moment van de beoogde liquidatie veelvuldig chatcontact had met [verdachte] en later ook [medeverdachte 6] over de uitvoering van de liquidatie en dat [medeverdachte 5] op datzelfde moment met zijn normale telefoontoestel continu contact zocht of heeft gehad met [medeverdachte 9] . 4.3.4.5 Alternatief scenario Voor zover de verdediging zich op het standpunt stelt dat verdachten moeten worden vrijgesproken omdat de inhoud van de PGP-chats niet overeenkomt met de werkelijke gang van zaken, wordt dit verweer weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen. De rechtbank zal de daartoe strekkende verweren daarom verder onbesproken laten. 4.3.4.6 De rol van verdachten [medeverdachte 6] , [verdachte] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] De rechtbank overweegt dat uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] zich in [plaats] bevonden ter uitvoering van het plan om [slachtoffer 10] van het leven te beroven. Uit het dossier kan echter niet worden afgeleid dat zij al tot een strafbaar begin van uitvoering waren gekomen. De rechtbank zal [medeverdachte 6] , [verdachte] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] daarom vrijspreken van alle feiten waarbij een pogingsvariant ten laste is gelegd. De rechtbank acht op basis van het bovenstaande wel wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 5] , [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] zich tezamen en in vereniging schuldig hebben gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor moord. Nu de moord destijds niet is uitgevoerd, kan voor [medeverdachte 6] en [verdachte] wettig en overtuigend worden bewezen dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van poging tot uitlokking van medeplegen van moord. Uit het voorgaande volgt immers ook dat er bij [verdachte] , net zoals bij [medeverdachte 6] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] evident sprake is geweest van voorbedachte raad. Uit het dossier blijkt dat er sprake was van een samenwerkingsverband tussen de criminele organisatie van [medeverdachte 5] en de criminele organisatie van vermoedelijk [B] , waarbij [medeverdachte 5] in opdracht van de organisatie van vermoedelijk [B] liquidaties uitvoerde en waarbij [medeverdachte 6] en [verdachte] voor [medeverdachte 5] als contactpersoon van die organisatie optraden. De rechtbank verwijst in dit verband naar de bewijsmiddelen zoals besproken bij de het lidmaatschap van de criminele organisatie. Het dossier bevat geen aanknopingspunt voor het oordeel dat in afwijking van de gebruikelijke gang van zaken [medeverdachte 6] en [verdachte] in deze zaak voor zichzelf hebben gehandeld. De rechtbank wijst hiervoor op de deelname aan de chats van 9 maart 2017 door ‘ [PGP gebruikersnaam B 2] ’, vermoedelijk [B] . De rechtbank heeft daarbij overwogen dat in deze fase van de samenwerking de communicatie tussen vermoedelijk [B] en [medeverdachte 5] nog niet rechtstreeks plaatsvond maar verliep via [verdachte] en [medeverdachte 6] , zodat [verdachte] en [medeverdachte 6] een belangrijke schakel waren in het contact met de opdrachtgever. De rechtbank acht daarom bewezen dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 6] en [verdachte] met vermoedelijk [B] , waarbij de bijdragen van [medeverdachte 6] en [verdachte] van voldoende gewicht zijn geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen. 4.3.5 Arford De rechtbank leidt uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen de volgende gang van zaken af. 4.3.5.1 De aangetroffen chats Op 16 maart 2017 vindt er vanaf ongeveer 16.41 uur een PGP-chatgesprek tussen ‘ [PGP gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] ’, veredeld als [medeverdachte 5] en ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 6] ’, veredeld als [medeverdachte 6] plaats. [medeverdachte 6] stuurt een foto en zegt “die 2” en geeft als adres [straat]
