← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2022:2652

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 21/4651 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 juni 2022 in de zaak tussen [eiser] , uit [woonplaats] , eiser en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, verweerder (gemachtigde: W. Vos). Procesverloop Verweerder heeft aan eiser op 23 april 2021 om 19:35 uur een naheffingsaanslag parkeerbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] (de naheffingsaanslag) opgelegd van € 69,69 wegens het parkeren met auto, merk Ford kenteken [kenteken] , op een zogenaamde gefiscaliseerde parkeerplaats, zonder dat de verschuldigde parkeerbelasting was voldaan. In de uitspraak op bezwaar van 15 oktober 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is behandeld op de zitting van 16 juni 2022 door middel van een Teams-beeldverbinding. Eiser is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen

  1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
  2. Eiser heeft zijn auto op 23 april 2021 om 19:35 uur geparkeerd aan de [locatie] in Utrecht. Er geldt op die locatie en op dat tijdstip betaald parkeren. Omdat eiser geen parkeerbelasting heeft voldaan, heeft verweerder hem een naheffingsaanslag opgelegd.
  3. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een gefiscaliseerde parkeerplaats en dat op het moment van het opleggen van de naheffingsaanslag geen parkeerbelasting op de aangifte was voldaan.
  4. Eiser voert aan dat er geen sprake was van parkeren, omdat hij slechts enkele minuten stil stond om een pakket af te geven aan een klant. Volgens eiser was er sprake van laden en lossen.
  5. De hoofdregel is dat degene die zijn auto parkeert op een betaald parkeren plaats, parkeerbelasting is verschuldigd. Het onmiddellijk laden en lossen van zaken vormt hierop een uitzondering. Dit volgt uit artikel 225, tweede lid, van de Gemeentewet. De rechtbank stelt vast dat die uitzondering hier niet van toepassing is. Uit de overgelegde foto’s van de scanauto is niet te zien dat eiser bezig was met het lossen van een pakket. De bewijslast rust op eiser om aannemelijk te maken dat er sprake is van lossen. Dit heeft eiser niet gedaan. Het enkel stellen dat hij bezig was met lossen is onvoldoende, ook omdat op de foto’s niets te zien is van losactiviteiten. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder dus terecht overgegaan tot het naheffen van de verschuldigde parkeerbelasting.
  6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
  7. Op de zitting is gewezen op de mogelijkheid om tegen deze uitspraak in hoger beroep te gaan op de manier zoals onderaan dit proces-verbaal staat omschreven. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van I. Zallali, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 juni
  8. griffier rechter Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met dit proces-verbaal kunt u binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Deze uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.