← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2022:2622

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/035311-22 (ontneming) Vonnis van de meervoudige kamer van 31 mei 2022 op de vordering van de officier van justitie tot ontneming in de zaak tegen [veroordeelde] geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] (Somalië), wonende te [adres] , [woonplaats] , verblijvende in de PI [verblijfplaats] , hierna te noemen: veroordeelde. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING De vordering is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 17 mei

  1. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en de standpunten van officier van justitie mr. T.M. van Wanrooij en van hetgeen veroordeelde en mr. M.C. Coster, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. 2VORDERING 2.1 Het standpunt van de officier van justitie De schriftelijke vordering van de officier van justitie van 13 april 2022 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel van € 19.350,
  2. 2.2 Het standpunt van de verdediging De verdediging betwist de berekening van de hoogte van de ontnemingsvordering op de volgende onderdelen. Ten eerste de periode, de raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat enkel kan worden vastgesteld dat veroordeelde zich op vijf afzonderlijke momenten, namelijk op 26 januari, 1, 2, 3 en 14 februari 2022 schuldig heeft gemaakt aan de verkoop van cocaïne. Indien de rechtbank deze conclusie volgt en veroordeelde partieel vrijspreekt, dan kunnen op grond van het Geerings-arrest van het EHRM de feiten waarvan hij is vrijgesproken niet als ander feit zoals bedoeld in artikel 36e, tweede lid, Sr worden betrokken in de ontnemingsprocedure. De ontnemingsvordering is gebaseerd op (onder andere) de periode van 13 juli 2021 tot en met 7 november
  3. Echter, volgens de raadsvrouw bestaat geen enkele aanwijzing dat veroordeelde zich vanaf 13 juli 2021 schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten. Ten tweede wordt het aantal unieke contacten betwist. Het is de verdediging onduidelijk waarop de berekening van het aantal unieke contacten per dag is gebaseerd en het verzoek is dit aantal te matigen. Verder wordt uitgegaan van een werkweek van zeven dagen, maar op basis van het dossier blijkt niet dat iedere dag gewerkt is, hetgeen ook onaannemelijk is volgens de raadsvrouw. Ook zijn de brandstofkosten ten onrechte niet afgetrokken van de opbrengst. Tot slot verzoekt de raadsvrouw de verdeelsleutel toe te passen, zodat verdachte hooguit voor de helft van het totaalbedrag aansprakelijk gehouden kan worden. 3BEOORDELING VAN DE VORDERING 3.1 De grondslag van de vordering De veroordeelde is bij vonnis van 31 mei 2022 van deze rechtbank, voor zover van belang, veroordeeld voor het volgende strafbare feit: - medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod in de periode van 7 november 2021 tot en met 14 februari
  4. Veroordeelde is veroordeeld voor een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie. De rechtbank komt tot de conclusie dat het aannemelijk is dat dit misdrijf of andere strafbare feiten “op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen”. Volgens artikel 36e, lid 3 Wetboek van Strafrecht kan in dat geval aan veroordeelde de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van dit wederrechtelijk verkregen voordeel. 3.2 Beoordeling en berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel Voor de berekening van de opbrengsten en kosten neemt de rechtbank – voor zover niet anders wordt vermeld – tot uitgangspunt wat is opgenomen in het ontnemingsrapport. 3.3.
