RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Locatie Utrecht Parketnummer: 16/706552-19 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 7 juli 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1986] te [geboorteplaats] , thans uit anderen hoofde gedetineerd in Penitentiaire Inrichting [locatie] te [plaats] . 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de volgende terechtzittingen: 13 en 14 juli 2020 (pro forma); 4 maart 2021 (regie); 13, 14, 15, 21, 26 en 28 april 2022 (inhoudelijke behandeling); 7 juli 2022 (sluiting onderzoek). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officieren van justitie en van hetgeen verdachte en zijn raadslieden mrs. J.S.W. Boorsma en E.G.S. Roethof, advocaten te Amsterdam , naar voren hebben gebracht. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen mr. F.J.M. Hamers naar voren heeft gebracht over de vorderingen van de volgende benadeelde partijen: de vader van slachtoffer [slachtoffer 1] , [getuige 1] , slachtoffer 33; de moeder van slachtoffer [slachtoffer 1] , slachtoffer 35; de broer van slachtoffer [slachtoffer 1] , slachtoffer 36; de zus van slachtoffer [slachtoffer 1] , slachtoffer 37; de zus van slachtoffer [slachtoffer 1] , slachtoffer 39; de broer van slachtoffer [slachtoffer 1] , slachtoffer 40. Namens de vader, moeder en zus (slachtoffer 37) van slachtoffer [slachtoffer 1] heeft mr. Hamers gebruik gemaakt van het spreekrecht. 2INLEIDING CHARON II Dit vonnis komt voort uit het opsporingsonderzoek dat bekend is onder de naam Charon. Dit onderzoek ziet op de liquidatie van slachtoffer [slachtoffer 1] op 31 januari 2017, op een pleintje op de [straat] te [plaats] . Het onderzoek Charon vormt een deelonderzoek van het strafrechtelijk onderzoek met de naam Eris. De megazaak Eris betreft een grootschalig onderzoek naar (in georganiseerd verband gepleegde) liquidaties, pogingen en voorbereidingen daartoe en andere daar al dan niet aan gerelateerde feiten. In onderzoek Charon zijn als medeverdachten aangemerkt [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] (hierna steeds genoemd met uitsluitend de achternaam, met uitzondering van [medeverdachte 1] , van wie de rechtbank ook de voorletters zal noemen). De zaken tegen verdachte en deze medeverdachten zijn gelijktijdig bij de rechtbank aangebracht op 13 juli 2020. De zaken tegen verdachte en [medeverdachte 4] zijn vervolgens echter op latere zittingen afgesplitst behandeld door andere rechters. De reden voor deze afsplitsing is de volgende. De achtergrond van de verdenking tegen verdachte en [medeverdachte 4] is volgens het Openbaar Ministerie gelegen in de betrokkenheid van beide verdachten bij de moord op [slachtoffer 2] , gepleegd op 12 januari 2017 te [plaats] in de wijk [wijk] (bekend als het onderzoek Roos) en bij de voorbereidingshandelingen voor de beoogde moord op het juiste doelwit [slachtoffer 3] op 14 januari 2017 (bekend als het onderzoek Doorn). De moord op 12 januari 2017 betreft volgens het Openbaar Ministerie een zogenoemde vergismoord, waarbij een andere persoon om het leven is gebracht dan de persoon die het beoogde doelwit was. Verdachte en [medeverdachte 4] zouden - kort gezegd - om hun fouten bij de vergismoord goed te maken, hebben deelgenomen aan de moord op [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] wordt gezien als degene die als chauffeur heeft deelgenomen aan de vergismoord. De dossiers met betrekking tot de zaak Roos en de zaak Doorn zijn vanwege deze veronderstelde samenhang door het Openbaar Ministerie toegevoegd aan het einddossier in het onderzoek Eris. De rechtbank Midden-Nederland heeft verdachte en [medeverdachte 4] op 27 maart 2019 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 26 jaren voor (onder meer) het medeplegen van de moord op [slachtoffer 2] en voor voorbereidingshandelingen voor een herstelpoging om [slachtoffer 3] , het juiste doelwit, te vermoorden. De rechtbank heeft daarbij onder meer overwogen dat iemand anders dan [slachtoffer 2] het eigenlijke doelwit van deze liquidatie was. Dat betekent dat de rechtbank in zoverre heeft onderschreven dat er sprake was van een vergismoord. Twee van de rechters van de meervoudige strafkamer die deze vonnissen hebben gewezen, maken ook onderdeel uit van de meervoudige strafkamer die het onderzoek Eris heeft behandeld. De verdediging van verdachte alsmede van [medeverdachte 4] heeft op 13 juli 2020 aan de rechtbank te kennen gegeven dat verdachte en [medeverdachte 4] er grote moeite mee hebben dat deze rechters ook in de onderhavige zaak deel uitmaakten van de meervoudige strafkamer. De rechters hebben naar aanleiding daarvan verzocht zich in onderhavige zaak te mogen verschonen ter vermijding van de schijn van enige mate van vooringenomenheid. Het verschoningsverzoek is op 24 juli 2020 door de verschoningskamer van de rechtbank Midden-Nederland gegrond verklaard. Het onderzoek tegen verdachte en [medeverdachte 4] is daarom op 4 maart 2021 door drie andere rechters hervat. Aan het onderzoek tegen verdachte en [medeverdachte 4] is vanaf dat moment gemakshalve de naam Charon II gegeven, terwijl het onderzoek tegen de hiervoor genoemde andere medeverdachten Charon I genoemd is. De verdenking tegen verdachte in onderzoek Charon II is op de hierna vermelde wijze aan hem ten laste gelegd. 3TENLASTELEGGING De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte: primair: op 31 januari 2017 te [plaats] (samen met een ander of anderen) [slachtoffer 1] (hierna: het slachtoffer) heeft vermoord; subsidiair: (samen met een ander of anderen) die moord heeft uitgelokt; meer subsidiair: (samen met een ander of anderen) medeplichtig is geweest aan die moord; meest subsidiair: (samen met een ander of anderen) die moord heeft voorbereid. 4VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officieren van justitie zijn ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. Dat betekent dat er geen formele belemmeringen zijn om deze strafzaak inhoudelijk te behandelen. 