- Op een harde schijf die onder [medeverdachte 5] in beslag is genomen staan twee foto’s die op 16 maart 2017 om 19.07 uur en 19.08 uur van een mobiele telefoon zijn gemaakt. Via het genoemde adres, waar zijn vriendin en kind woonden, komt de politie bij [slachtoffer 11] die zichzelf op één van de door [medeverdachte 6] gestuurde foto’s herkent. Ook zijn vriend [slachtoffer 12] herkent zichzelf op één van de twee foto’s. [medeverdachte 6] geeft [medeverdachte 5] nog de volgende informatie: “vrouw rijdt zwarte golf 6 met zwarte velgen blondje en heeft dochtertje 2 a 3 jaar”, “niet in die straat staan want hij ziet alles als hij thuis is”, “rijdt meestal vanaf de [straat] de [straat] in na [straat] , dan verder na [straat] , komt vanaf de [straat] meestal!”, “hij woont op 3 hoog witte luxa flex daar kan hij heel stiekem door kijken zonder dat je het door hebt bro”, “hij gaat meestal via die deur rechts als je in de straat komt rijden soort brandtrapje niet bij de hoofdingang”,, “hij traint ook bij die [sportschool 2] bij [straat] is 3 min lopen van z’n huis!”, “z’n vrouw werkt tot 3 uur”, “weet ook waar ze eten in […] , tussen 5 en 7 uur”. [slachtoffer 11] herkent zichzelf in deze informatie en zowel [slachtoffer 11] als [slachtoffer 12] geven aan dat er maar één persoon is die al deze informatie kende, namelijk een persoon met wie zij tot voorheen dagelijks samen waren en die zij ‘ [bijnaam medeverdachte 6] ’ noemen. [slachtoffer 11] wijst [medeverdachte 6] op een foto aan als de persoon die hij kent als ‘ [bijnaam medeverdachte 6] ’. [medeverdachte 6] laat aan [medeverdachte 5] weten dat de prijs voor de twee mannen “140 allebei op snelheid 160” is. [medeverdachte 5] mag deze personen ook een “drive by geven”. Volgens [medeverdachte 6] stapt “hij uit voor zijn deur”, dan moet [medeverdachte 5] “hem pakken”. [medeverdachte 5] mag hem ook pakken “als hij naar huis loopt van gym”. [medeverdachte 6] tipt nog dat ze “in die hoofdstraat tegen over [sportschool 2] moeten staan, zie je iedereen erin of eruit rijden”. De rechtbank leidt hieruit af dat [medeverdachte 6] via de chat een opdracht tot het liquideren van [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12] uitzet, daarover inlichtingen aan [medeverdachte 5] verschaft en hier een prijs van € 140.000,- of € 160.000,- tegenover zet. Later in het chatgesprek laat [medeverdachte 6] aan [medeverdachte 5] weten dat als het “vandaag niks is dan morgen op scherp” en dat “deze binnen nu en paar dagen [bijnaam medeverdachte 12] klaar moet zijn”. [medeverdachte 5] antwoordt dat hij het “morgen 200% doet”, “als sportschool klopt of niet klopt hebben we savonds nog” en hij “laat ze morgen hele dag daar zijn”. Ook noemt [medeverdachte 5] dat ze in een bus kunnen om te ‘timeren’ en heeft hij het over een Clio. 4.3.5.2 De aanhouding van verdachten en het aantreffen van goederen Op 17 maart 2017 omstreeks 15.45 uur werden [medeverdachte 11] , [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] bij de ingang van het [locatie] aan de [straat] tegenover de [sportschool 2] aan de [straat] aangetroffen. Zij hielden zich daar enige tijd op en waren met elkaar aan het praten. Op een gegeven moment liepen zij naar een parkeerplaats en reden zij weg in een gestolen Renault Clio met valse kentekenplaten. De politie heeft hen vervolgens aangehouden. Tijdens de fouillering van [medeverdachte 10] werd een sleutel aangetroffen van een gestolen Volkswagen Caddy met valse kentekenplaten, die naast de Clio op de parkeerplaats stond. Een Volkswagen Caddy is een bestelbus. In deze bestelbus bevonden zich meerdere wapens, namelijk twee automatische aanvalsgeweren (waarvan één met ontbrekende onderdelen) en twee pistolen, een geluidsdemper die op één van de pistolen paste, munitie voor de aanvalsgeweren en voor de pistolen en een bivakmuts. Op een deel van deze goederen is het DNA van [medeverdachte 10] en [medeverdachte 9] aangetroffen. Ook werd er een tv in de bestelbus aangetroffen. Daarop zat een handafdruk van [medeverdachte 11] . Door de kroongetuige is verklaard dat leden van [motorclub] wapens in tv’s verstopten. Tijdens de fouillering van [medeverdachte 9] is er een PGP-toestel aangetroffen. Uit de uitgelezen data van dit toestel blijkt dat er op 17 maart 2017 164 