  5. Periode In het rapport wordt uitgegaan van een periode van 217 dagen, namelijk van 13 juli 2021 tot en met 14 februari
  6. De rechtbank gaat uit van een periode van 7 november 2021 tot en met 14 februari 2022, overeenkomstig de tenlastelegging. De rechtbank vindt onvoldoende aannemelijk geworden dat veroordeelde ook in de periode van 13 juli 2021 tot 7 november 2021 heeft gedeald in cocaïne. De dealtelefoon eindigend op [telefoonnummer 1] was in die periode niet actief. Dat veroordeelde heeft gedeald met het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 2] acht de rechtbank onvoldoende aannemelijk geworden. De verklaringen van afnemers en de historische gegevens van dit telefoonnummer bieden daartoe onvoldoende houvast. Weliswaar is met het nummer eindigend op [telefoonnummer 2] contact gelegd met tegennummers die volgens de politie in gebruik waren bij afnemers, maar dat het ook veroordeelde is geweest die deze contacten heeft onderhouden, is onvoldoende gebleken. Dat in de periode van 4 juli 2021 tot en met 4 januari 2022 38 maal contact is geweest met het nummer van de vrouw van veroordeelde, vindt de rechtbank hiertoe onvoldoende. Ter vergelijk: met de dealtelefoon eindigend op [telefoonnummer 1] is in een aanzienlijk kortere periode in totaal 579 keer contact geweest met zijn vrouw. Aldus zal de rechtbank de periode van 13 juli 2021 tot 7 november 2021 niet betrekken bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Voorts ziet de rechtbank in de contacten die er zijn geweest tussen de dealtelefoon en afnemers, waarbij niet steeds sprake is van dagelijks contact, aanleiding in het voordeel van veroordeelde uit te gaan van vijf dagen dealen per week. Dit komt neer op een periode van 70 dagen dealen. 3.3.
  7. Aantal unieke contacten In het rapport wordt in het voordeel van veroordeelde uitgegaan van 9 unieke contacten per dag. De rechtbank acht dit op basis van de processtukken reëel en aannemelijk en ziet in hetgeen is aangevoerd geen reden hiervan af te wijken. 3.3.
  8. Opbrengst Naar aanleiding van de verklaringen en afgeluisterde gesprekken is in de berekening, in het voordeel van de veroordeelden, slechts uitgegaan van een bedrag van € 20 per transactie. 3.3.
  9. Kosten Veroordeelde en zijn mededader hebben zich tijdens het verhoor bij de politie beroepen op hun zwijgrecht. Veroordeelde verklaarde ook ter zitting niets over de door hen gemaakte kosten. Derhalve wordt uitgegaan van geldende jurisprudentie dat 50 procent van de omzet aangemerkt kan worden als winst. 3.3.
  10. Het wederrechtelijk verkregen voordeel 70 dagen x 9 unieke contacten per dag x 20 euro per transactie = € 12.600 opbrengst. • Opbrengst: € 12.600 • Gemaakte kosten (50%): € 6.300 - Wederrechtelijk verkregen voordeel: € 6.
  11. Veroordeelde is in de strafzaak met een medepleger veroordeeld voor voornoemd strafbare feit. De rechtbank gaat ervan uit dat de veroordeelde het wederrechtelijk verkregen voordeel met de medepleger heeft gedeeld. De rechtbank gaat uit van een ponds-ponds gewijze verdeling; aanknopingspunten die nopen tot een andere verdeling zijn er niet. Het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt dus vastgesteld op (€ 6.300: 2 =) € 3.
  12. 3.3 Betalingsverplichting De rechtbank stelt het bedrag dat door veroordeelde dient te worden betaald aan de staat, vast op € 3.150,-. 4TOEGEPAST WETSARTIKEL De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. 5BESLISSING De rechtbank: - stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 3.150,-; - legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van € 3.150,- aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel; - bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 63 dagen. Dit vonnis is gewezen door mr. G. Konings, voorzitter, mr. H.F. Koenis en mr. E.J. van Rijssen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.T. van den Dool, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 31 mei
  13. Het “Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex artikel 36e lid 2 Wetboek van Strafrecht”, opgenomen in het aan de strafzaak ten grondslag liggende proces-verbaal, nummer PL0900-2022013765 (pagina 187 tot en met 192). Het “Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex artikel 36e lid 2 Wetboek van Strafrecht”, opgenomen in het aan de strafzaak ten grondslag liggende proces-verbaal, nummer PL0900-2022013765, p. 189-
  14. Het “Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex artikel 36e lid 2 Wetboek van Strafrecht”, opgenomen in het aan de strafzaak ten grondslag liggende proces-verbaal, nummer PL0900-2022013765, p.
  15. Het “Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex artikel 36e lid 2 Wetboek van Strafrecht”, opgenomen in het aan de strafzaak ten grondslag liggende proces-verbaal, nummer PL0900-2022013765, p. 190-191.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.