5WAARDERING VAN HET BEWIJS 5.1 Het standpunt van de officieren van justitie De officieren van justitie achten het primair aan verdachte ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Op basis van de bewijsmiddelen die in het requisitoir zijn genoemd volgt volgens de officieren van justitie - kort gezegd - dat verdachte een onmisbare schakel vormde in de keten van handelingen die zijn uitgevoerd om de liquidatie van het slachtoffer te realiseren. Hij was via de opdrachtgever op de hoogte van het plan om het slachtoffer op 31 januari 2017 op de [straat] te liquideren en hij heeft het slachtoffer die avond naar de plaats van het delict gebracht. Daar hoefde de schutter nog slechts op hem af te lopen en de trekker over te halen. Daarmee is volgens de officieren van justitie sprake van een nauwe en bewuste samenwerking met de opdrachtgever en de schutter en een gezamenlijke uitvoering van de liquidatie. De officieren van justitie zijn bij het voorgaande uitgegaan van de betrouwbaarheid van de verklaringen van kroongetuige [medeverdachte 8] . Ook zijn de officieren van justitie uitgegaan van de bruikbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] (de vader van het slachtoffer) voor het bewijs. 5.2 Het standpunt van de verdediging De raadslieden hebben integrale vrijspraak bepleit. Primair hebben de raadslieden betoogd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte wist dat het slachtoffer geliquideerd zou worden. Daarbij hebben zij het standpunt in de zaak Roos / Doorn herhaald dat verdachte niet betrokken is geweest bij de moord op [slachtoffer 2] op 12 januari 2017, de zogenoemde vergismoord. Ook heeft de verdediging het standpunt herhaald dat verdachte niet betrokken is geweest bij de voorbereidingshandelingen voor de beoogde moord op [slachtoffer 3] op 13 en 14 januari 2017. Volgens de verdediging was [slachtoffer 1] , het slachtoffer, betrokken bij de vergismoord, zonder dat verdachte daar dus ook een rol in had. Dat betekent dat fouten die gemaakt zijn bij de vergismoord in de onderhavige zaak geen motief voor verdachte hebben kunnen vormen om het slachtoffer te vermoorden. Volgens de verdediging was het slachtoffer verwikkeld geraakt in een conflict in verband met een drugsdeal. Op de avond van 31 januari 2017 zou hij een afspraak hebben met de personen met wie hij in conflict was om daarover te praten. Hij heeft verdachte en [medeverdachte 4] gevraagd daarbij aanwezig te zijn. Om die reden zijn zij die avond samen met het slachtoffer naar het pleintje in [plaats] gegaan. Als subsidiair standpunt hebben de raadslieden betoogd dat als ervan uit moet worden gegaan dat verdachte wel betrokken is geweest bij de vergismoord, verdachte die bewuste avond van 31 januari 2017 niet wist dat het slachtoffer geliquideerd zou worden. Voor zijn aanwezigheid op de plaats delict heeft de verdediging in dat kader als alternatief scenario geschetst dat verdachte, [medeverdachte 4] en het slachtoffer die avond een nieuwe liquidatie zouden moeten uitvoeren in [plaats] op het al bekende doelwit [slachtoffer 3] . Daarmee zouden zij de fouten die zijn gemaakt bij de vergismoord moeten herstellen. Zij gingen naar het pleintje in [plaats] , omdat daar de benodigde auto voor de nieuwe liquidatie zou worden afgeleverd. Zij waren er niet van op de hoogte dat in opdracht van [medeverdachte 3] een parallelle liquidatie was voorbereid op het slachtoffer, die werd uitgevoerd door mensen die werkten onder leiding van [medeverdachte 2] . Verdachte en [medeverdachte 4] zijn in de onderhavige zaak net zo goed misleid als het slachtoffer. Ze zijn alle drie gelokt. Omdat verdachte als tussenpersoon contact moest leggen tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] lijkt het chronologisch gezien alsof hij bemiddeld heeft om te liquideren. Maar daar is geen bewijs voor. [medeverdachte 2] heeft volgens de verdediging zelfstandig, dus zonder dat verdachte en [medeverdachte 4] hiervan op de hoogte waren, besloten om het slachtoffer te liquideren, om zich op die manier te bewijzen naar de organisatie van [C] . Bij de formulering van de feiten en omstandigheden voor dit alternatieve scenario heeft de verdediging zich uitgelaten over de betrouwbaarheid van kroongetuige [medeverdachte 8] en de bruikbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] . De verdediging heeft geconcludeerd dat er geen noodzaak is de betrouwbaarheid van de kroongetuige te betwisten. Voor zover de kroongetuige heeft verklaard over zaken waarvan hij zegt dat hij die van [medeverdachte 2] heeft gehoord, moet echter kritisch naar de verklaringen worden gekeken. Volgens de verdediging is immers niet duidelijk of [medeverdachte 2] tegen de kroongetuige de waarheid heeft gesproken. Bovendien moet rekening worden gehouden met de beperkingen van het menselijk geheugen. Mogelijk heeft de kroongetuige niet alles goed onthouden wat [medeverdachte 2] tegen hem heeft gezegd. Om die reden zijn alleen die elementen uit de verklaringen van de kroongetuige bruikbaar voor het bewijs, die telkens op dezelfde wijze terugkomen en waarbij geen sprake is van eigen interpretatie dan wel invulling door de kroongetuige. Op basis hiervan kan volgens de verdediging uit de verklaringen van de kroongetuige niets worden afgeleid over specifiek de betrokkenheid van verdachte bij de liquidatie op het slachtoffer. De verdediging heeft verder geconcludeerd dat de verklaringen van [getuige 1] niet bruikbaar zijn voor het bewijs. De verklaringen van [getuige 1] zijn gebaseerd op dat wat hij van zijn zoon, het slachtoffer, heeft gehoord. De verklaring van het slachtoffer kan volgens de verdediging echter niet kloppen, omdat die verklaring niet strookt met objectieve bevindingen van het onderzoek. Bovendien ziet de verdediging dat [getuige 1] aspecten in zijn verklaringen invult en aanvult. 5.3 Het oordeel van de rechtbank Bewijsmiddelen De rechtbank merkt vooraf het volgende op. De rechtbank neemt voor de leesbaarheid van dit vonnis de bewijsmiddelen op in bijlage II. De bewijsmiddelen kunnen op deze plaats als ingelast worden beschouwd. Conclusie Gelet op de redengevende feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair aan hem ten laste gelegde feit, te weten het medeplegen van de moord op het slachtoffer op 31 januari 2017 te [plaats] . De rechtbank zal hierna uiteenzetten hoe zij tot deze conclusie is gekomen. Uitgangspunten Charon II Uitgangspunt 1: betrokkenheid van verdachte in onderzoek Roos / Doorn Zoals in de inleiding beschreven, heeft de rechtbank Midden-Nederland verdachte en [medeverdachte 4] bij vonnis van 27 maart 2019 veroordeeld voor het medeplegen van de moord op [slachtoffer 2] , gepleegd op 12 januari 2017 te [plaats] in de wijk [wijk] (onderzoek Roos) en voor het medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de beoogde moord op [slachtoffer 3] op 13 en 14 januari 2017 (onderzoek Doorn). Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in de zaak tegen verdachte dit vonnis bij arrest van 21 april 2022 voor wat betreft de bewezenverklaring bevestigd. Zowel in het vonnis van de rechtbank als in het arrest van het gerechtshof wordt geconcludeerd dat de moord op [slachtoffer 2] een vergismoord betreft. De rechtbank heeft in onderzoek Roos (onder meer) vastgesteld dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 4] de schutters waren en [slachtoffer 1] , het slachtoffer in de onderhavige zaak, degene was die die avond reed. In onderzoek Doorn heeft de rechtbank (onder meer) vastgesteld dat verdachte en [medeverdachte 4] op de avond van 13 januari 2017 opnieuw naar de wijk [wijk] in [plaats] zijn gereden om aan [A] en [B] plaatsen te tonen waar het beoogde doelwit, [slachtoffer 3] , vaak kwam. Nadat deze plaatsen waren aangewezen, zijn verdachte en [medeverdachte 4] teruggebracht naar [plaats] . Vervolgens zijn [A] en [B] in de nacht van 13 op 14 januari 2017 met dezelfde auto teruggegaan naar de wijk [wijk] . Het is uiteindelijk niet tot de beoogde moord gekomen. [A] en [B] zijn die nacht in hun auto aangehouden, waarbij de politie wapens en munitie heeft aangetroffen. De rechtbank neemt de feitelijke vaststelling van en het (juridische) oordeel over de betrokkenheid van verdachte en [medeverdachte 4] in onderzoek Roos / Doorn over. Ook neemt de rechtbank in de onderhavige zaak als uitgangspunt dat het in onderzoek Roos om een vergismoord ging. Uitgangspunt 2: bruikbaarheid van de verklaring van [getuige 1] Bij de vaststelling van de hiervoor omschreven betrokkenheid van verdachte en [medeverdachte 4] in onderzoek Roos / Doorn heeft de rechtbank onder meer gebruik gemaakt van de verklaringen van [getuige 1] , de vader van het slachtoffer in de onderhavige zaak. De rechtbank heeft hiertoe het volgende overwogen: Wat betreft het gebruik van de verklaringen van [getuige 1] overweegt de rechtbank dat dit (belastende) de auditu-verklaringen betreffen. Met dergelijke verklaringen dient in de regel behoedzaam te worden omgegaan. De verdediging dient op grond van artikel 6 EVRM in de gelegenheid te worden gesteld om de getuige behoorlijk en effectief te kunnen bevragen. De rechtbank overweegt daartoe dat de verdediging in die gelegenheid is gesteld doordat [getuige 1] bij de rechter-commissaris is gehoord over diens redenen en de mate van wetenschap omtrent hetgeen [slachtoffer 1] aan hem heeft verklaard. Ten aanzien van de bron zelf, [slachtoffer 1] , heeft de verdediging haar ondervragingsrechten niet kunnen uitoefenen. Dit kon niet meer omdat [slachtoffer 1] is overleden. De omstandigheid dat de verdediging niet ten volle gebruik heeft kunnen maken van haar ondervragingsrecht staat er niet aan in de weg dat een door een getuige afgelegde verklaring voor het bewijs kan worden gebezigd, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 EVRM. Het gaat er daarbij om dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces (“the overall fairness of the trial”). De rechter dient te beoordelen of een bewezenverklaring in beslissende mate op een door een getuige afgelegde verklaring wordt gebaseerd in die zin dat die verklaring daarvoor “the sole or decisive basis” is. Daarnaast komt betekenis toe aan de (compenserende) waarborgen voor de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing die in de nationale wettelijke regeling ter zake van – kort gezegd – het strafrechtelijk bewijsrecht besloten liggen. De rechtbank overweegt in dat kader dat hoewel de verklaringen van [getuige 1] er toe hebben geleid dat het onderzoek zich in een bepaalde richting ontwikkelde, dit niet maakt dat de bewezenverklaring in beslissende mate op deze verklaringen berust. Immers heeft de rechtbank slechts die stukken van de verklaring van [getuige 1] gebruikt die reeds bevestiging hadden gevonden in objectief en/of technisch bewijs, zoals het aantreffen van wapens die bij de liquidatie zijn gebruikt op de vluchtroute en het aantreffen van DNA van de verdachten op de [straat] . Dit gegeven en het gegeven dat [getuige 1] direct na het overlijden van [slachtoffer 1] heeft verklaard over (bij [slachtoffer 1] aanwezige) daderwetenschap, hetgeen hem via het onderzoeksteam dus nog niet ter ore kon zijn gekomen, maakt dat de rechtbank zijn verklaringen bovendien betrouwbaar acht. Dat de verklaringen van [getuige 1] op andere punten inconsistenties bevatten, maakt niet dat deze verklaringen in het geheel niet betrouwbaar zouden zijn. Anders dan door de verdediging is gesteld, is evenmin aannemelijk geworden dat [getuige 1] en/of [slachtoffer 1] een motief hadden om over [medeverdachte 4] en [verdachte] belastend te verklaren terwijl zij niet bij de liquidatie betrokken zouden zijn. Immers blijkt uit de verklaringen van [getuige 1] niet dat [slachtoffer 1] verklaard zou hebben dat [getuige 1] de namen van [medeverdachte 4] en [verdachte] in het kader van betrokkenheid bij het doden van [slachtoffer 2] zou moeten noemen als [slachtoffer 1] wat zou overkomen, maar juist dat [getuige 1] in dat geval zou weten wie er wat met de dood van [slachtoffer 1] te maken zou hebben, mocht hem wat overkomen. Dat [slachtoffer 1] boos was op [verdachte] en daarom zijn naam ten onrechte zou hebben genoemd tegenover [getuige 1] , is niet aannemelijk geworden. [verdachte] heeft hierover voor het eerst ter terechtzitting verklaard. Bovendien heeft [verdachte] hier niet specifiek over verklaard, waardoor deze verklaring als onvoldoende onderbouwd en niet verifieerbaar terzijde moet worden geschoven, zeker in het licht van de overige bewijsmiddelen, waaruit de betrokkenheid van [verdachte] bij deze liquidatie juist blijkt. Het verweer om de verklaringen van [getuige 1] uit te sluiten van het bewijs wordt daarom verworpen. Het gerechtshof heeft over de bruikbaarheid van de verklaring van [getuige 1] aanvullend het volgende overwogen: In aanvulling hierop overweegt het hof dat het gebruik van de verklaring van [getuige 1] geen schending van artikel 6 EVRM oplevert als de procedure die tot de einduitspraak heeft geleid in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Van belang hierbij zijn (
- i)de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (
- ii)het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Deze beoordelingsfactoren moeten daarbij in onderling verband worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring groter is, is het - wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt - des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan. Vaststaat dat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest om [slachtoffer 1] te ondervragen, omdat hij is overleden. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de verklaring van [getuige 1] niet op zichzelf staat. Het is een belangrijke verklaring, maar de bewezenverklaring is niet uitsluitend of in beslissende mate op deze verklaring gebaseerd, waarbij de bewezenverklaarde feiten en de daarvoor gebruikte bewijsmiddelen in onderlinge samenhang dienen te worden bezien. Er is dan ook geen sprake van een verklaring die ‘sole or decisive’ is. De verdediging heeft opnames van de politieverhoren van de [getuige 1] kunnen beluisteren. Op verzoek van de verdediging heeft de politie delen van de politieverklaringen van [getuige 1] woordelijk uitgewerkt. Daarna is [getuige 1] in de onderhavige zaak gehoord bij de rechter-commissaris. De verdediging is bij dat verhoor aanwezig geweest en heeft de getuige uitgebreid kunnen bevragen. Verdachte wordt ook vervolgd in het onderzoek Charon . Dat is het onderzoek naar de gewelddadige dood van [slachtoffer 1] . In die zaak is [getuige 1] ook nog een keer door de rechter-commissaris gehoord en daarbij is de verdediging ook aanwezig geweest. Het proces-verbaal van dit verhoor is bij de stukken van deze zaak gevoegd. [getuige 1] is weliswaar gehoord zonder dat zijn gegevens bekend zijn, maar bij beide verhoren kreeg de verdediging ruim de gelegenheid vragen te stellen die relevant waren voor de beoordeling van de verklaring van de getuige. Voor de verdediging was de relatie die [getuige 1] ten opzichte van [slachtoffer 1] had ook duidelijk. Dat [getuige 1] tijdens zijn verhoren was geschminkt en dat de verhoren via een videoverbinding hebben plaatsgevonden, levert ook geen wezenlijke beperking van het ondervragingsrecht op. De verdediging is daarmee in de gelegenheid geweest om [getuige 1] te bevragen over zowel zijn afgelegde de auditu-verklaring als over al datgene dat betrekking heeft op (de totstandkoming van) de verklaring die [slachtoffer 1] tegenover [getuige 1] heeft afgelegd. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de procedure als overall fair kan worden aangemerkt en dat het gebruik van de verklaring van [getuige 1] voor de bewezenverklaring niet in strijd is met artikel 6 EVRM. Het oordeel over de bruikbaarheid van de verklaringen van [getuige 1] neemt de rechtbank eveneens over. Dit oordeel zal de rechtbank daarom als tweede uitgangspunt nemen bij de beoordeling van de redengevende feiten en omstandigheden in onderzoek Charon II. Dat betekent dat de rechtbank het verweer verwerpt dat de verklaringen van [getuige 1] niet bruikbaar zijn voor het bewijs. Daarbij benadrukt de rechtbank dat zij alleen die onderdelen van de verklaringen van [getuige 1] zal gebruiken waarvoor voldoende steunbewijs aanwezig is. Daar waar de verklaring van [getuige 1] uitsluitend een interpretatie dan wel een invulling van feiten en omstandigheden inhoudt, zal de rechtbank de verklaring niet gebruiken. Uitgangspunt 3: bruikbaarheid van de verklaring van de kroongetuige In het dossier bevindt zich ook een groot aantal verklaringen van kroongetuige [medeverdachte 8] . Het is de (kern)taak van de zittingsrechter om de betrouwbaarheid van de verklaringen te toetsen. Tevens kunnen vragen aan de orde komen of de overeenkomst die tussen het Openbaar Ministerie en de kroongetuige rechtmatig is. De verdediging heeft de rechtmatigheid van de overeenkomst niet betwist. De verdediging heeft de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige op zichzelf ook niet betwist. De rechtbank zal zich op dit punt echter wel zelfstandig een oordeel moeten vormen en dit nader moeten motiveren, indien zij de verklaringen van de kroongetuige voor het bewijs wil gebruiken. Daarvoor acht zij het volgende van belang. De kroongetuige is veelvuldig gehoord. Allereerst hebben vele kluis- en tactische verhoren plaatsgevonden door de politie. Later is de kroongetuige in aanwezigheid van de verdediging gehoord door de rechter-commissaris en weer later ter terechtzitting in het onderzoek Eris en recent in het onderzoek Charon II. De processen-verbaal van al deze verhoren maken onderdeel uit van het procesdossier van de onderhavige strafzaak. Bij de bestudering van de verklaringen die tijdens al deze verhoren zijn afgelegd, heeft de rechtbank in de eerste plaats geconstateerd dat de kroongetuige consistent is in zijn verklaringen. Opvallend daarbij is dat hij niet alleen consistent is in wat hij wel weet, maar ook in wat hij niet weet. Dat kwam meermaals tot uiting in zijn verklaringen over de onderhavige zaak. Bij de liquidatie van het slachtoffer in de onderhavige zaak heeft hij zelf geen betrokkenheid gehad. Zijn wetenschap over deze liquidatie is dan ook beperkt. Als gevolg hiervan is hij op meerdere vragen over deze strafzaak - in het bijzonder over de betrokkenheid van verdachte en [medeverdachte 4] hierbij - een antwoord schuldig gebleven. Daar waar de kroongetuige wel een antwoord op vragen heeft kunnen geven over de onderhavige zaak, zijn deze antwoorden in grote mate gebaseerd op dat wat hij van [medeverdachte 2] heeft gehoord. Net als bij [getuige 1] gaat het om zogenaamde ‘de auditu’ verklaringen, wat de kroongetuige ook zelf steeds benadrukt. Zo verklaart hij: “Ik heb van [medeverdachte 2] gehoord dat…”. Daar waar hij op andere wijze aan relevante informatie is gekomen, licht hij dat ook toe. Hij heeft bijvoorbeeld verklaard dat hij van [medeverdachte 6] zelf heeft gehoord dat hij zijn gezicht heeft verbrand bij het in brand steken van een auto. Daar waar hij een interpretatie geeft over een bepaalde gebeurtenis geeft hij dat ook aan. Bij het geven van betekenis aan termen en namen die voorkomen in chatgesprekken heeft de kroongetuige wel uit eigen wetenschap verklaard. Dat is niet verwonderlijk. De kroongetuige was net als een aantal van de verdachten uit het onderzoek Eris en deelonderzoek Charon I lid van motorclub [motorclub 1] . Voor de hand ligt dan ook dat hij termen en namen die in chatgesprekken door clubgenoten worden gebruikt, kent vanuit zijn hoedanigheid als lid van de club. Voor de hand ligt ook dat hij vanuit die hoedanigheid op de hoogte is van bepaalde samenwerkingsverbanden. Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de kroongetuige acht de rechtbank verder van belang dat de kern van zijn verklaringen steeds dezelfde is. Zowel in de vele verklaringen die hij bij de politie heeft afgelegd, als in de verklaringen die hij later bij de rechter-commissaris en ten overstaan van de rechtbank heeft afgelegd, herhaalt hij deze kern. Bij het verwoorden van die kern tijdens de terechtzitting van de onderhavige strafzaak is hij bovendien overtuigend op de rechtbank overgekomen. Dat de verklaringen rondom die kern wel eens aan veranderingen onderhevig zijn geweest, zoals door de verdediging is betoogd, acht de rechtbank van ondergeschikt belang bij de betrouwbaarheidstoets. Daarbij merkt zij op dat de belangrijkste onderdelen van de verklaringen steun vinden in andere onderzoeksbevindingen. De conclusie is dat de rechtbank de verklaringen van de kroongetuige betrouwbaar acht. Zij zal dit als derde uitgangspunt meenemen bij de beoordeling. Net als bij ‘gewone’ getuigen zal de rechtbank echter behoedzaam omgaan met de verklaringen van de kroongetuige. Dat geldt des te meer omdat - zoals hiervoor beschreven - de verklaringen van de kroongetuige met betrekking tot Charon met name ‘de auditu’ verklaringen zijn, namelijk van wat hij heeft gehoord van [medeverdachte 2] . De rechtbank zal de verklaringen daarom alleen voor het bewijs gebruiken, voor zover daarvoor voldoende steunbewijs aanwezig is. De feiten en omstandigheden De context van de liquidatie van [slachtoffer 1] De rechtbank neemt, zoals hiervoor overwogen, als uitgangspunt dat verdachte samen met [medeverdachte 4] en het slachtoffer in de onderhavige zaak betrokken is geweest bij de vergismoord van [slachtoffer 2] in [plaats] en bij de voorbereiding om die vergismoord te herstellen door alsnog het beoogde doelwit, [slachtoffer 3] , om het leven te brengen. In de verklaringen van de kroongetuige komt meerdere keren terug dat hij weet dat er een vergismoord in [plaats] heeft plaatsgevonden. Samengevat komen deze verklaringen erop neer dat de zoon van [bijnaam medeverdachte 1] betrokken was bij die vergismoord en problemen had. [bijnaam medeverdachte 1] heeft [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) vervolgens om hulp gevraagd, om ervoor te zorgen dat zijn zoon niets zou overkomen. Daarvoor moest [medeverdachte 2] een represaille uitvoeren. Als die was geslaagd, zou [medeverdachte 2] het stokje overnemen van de zoon van [bijnaam medeverdachte 1] . Eén van degenen die betrokken waren bij de vergismoord is vervolgens daadwerkelijk geliquideerd, aldus de verklaring van de kroongetuige. Dat betekent dat de represaille was gelukt. [medeverdachte 2] zou dat hebben geregeld in opdracht van de organisatie die ook achter de vergismoord zat, te weten de organisatie van [C] . Hij zou zich daarmee hebben bewezen naar die organisatie. Aanvankelijk stond de zoon van [bijnaam medeverdachte 1] in rechtstreeks contact met die organisatie en voerde hij werkzaamheden voor die organisatie uit. Na de geslaagde represaille mocht [medeverdachte 2] het werk overnemen van de zoon van [bijnaam medeverdachte 1] . Op basis van de inhoud van deze verklaringen, in samenhang bezien met het vonnis en arrest uit onderzoek Roos / Doorn en de bewijsmiddelen uit het onderhavige onderzoek, concludeert de rechtbank dat de kroongetuige doelt op de vergismoord van [slachtoffer 2] in [plaats] en dat de represaille de liquidatie van slachtoffer [slachtoffer 1] uit onderhavige strafzaak is. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte de vergismoord heeft gepleegd in opdracht van de organisatie van vermoedelijk [C] . Ook gaat de rechtbank er gelet op de bewijsmiddelen vanuit dat [bijnaam medeverdachte 1] de bijnaam is van [medeverdachte 1] , de vader van verdachte. De rechtbank onderschrijft daarmee het standpunt van de officier van justitie dat de liquidatie van het onderzoek Charon in verband staat met het onderzoek Roos / Doorn. De context, zoals hiervoor vastgesteld, is van belang voor de verdere vaststelling van de feiten en omstandigheden rondom de liquidatie van het slachtoffer. Tijdlijn De rechtbank zal hierna aan de hand van een tijdlijn vaststellen welke gebeurtenissen hebben plaatsgevonden in de periode van 12 januari 2017 tot en met 23 februari 2017. Daarbij zal zij zoveel mogelijk duiding geven aan de verschillende gebeurtenissen. Het vaststellen van de tijdlijn acht zij van belang voor de beoordeling van de ten laste gelegde feiten. Donderdag 12 januari 2017 Zoals hiervoor overwogen, neemt de rechtbank als uitgangspunt dat verdachte, [medeverdachte 4] en het slachtoffer op 12 januari 2017 als schutters respectievelijk bestuurder betrokken zijn geweest bij de liquidatie van [slachtoffer 2] , de zogenaamde vergismoord in [plaats] . Vrijdag 13 januari 2017 Op 13 januari 2017 zijn door verdachte en [medeverdachte 4] voorbereidingen getroffen om het beoogde doelwit [slachtoffer 3] alsnog te vermoorden. Het slachtoffer in de onderhavige zaak was daar opnieuw bij betrokken. Tijdens de verkenning van de plek waar de beoogde liquidatie moest plaatsvinden, zat ook getuige [B] in de auto. De rechtbank stelt aan de hand van de verklaring van getuige [B] vast dat het slachtoffer zich tijdens de voorbereiding voor de beoogde moord op [slachtoffer 3] heeft teruggetrokken. Op enig moment was er een discussie met het slachtoffer en toen is hij weggelopen. Dat er een discussie met het slachtoffer heeft plaatsgevonden, vindt steun in de verklaring van [getuige 1] . Hij heeft verklaard dat hij van het slachtoffer heeft gehoord dat hij niet meer mee wilde doen aan de liquidatie van [slachtoffer 3] . Als het slachtoffer niet meer mee zou gaan, zou het ophouden voor hem, zo heeft hij kennelijk aan [getuige 1] verteld. Vrijdag 20 januari 2017 [getuige 1] heeft verklaard dat het slachtoffer hem op vrijdag 20 januari 2017 heeft verteld dat hij samen met verdachte en [medeverdachte 4] betrokken is geweest bij de liquidatie in [plaats] , waar de verkeerde was neergeschoten. Volgens [getuige 1] zou het slachtoffer tegen meer mensen hebben gesproken over de vergismoord. Woensdag 25 januari 2017 Op 25 januari 2017 vindt er een ontmoeting plaats tussen [medeverdachte 2] en [bijnaam medeverdachte 1] . Dat blijkt uit een chat tussen beiden van die dag. De rechtbank concludeert op basis van de bewijsmiddelen dat [bijnaam medeverdachte 1] (net als [bijnaam medeverdachte 1] ) een bijnaam is van [medeverdachte 1] , de vader van verdachte. Dat er op 25 januari 2017 een ontmoeting heeft plaatsgevonden tussen hem en [medeverdachte 2] , past bij de verklaring van de kroongetuige, inhoudende dat [bijnaam medeverdachte 1] in de periode na de vergismoord naar [medeverdachte 2] is gegaan om hulp te vragen. Donderdag 26 januari 2017 Op 26 januari 2017 vindt er een ontmoeting plaats tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , waarbij ook verdachte aanwezig was. Vrijdag 27 januari 2017 Op vrijdag 27 januari 2017 vindt er wederom een ontmoeting plaats tussen [medeverdachte 2] en verdachte. Uit de inhoud van de chats in combinatie met de historische verkeersgegevens van