berichten zijn gewisseld met [medeverdachte 5] . Ook vlak voor de aanhouding zijn er nog berichten gewisseld met [medeverdachte 5] . De rechtbank leidt hieruit af dat [medeverdachte 11] , [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] op 17 maart 2017 bezig waren met de voorbereiding van de liquidatie van [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12] en dat zij daarbij in nauw contact stonden met [medeverdachte 5] , die de opdracht tot het liquideren van deze personen de dag ervoor van [medeverdachte 6] had aangenomen. In dit verband is ook van belang dat de plek waar [medeverdachte 11] , [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] zijn aangetroffen precies de plek is die [medeverdachte 6] in de chat met [medeverdachte 5] noemt als plek waar hij moet staan. 4.3.5.3 De rol van [verdachte] Aan [verdachte] is primair medeplegen poging tot moord en subsidiair het uitlokken van medeplegen poging tot moord tenlastegelegd. De rechtbank overweegt dat er slechts sprake kan zijn van een strafbare poging als er een begin is gemaakt met de uitvoering van het voorgenomen misdrijf. Daarvoor is vereist dat er een handeling is geweest die direct was gericht op de voltooiing van het delict. Op het moment dat [medeverdachte 11] , [medeverdachte 9] en [medeverdachte 10] werden aangehouden was van dergelijke handelingen nog geen sprake. Dit betekent dat er geen sprake is van een strafbare poging. De rechtbank spreekt [verdachte] daarom vrij van het primair en subsidiair tenlastegelegde, zoals ook gevorderd door de officier van justitie en bepleit door de verdediging. Meer subsidiair is aan [verdachte] tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot het uitlokken van het medeplegen van moord. De rechtbank stelt vast dat het dossier een aanwijzing bevat dat [verdachte] op de hoogte was van de voorgenomen liquidatie van [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12] . Dat is op zichzelf echter onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen voor de tenlastegelegde uitlokking. Uit het dossier blijkt niet dat [verdachte] zich – al dan niet in vereniging – schuldig heeft gemaakt aan de uitlokkingshandelingen zoals die aan hem zijn tenlastegelegd. De rechtbank zal [verdachte] daarom vrijspreken van het meer subsidiair tenlastegelegde, zoals ook gevorderd door de officier van justitie en bepleit door de verdediging. Nog meer meer subsidiair wordt [verdachte] verweten dat hij de voorbereiding van de moorden heeft uitgelokt en meest subsidiair wordt hem verweten dat hij voorbereidingshandelingen heeft verricht. Ook voor die feiten is in het dossier geen bewijs aanwezig. De rechtbank zal [verdachte] ook daarvan vrijspreken. 4.3.6 Charlie17 De rechtbank leidt uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen de volgende gang van zaken af. 4.3.6.1 Liquidatie van [slachtoffer 15] Op 17 april 2017 omstreeks 23.00 uur is [slachtoffer 15] op een parkeerplaats bij de [sportschool 2] in [plaats] neergeschoten en als gevolg daarvan diezelfde dag overleden. 4.3.6.2 Verklaringen van [medeverdachte 1] heeft over de liquidatie van [slachtoffer 15] onder meer verklaard dat hij in de middag van 17 april 2017 samen met zijn vader [A] een afspraak heeft gehad met [medeverdachte 5] bij het [hotel] op de [straat] te [plaats] waar zij hebben geluncht. Gedurende deze afspraak is ook [medeverdachte 12] verschenen en zijn [medeverdachte 12] en [medeverdachte 5] apart gaan zitten. Na de lunch heeft [A] op verzoek van [medeverdachte 5] bij vertrek een tas aangepakt van [medeverdachte 12] met daarin een kalasjnikov. Hierna heeft [medeverdachte 1] [medeverdachte 5] teruggereden naar [plaats] , [A] reed hier vervolgens met het wapen in de auto achteraan en [medeverdachte 12] is toen eveneens vertrokken. Aangekomen in [plaats] bij de verblijfplaats van [medeverdachte 5] heeft [medeverdachte 5] de tas uit de auto van [A] gepakt en in de achterbak van zijn auto gelegd. Na een kort gesprek zijn [medeverdachte 1] en [A] vertrokken en is [medeverdachte 5] buiten blijven staan in verband met een volgende afspraak. Bij het uitrijden van de straat zag [medeverdachte 1] [medeverdachte 12] aan komen rijden in de richting van [medeverdachte 5] in een grijze stationwagen. Op de avond van 17 april 2017 was [medeverdachte 1] onderweg met [E] en ontving hij een bericht van [medeverdachte 5] met het verzoek om [medeverdachte 5] en zijn vrouw op te halen. Het betreffende adres werd nog niet gedeeld en [medeverdachte 1] werd verzocht te wachten in de buurt waar hij op dat moment reed. [medeverdachte 1] besloot daarop te wachten bij een Esso-tankstation gelegen aan de [adres] in [plaats] . Uiteindelijk kreeg [medeverdachte 1] het adres [adres] te [plaats] door en is hij daar samen met [E] naartoe gereden. Eenmaal aangekomen kreeg [medeverdachte 1] het verzoek om zijn lichten aan te zetten en op dat moment kwamen niet [medeverdachte 5] en zijn vrouw maar drie mannen in het zwart gekleed aangerend. Van hen herkende [medeverdachte 1] [medeverdachte 12] van de club en [medeverdachte 13] als het neefje van [medeverdachte 12] . De derde man herkende hij niet. De drie mannen stapten achterin de auto en op verzoek van [medeverdachte 12] reed [medeverdachte 1] naar [plaats] . Tijdens de rit hoorde [medeverdachte 1] het geluid van ijzer op ijzer, waaruit hij afleidde dat de mannen wapens bij zich hadden. [medeverdachte 1] heeft de drie mannen vervolgens afgezet in de omgeving van de verblijfplaats van [medeverdachte 12] in [plaats] en heeft [medeverdachte 5] bericht dat het was gelukt. Hierop kreeg [medeverdachte 1] te horen dat hij de volgende dag bij [medeverdachte 5] in [plaats] langs moest komen. Op 18 april 2017 was [medeverdachte 1] in [plaats] waar hij van [medeverdachte 5] te horen kreeg dat hij de schutters van de liquidatie van [slachtoffer 15] bij de [sportschool 2] heeft opgehaald, waarvoor hij van [medeverdachte 5] € 500,- kreeg. [medeverdachte 5] vertelde [medeverdachte 1] dat [B] de opdrachtgever voor de liquidatie was. Op diezelfde dag was hij met [medeverdachte 5] in [plaats] waar zij [medeverdachte 12] hebben ontmoet. Bij deze ontmoeting hebben [medeverdachte 5] en [medeverdachte 12] elkaar omhelsd en hebben zij gevierd dat de liquidatie was gelukt. [medeverdachte 12] heeft daarbij in bijzijn van [medeverdachte 1] uitgelegd hoe de liquidatie was verlopen. Ze hadden de auto klem gereden, zijn uitgestapt en hebben vervolgens eerst via de achterkant en daarna via de zijkant geschoten. [medeverdachte 12] beeldde daarbij een lang vuurwapen uit en hij vertelde dat hij zeker wist dat [slachtoffer 15] al door de eerste handelingen dood was, omdat hij door zijn hoofd was geschoten en zijn hersenen eruit lagen. Hierop waren zij weggereden. [medeverdachte 1] heeft daarbij van [medeverdachte 12] begrepen dat de derde persoon, niet zijnde [medeverdachte 12] of [medeverdachte 13] , de chauffeur was. [medeverdachte 12] heeft verder tegen [medeverdachte 1] gezegd dat hij hun leven had gered, omdat de sleutel van de vluchtauto was afgebroken. Verder heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij op een later moment de Peugeot 308, die weer later bij de liquidatie in [plaats] is gebruikt, heeft moeten ophalen en bij [medeverdachte 12] heeft gestald. [medeverdachte 12] moest toen lachen, omdat ‘ze’ zo’n zelfde auto al een keer eerder hadden gebruikt. De rechtbank acht deze verklaring van [medeverdachte 1] betrouwbaar, omdat die bevestiging vindt in meerdere bewijsmiddelen. De rechtbank zal dat hieronder nader uitwerken. 4.3.6.3 Onderbouwing van de verklaringen van [medeverdachte 1] en overige bewijsoverwegingen Naar aanleiding van het onderzoek naar deze liquidatie en de verklaringen afgelegd door [medeverdachte 1] is het volgende gebleken. 