de telefoon van verdachte volgt dat er in [plaats] rond 22:00 uur wordt afgesproken, waarna verdachte rond 23:30 uur met de trein vanaf [plaats] richting [plaats] reist. Zaterdag 28 januari 2017 Op 28 januari 2017 vinden diverse chats plaats tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . De rechtbank concludeert dat deze chats niet anders kunnen worden uitgelegd dan dat verdachte en [medeverdachte 4] die dag op zoek zijn geweest naar het slachtoffer en dat verdachte daarover communiceerde met zijn vader, die de informatie vervolgens doorgaf aan [medeverdachte 2] . Verdachte en [medeverdachte 4] zijn zowel langs de moeder als de vriendin van het slachtoffer gegaan om hem te vinden. Uiteindelijk vinden ze hem in de avond bij zijn vader, [getuige 1] . Tijdens dit bezoek is er kennelijk gesproken over iets nieuws dat het slachtoffer moest gaan doen. Daarvoor moest hij ook telefonisch bereikbaar zijn. [getuige 1] heeft daarom een Lyca-kaartje voor een telefoon van het merk Alcatel aan het slachtoffer gegeven. De rechtbank concludeert dat informatie over de zoektocht naar en vervolgens het bezoek aan het slachtoffer kennelijk relevant was voor [medeverdachte 2] , nu dit direct met hem wordt gedeeld. In de berichten wordt gechat dat [medeverdachte 2] “paraat was en dat hij het even moet cancelen”, wat er op duidt dat er iets stond te gebeuren dat niet door kon gaan. [medeverdachte 2] wordt niet alleen direct geïnformeerd over de zoektocht naar en uiteindelijk het vinden van het slachtoffer, maar na afloop van het bezoek geeft verdachte via [medeverdachte 1] ook aan snel contact met [medeverdachte 2] te willen hebben. Direct daarop maken verdachte en [medeverdachte 2] onderling een afspraak om elkaar de volgende dag te treffen in [plaats] . Zondag 29 januari 2017 Op 29 januari 2017 chat verdachte even na middernacht naar [medeverdachte 2] . Kennelijk wil verdachte hem die dag voor 12:00 uur ontmoeten, hetgeen wordt bevestigd in een PGP-chatgesprek tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] diezelfde nacht. Uit het vervolg van het PGP-chatgesprek tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] blijkt dat er daadwerkelijk rond 12:00 uur een afspraak heeft plaatsgevonden tussen (wederom) verdachte en [medeverdachte 2] in [plaats] aan de [straat] . Even voor 13:00 uur vindt opnieuw een whatsapp-chat plaats tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] laat aan [medeverdachte 2] weten dat “dat ding vandaag geregeld moet worden” en dat die mannen druk zetten. Ook zegt hij: “Morgen heeft het gevolgen voor die mannen”. [medeverdachte 2] maakt echter duidelijk dat vandaag niet kan en dat hij “die man heeft uitgelegd” dat hij één dag moet hebben, omdat “wij” anders fouten maken. Dat “het gevolgen kan hebben voor die mannen” past bij de verklaring van de kroongetuige dat [bijnaam medeverdachte 1] hulp heeft gezocht bij [medeverdachte 2] om ervoor te zorgen dat zijn zoon, die in de problemen zat door de vergismoord, niets zou overkomen. De rechtbank concludeert op basis van deze chats dat er kennelijk druk wordt uitgeoefend op (het team van) [medeverdachte 2] . Uit de verklaring van [getuige 1] volgt dat dezelfde dag ook een ontmoeting heeft plaatsgevonden tussen verdachte, [medeverdachte 4] en het slachtoffer. Het slachtoffer moest zich in [plaats] in de middag melden om 15:00 uur of 17:00 uur. Dit is na de ontmoeting tussen verdachte en [medeverdachte 2] , die rond 12:00 uur plaatsvond. Hij was over deze ontmoeting gebeld op het telefoonnummer behorend bij zijn Lyca kaartje en had aan [getuige 1] verteld dat het om dezelfde jongens ging. Dit vindt bevestiging in de verklaring van [medeverdachte 4] , die heeft verklaard dat ze voor die dag via het telefoonnummer behorend bij het Lyca kaartje een afspraak met het slachtoffer hadden gemaakt en dat het slachtoffer rond 16:00 uur naar de lounge in [plaats] is gekomen. Het slachtoffer is na ongeveer twee uur weggegaan, wat past bij de verklaring van [getuige 1] dat hij rond 19:30 uur weer thuis kwam. Verdachte en [medeverdachte 4] zijn in de lounge gebleven. Maandag 30 januari 2017 De dag begint om 00:07 uur met een chat tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , waarin [medeverdachte 1] aangeeft dat die jongen een manier heeft gevonden om dat ding uit te stellen tot morgen. De rechtbank concludeert dat met ‘die jongen’ wederom verdachte wordt bedoeld. Dat het hier over verdachte gaat, volgt namelijk uit het vervolg van de chat. Daarin wordt afgesproken dat [medeverdachte 2] hem de dag erna op dezelfde plek als ‘vandaag’ zal ontmoeten. Zoals hiervoor vastgesteld, heeft op 29 januari 2017 rond 12:00 uur een ontmoeting plaatsgevonden tussen [medeverdachte 2] en verdachte aan de [straat] in [plaats] . Gelet op het tijdstip van de chat, in combinatie met de inhoud hiervan, gaat de rechtbank ervan uit dat met ‘vandaag’ 29 januari 2017 wordt bedoeld. Op basis van het vervolg van deze chat stelt de rechtbank vast dat op 30 januari 2017, uiteindelijk rond kwart voor twee in de middag, er opnieuw een afspraak tussen verdachte en [medeverdachte 2] aan de [straat] in [plaats] heeft plaatsgevonden. In de middag van 30 januari 2017 vindt weer een ontmoeting in [plaats] plaats tussen verdachte, [medeverdachte 4] en het slachtoffer. Dat volgt niet alleen uit de verklaring van [getuige 1] , maar ook uit de verklaring van [medeverdachte 4] . Deze ontmoeting gaat in de avond en nacht door. Vanaf ongeveer 18:00 uur tot 20:00 uur en vanaf ongeveer 22:30 uur heeft het nummer eindigend op [telefoonnummer] , dat blijkens de bewijsmiddelen aan verdachte kan worden toegeschreven, zendmasten aangestraald in de buurt van café [café] . De rechtbank leidt hieruit alsook uit de verklaring van [medeverdachte 4] af dat de ontmoeting weer in dat loungecafé heeft plaatsgevonden. Tussen verdachte, [medeverdachte 4] en het slachtoffer is die dag afgesproken dat ze elkaar de volgende dag, 31 januari 2017, weer zullen ontmoeten. Uit een PGP-chat tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] volgt dat er die avond ook nog een ontmoeting heeft plaatsgevonden tussen [medeverdachte 2] en verdachte. Om 20:18 uur chat [medeverdachte 1] immers aan [medeverdachte 2] : “Same place”. Om 20:23 uur chat hij: “3 à 4 min is hij er”. Aldus lijken [medeverdachte 2] en verdachte elkaar rond 20:26 a 20:27 uur te zien. De historische gegevens van de telefoon van verdachte laten zien dat hij die avond in ieder geval om 21:12:31 uur een zendmast heeft aangestraald in de directe omgeving van de [straat] te [plaats] , waar [medeverdachte 2] en verdachte elkaar twee keer eerder hebben ontmoet. Dat duidt erop dat verdachte zijn ontmoeting met het slachtoffer in [café] die avond heeft onderbroken voor wederom een ontmoeting met [medeverdachte 2] . Opvallend is dat de contactnaam ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 3] ’ die op basis van de processen-verbaal van veredeling aan [medeverdachte 3] kan worden toegeschreven, die avond om 20:29 uur in een PGP-toestel is gezet met een nummer eindigend op [telefoonnummer] . Dit PGP-toestel heeft die dag een reisbeweging gemaakt van [plaats] naar [plaats] . Bij het eerste gebruik van de desbetreffende PGP, straalde deze een zendmast aan in de directe omgeving van de woning van [D] in [plaats] . Bij hem thuis is administratie aangetroffen van meerdere simkaarten van PGP-toestellen, die onder meer te relateren waren aan [medeverdachte 2] . Het eerste deel van de reisbeweging van [plaats] naar [plaats] heeft de PGP ook samen met [D] gemaakt. Dat blijkt uit de zendmasten die de telefoon van [D] tijdens die reisbeweging heeft aangestraald. Op enig moment, vanaf 20:21 uur die avond, lopen de reisbeweging van [D] enerzijds en die van de PGP anderzijds echter uiteen. Dat betekent dat een overdracht van de PGP aan een ander heeft plaatsgevonden. Het moment dat de contactnaam ‘ [PGP gebruikersnaam medeverdachte 3] ’ in het PGP-toestel werd gezet, is rondom het moment van de ontmoeting tussen verdachte en [medeverdachte 2] van die avond in [plaats] aan de [straat] . De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat tijdens deze ontmoeting op 30 januari het PGP-toestel met daarin de naam van [PGP gebruikersnaam medeverdachte 3] aan [medeverdachte 2] moet zijn overgedragen. Dat vindt bevestiging in de chat tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] van 31 januari 2017, waarin [medeverdachte 2] om 11:34 uur zegt: “Ik ga zo op dat ding” in combinatie met de datasessie van dit PGP-toestel om 12:41 uur. Dat verdachte betrokken is bij de overdracht van deze PGP blijkt uit de chat om 17:11 uur van [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] : “Hij zei dat hij je een nieuwe telefoon heeft gegeven” en “hij zegt dat die mannen zien dat je leest maar dat je niet reageert op zijn berichten”, “dat vragen ze aan hem waarom jij niet reageert”. Ook wordt verdachte er kennelijk op aangesproken als [medeverdachte 2] niet reageert op berichten op dit PGP-toestel. Dat met ‘hij’ in de chats verdachte wordt bedoeld, leidt de rechtbank af uit het vervolg van datzelfde gesprek waarbij [medeverdachte 2] chat: “die jongen van jou moet veel leren”. Ongeveer een uur na de ontmoeting tussen [medeverdachte 2] en verdachte beginnen er Whatsapp-gesprekken tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] en [E] . Hij zegt dan onder meer dat hij in de [locatie] in [plaats] is. Het PGP-toestel met nummer [telefoonnummer] straalt op dat moment aan op een zendlocatie in [plaats] . De rechtbank ziet hierin bevestiging dat het PGP-toestel met nummer [telefoonnummer] die avond aan [medeverdachte 2] is overgedragen. Dinsdag 31 januari 2017 Op 31 januari 2017 vindt vanaf ongeveer 01:00 uur opnieuw chatcontact plaats tussen [medeverdachte 2] en [E] . Besproken wordt dat [E] iets moet ophalen bij ‘sport’. Daarna moeten ze naar het adres [adres] in [plaats] komen. Dat is het adres van [F] , de vriendin van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] vraagt [E] af te stemmen met [bijnaam medeverdachte 5] . [E] laat weten dat [bijnaam medeverdachte 5] naar ‘sport’ komt. Ook vraagt [medeverdachte 2] of ze [medeverdachte 7] willen halen. Met [bijnaam medeverdachte 5] wordt blijkens de bewijsmiddelen [medeverdachte 5] bedoeld. Met ‘sport’ wordt de sportschool van [G] , de broer van [medeverdachte 2] , bedoeld en met [medeverdachte 7] wordt blijkens de bewijsmiddelen [medeverdachte 7] bedoeld. De kroongetuige heeft over [bijnaam medeverdachte 5] verklaard dat hij normaal gesproken een team vormt met onder andere [medeverdachte 6] . Zij zijn allebei lid van de motorclub [motorclub 1] en hebben samen meerdere liquidaties uitgevoerd in opdracht van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 6] heeft verklaard dat hij in opdracht van [medeverdachte 2] een auto in brand heeft gestoken. [medeverdachte 7] is ook lid van de motorclub [motorclub 1] . De rechtbank concludeert dat [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7] opdrachten aannemen van [medeverdachte 2] . Dezelfde nacht, om 04:19 uur, komt het slachtoffer terug van zijn ontmoeting met in ieder geval verdachte en [medeverdachte 4] . Verdachte kwam die ochtend ook pas rond 05:00 uur thuis, zo blijkt uit een chat tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] rond 11:30 uur. Ook [medeverdachte 4] heeft verklaard dat ze op 31 januari 2017 tot vroeg in de ochtend in [plaats] zijn verbleven. Het slachtoffer laat bij thuiskomst aan [getuige 1] zien dat hij een PGP-telefoon heeft gekregen. Gelet op het feit dat hij de PGP-telefoon meteen na thuiskomst laat zien, na een lange ontmoeting met in ieder geval verdachte en [medeverdachte 4] , concludeert de rechtbank dat het slachtoffer die PGP tijdens die ontmoeting heeft ontvangen. Later die ochtend vertelt het slachtoffer aan [getuige 1] dat er die avond iets gaat gebeuren. Hij moet een laatste klusje doen. Uit zijn gebaar met zijn hand langs zijn keel maakt [getuige 1] op dat er iemand dood moest. De rechtbank concludeert dat het voor het slachtoffer duidelijk moet zijn geweest dat er die avond nog een liquidatie zou plaatsvinden. Dat hij een PGP heeft ontvangen past daarbij. Rond 16:00 uur vindt er weer chatcontact plaats tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] chat: “Hoe laat vraagt ie”, “zou je op zijn schrijven kunnen reageren”. Het slachtoffer is rond 17:00 uur die dag richting [plaats] vertrokken. Hij heeft verdachte, [medeverdachte 4] en een vierde man op station [locatie] ontmoet. Verdachte, [medeverdachte 4] en die vierde man waren daarvoor al samen in de stad geweest. In de buurt van [plaats] hebben ze vervolgens met zijn vieren rondgelopen. Daarna zijn ze enige tijd uit elkaar gegaan. Het slachtoffer en de vierde man zijn de ene kant op gegaan en verdachte en [medeverdachte 4] zijn naar huis gegaan. Verdachte heeft zich toen omgekleed. Dat was tussen 20:00 uur en 21:00 uur. In die tussentijd, om 20:35 uur, chat [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] dat hij moet texten, want die jongen wacht op hem. De rechtbank concludeert dat verdachte op dat