4.3.6.3.1 Ontmoeting [straat] te [plaats] en verplaatsing naar [plaats] Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [A] blijkt dat hij in de middag van 17 april 2017 heeft verbleven in de omgeving van de [straat] te [plaats] . Uit de bankafschriften van [A] blijkt dat hij die middag om 16.02 uur een bedrag van € 90,25 heeft betaald bij het [hotel] aan de [straat] . Hieruit leidt de rechtbank af dat hij in gezelschap bij het [hotel] te [plaats] heeft verbleven. Vervolgens valt uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [A] af te leiden dat [A] vanuit [plaats] naar [plaats] is gereisd. Tussen 17.00 uur en 17.15 uur straalde zijn telefoonnummer verschillende zendmasten aan in de directe omgeving van het verblijfadres [adres] te [plaats] van [medeverdachte 5] . 4.3.6.3.2 Het wachten van [medeverdachte 1] en [E] bij het tankstation De rechtbank leidt uit zowel de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [medeverdachte 1] als van het telefoonnummer van [E] af dat zij tussen 22.59 uur en 23.22 uur verbleven op het door [medeverdachte 1] aangewezen parkeerterrein van tankstation Esso aan de [adres] te [plaats] . De rechtbank zal hieronder nader ingaan op de verklaringen van [E] over deze avond. 4.3.6.3.3 De liquidatie van [slachtoffer 15] Uit de verklaring van getuige [getuige 1] leidt de rechtbank af dat zij heeft waargenomen dat de Peugeot stationwagen, met daarin in ieder geval twee donker getinte mannen, achteruit reed richting de [straat] . Nadat [getuige 1] enkele knallen had gehoord, zag zij de Peugeot dwars achter een ander voertuig staan. Dit betrof een Citroën. De Peugeot stond dusdanig achter de Citroën dat deze nooit achteruit weg had kunnen rijden. Nadat de bijrijder in de Peugeot sprong, is deze met hoge snelheid weggereden. Getuige [getuige 2] heeft verklaard te hebben gezien dat na de knallen twee mannen elk aan een kant achter in de auto zijn gestapt waarna de auto snel wegreed. Hieruit leidt de rechtbank af dat er drie mannen betrokken zijn geweest bij de uitvoering van de liquidatie, namelijk twee mannen buiten de auto en de chauffeur in de auto. Uit forensisch onderzoek is gebleken dat de Citroën C3 van [slachtoffer 15] vanaf de achterkant en de zijkant is beschoten. Nader onderzoek door het NFI heeft aangetoond dat de bevindingen van het onderzoek minimaal veel waarschijnlijker zijn wanneer de op de plaats delict aangetroffen hulzen zijn verschoten met één en hetzelfde vuurwapen dan wanneer de hulzen zijn verschoten met twee vuurwapens van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken. De hulzen hebben het kaliber 7.62x39mm en de vorm en ligging van de systeemsporen in de hulzen vertonen een sterke gelijkenis met die van een (semi-) automatisch werkend aanvalsgeweer van het type AK-47 of een daarvan afgeleid model. Op de plaats delict is geconstateerd dat [slachtoffer 15] door de kogels die op hem zijn afgevuurd een ernstige schedelperforatie heeft opgelopen, waardoor zijn hersenen deels zichtbaar waren en zich deels buiten zijn schedel bevonden. Het voorgaande betreft informatie die niet door het onderzoeksteam naar buiten is gebracht en waarover geen informatie in de media is verschenen. Dit betekent dat [medeverdachte 1] al in zijn kluisverklaringen heeft gesproken over daderwetenschap die hij niet uit het dossier of uit de media kan hebben vernomen en die wordt bevestigd door voornoemde onderzoeksbevindingen. 4.3.6.3.4 Opdrachtgever op de hoogte brengen van geslaagde liquidatie Op 17 april 2017 om 23:41 uur vindt er een PGP-chatgesprek plaats tussen ‘ [PGP gebruikersnaam 1 medeverdachte 5] ’, veredeld als [medeverdachte 5] , en ‘ [PGP gebruikersnaam verdachte 1] ’, veredeld als [verdachte] . In dit gesprek stuurt [verdachte] een bericht door van ‘ [PGP gebruikersnaam B 1] ’. In het dossier bevinden zich aanwijzingen dat dit account kan worden veredeld als [B] . In dit bericht staat: “Hahahahaha wat hoofd. Hahahahahaha u maakt my eindelyk bly hahahaha”. In een PGP-chatgesprek van 18 april 2017 om 02:24 uur tussen [medeverdachte 5] en [verdachte] stuurt [medeverdachte 5] [verdachte] een tweetal afbeeldingen, waarop [verdachte] reageert met: “Ok sterk broers hahahha. Ben trots op jullie” en “heb die pap voor jullie meteen als ik wakker ben bro”. Uit de opmerking “hahahahaha wat hoofd” leidt de rechtbank af dat wordt gesproken over het ernstig letsel dat [slachtoffer 15] heeft opgelopen door zijn schedelperforatie en dat deze berichten dus betrekking hebben op de moord op [slachtoffer 15] . De rechtbank concludeert uit deze berichten in onderling verband en samenhang bezien dat ‘pap’ ziet op het geldbedrag dat als beloning voor de moord zal worden betaald. 4.3.6.3.5 Het ophalen en afzetten van de schutters door [medeverdachte 1] en [E] Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [medeverdachte 1] blijkt dat de telefoon, nadat hij tussen 22.59 uur en 23.22 uur bij het tankstation in [plaats] heeft verbleven, rond 23.53 uur aanstraalde in [plaats] , Zuid-Holland, en op 18 april 2017 om 00.18 uur een basisstation in [plaats] aanstraalde. Het adres waar [medeverdachte 12] woont in [plaats] valt binnen het bereik van dit station. Verder verklaart getuige [E] dat hij samen met [medeverdachte 1] was toen [medeverdachte 1] een bericht kreeg van ‘ [bijnaam medeverdachte 5] ’ (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 5] ), waarin [medeverdachte 1] werd verzocht om mensen op te halen. Ze hebben vervolgens drie donkere jongens opgehaald in de buurt bij [plaats] en [plaats] bij appartementencomplexen. Dit betroffen jongens die [medeverdachte 1] zou kennen van de club. [medeverdachte 1] en [E] hebben de jongens vervolgens afgezet in [plaats] bij een bushalte, waarna ze nog twee straten verder moesten. Hoewel de verdediging van [medeverdachte 12] , [medeverdachte 13] en [medeverdachte 5] gewezen heeft op een aantal discrepanties tussen de verklaringen van [medeverdachte 1] en [E] , constateert de rechtbank dat [E] in zijn verklaringen, ook als hij meermalen bij de rechter-commissaris wordt gehoord, in de kern gelijkluidend aan [medeverdachte 1] verklaart. Dit terwijl [E] en [medeverdachte 1] ten tijde van de verklaringen van [E] geen vrienden meer waren en [E] kan worden gekenschetst als een getuige die niet bepaald van harte verklaringen aflegt. Tevens wordt zijn verklaring op onderdelen door objectieve onderzoeksbevindingen bevestigd, zoals de hiervoor onder 4.3.8.3.2 genoemde historische verkeersgegevens. 4.3.6.3.6 Het op de hoogte worden gebracht door [medeverdachte 5] en [medeverdachte 12] in [plaats] en [plaats] Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [medeverdachte 1] is gebleken dat [medeverdachte 1] op 18 april 2017 in de middag in [plaats] is geweest. Omstreeks 13.00 uur straalde het telefoonnummer van [medeverdachte 1] verschillende zendmasten aan in [plaats] , waaronder een zendmast op het [adres] te [plaats] . Het verblijfadres van [medeverdachte 5] aan de [adres] te [plaats] valt binnen het zendmastbereik van de zendmast op het [adres] . Vervolgens is te zien dat het telefoonnummer verplaatste via [plaats] naar [plaats] en dat het daar om 15.06 uur en 15.14 uur de zendmast op de [adres] te [plaats] aanstraalde. Het verblijfadres [adres] te [plaats] valt binnen het zendmastbereik van de zendmast [adres] . In zijn eerste kluisverklaring heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij [medeverdachte 5] en [medeverdachte 12] in [plaats] heeft gezien die middag, maar later heeft hij steeds verklaard dat hij meent dat deze ontmoeting in [plaats] is geweest, een andere vaste verblijfplaats van [medeverdachte 5] . Geconfronteerd met de historische gegevens van zijn telefoon die later die middag in [plaats] aanstraalde, heeft hij ook op de terechtzitting van 1 september 2021 verklaard dat hij erbij blijft dat hij denkt dat het in [plaats] was. De rechtbank ziet deze discrepantie, maar deze maakt naar haar oordeel niet dat de betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte 1] zodanig wordt ondergraven dat deze niet voor het bewijs zou kunnen worden gebruikt. [medeverdachte 1] heeft immers verklaard dat hij op veel momenten met [medeverdachte 5] heeft rondgelopen in [plaats] en in [plaats] en dat hij soms moeite heeft om tijd en plaats te duiden. De verklaring van [medeverdachte 1] over hetgeen tijdens die ontmoeting is besproken betreft bovendien daderinformatie die bevestiging vindt in andere onderzoeksbevindingen zoals de verklaringen van getuige [getuige 1] en de forensische onderzoeks