moment wacht op een bericht van [medeverdachte 2] . Eerder die avond, om 18:55 uur, laat [E] in een chat aan [medeverdachte 2] weten dat hij die dag niet mee kan. Kort daarop vraagt [medeverdachte 2] aan [G] , zijn broer, of hij nog met [bijnaam medeverdachte 5] is. Ook vraagt hij of ze [medeverdachte 7] halen. “ [bijnaam medeverdachte 5] weet”, zegt hij erbij. Ze moeten iets ophalen bij ‘sport’ en daarna naar [bijnaam F] , de bijnaam van [F] . Verdachte, [medeverdachte 4] , de vierde man en het slachtoffer treffen elkaar later die avond weer op de [straat] . Na wat rondlopen komen ze op het pleintje van de [straat] . Dat is rond 23:00 uur. Het slachtoffer loopt op dat moment voorop. Verdachte loopt daarachter en [medeverdachte 4] en de vierde man lopen daar weer achter. Verdachte ziet op dat moment een man op hen af komen en hij hoort schoten. Hij is weggerend, maar ziet bij het omkijken nog dat het slachtoffer in elkaar zakt. Het slachtoffer is doodgeschoten. Het slachtoffer is geïdentificeerd als [slachtoffer 1] . In de directe omgeving van het slachtoffer zijn meerdere hulzen aangetroffen. Op een aantal daarvan is DNA van [medeverdachte 5] (bijnaam: [bijnaam medeverdachte 5] ) aangetroffen. De rechtbank concludeert dat [medeverdachte 5] de schutter is geweest van deze liquidatie. Hij heeft bij de liquidatie een (semi-) automatisch werkend aanvalsgeweer gebruikt. Zoals hiervoor vastgesteld is [medeverdachte 5] één van degenen die opdrachten aanneemt van [medeverdachte 2] . Uit de chats die [medeverdachte 2] eerder die dag heeft gevoerd met [E] respectievelijk [G] volgt ook dat hij zaken aan het regelen was waarbij onder meer [medeverdachte 5] betrokken was. Woensdag 1 februari 2017 Op 1 februari 2017 chatten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] weer over ‘die jongen’. [medeverdachte 1] kan hem kennelijk niet bereiken. Om 20:52 uur zegt [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 2] dat hij kan komen. [medeverdachte 2] noemt het adres, [adres] . Om 22:10 uur zegt [medeverdachte 1] dat hij voor het hotel staat. Uit een uitnodiging van [medeverdachte 7] volgt dat hij die avond een feest geeft in het hotel aan de [adres] te [plaats] . Gelet op voornoemde chat tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , concludeert de rechtbank dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij dat feest aanwezig zijn geweest. Op een telefoon van [medeverdachte 5] zijn diverse foto’s aangetroffen. Op één van de foto’s zijn onder meer [E] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] te zien. De foto is genomen op de locatie van het feest, zodat de rechtbank concludeert dat de hiervoor genoemde personen ook op het feest in het strandhotel aanwezig waren. Op een andere foto die op de telefoon van [medeverdachte 5] is aangetroffen, is een stapel bankbiljetten te zien. De foto is genomen in een toilet op 1 februari 2017 om 23:36:57 uur. Gelet op het tijdstip van de foto concludeert de rechtbank dat deze foto eveneens tijdens het feest in het strandhotel moet zijn genomen. Kennelijk beschikte [medeverdachte 5] op dat moment over een grote hoeveelheid geld. Zoals de rechtbank hiervoor heeft vastgesteld, was [medeverdachte 5] , die op 1 februari 2017 de foto van het geld heeft genomen, de schutter van de liquidatie in onderhavige zaak. Gelet op het feit dat de foto van het geld een dag na de onderhavige liquidatie is genomen op een feest waarbij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] allebei aanwezig waren, alsmede gelet op het feit dat [medeverdachte 2] in de chat van 23 februari 2017 spreekt over het geven van geld aan een schutter, concludeert de rechtbank dat [medeverdachte 2] op 1 februari 2017 een betaling heeft gedaan aan [medeverdachte 5] voor zijn aandeel bij de liquidatie van het slachtoffer in onderhavige zaak. Vrijdag 3 februari 2017 Op vrijdag 3 februari 2017 is er weer chatcontact tussen verdachte en zijn vader, [medeverdachte 1] . Op de vraag van zijn vader hoe het met hem gaat, antwoordt verdachte: “Ja relaxed ff”. [medeverdachte 1] vraagt in de chat of verdachte al voor hem heeft wat hij hem zou geven: “a djing djing”. “Nog niet”, reageert verdachte, maar “komt goed”. Zaterdag 4 februari 2017 Op 4 februari 2017 vindt om 01:27 uur een chat plaats tussen de gebruiker van het PGP accountnummer [PGP accountnummer] en [PGP gebruikersnaam medeverdachte 3] , in gebruik bij [medeverdachte 3] . Op basis van de processen-verbaal van veredeling kan het account met het nummer [PGP accountnummer] , dat hoort bij de gebruikersnaam [PGP gebruikersnaam medeverdachte 2] , worden toegeschreven aan [medeverdachte 2] . In deze PGP-chat laat [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 2] weten dat hij het deze dagen ff met hem moet doen. [medeverdachte 2] reageert door te zeggen dat hij dit heeft begrepen. Hij zegt: “Zet hem op scherp, want ze gaan willen doorzagen”. Ook zegt hij: “Maar vervelend voor onze mensen”. Waarop [medeverdachte 3] zegt: “Ja tuurlijk sir , we willen niemand missen die aan onze kant staat”. De rechtbank concludeert op basis van deze chat dat er even geen contact meer kan zijn tussen [medeverdachte 2] en verdachte, dat het contact nu rechtstreeks moet plaatsvinden met [medeverdachte 3] en dat er gesproken wordt over het verhoor van verdachte bij de politie een dag later op 5 februari 2017. Dit vindt bevestiging in een chat tussen [medeverdachte 2] en [PGP gebruikersnaam verdachte] , die direct aansluitend aan de hiervoor vermelde chat plaatsvindt. De rechtbank schrijft op basis van de processen-verbaal van veredeling het account ‘ [PGP gebruikersnaam verdachte] ’ toe aan verdachte. Verdachte laat in deze chat onder meer blijken dat hij verwacht een tijdje vast te komen zitten. Hij zegt ook: “Al die dingen kan je aan die andere man vragen, deze man neemt het over”. Dat sluit aan bij de conclusie van hiervoor, dat [medeverdachte 2] een tijdje rechtstreeks contact moet hebben met [medeverdachte 3] . Verder wordt in de chat tussen [medeverdachte 2] en verdachte besproken hoe hij, verdachte, ‘het moet uitleggen’. [medeverdachte 2] zegt: “Je handelde in paniek toch, zo moet je het uitleggen, en jullie wilden een ruzie bijleggen, jij ging mee maar was bang, paar Afrikanen waren geript, dichtbij waarheid blijven”. De rechtbank concludeert dat [medeverdachte 2] en verdachte met elkaar afstemmen wat verdachte de volgende dag tegen de politie zal zeggen over zijn aanwezigheid op de plaats delict. Dat vindt bovendien bevestiging in de verklaring zoals verdachte die heeft afgelegd bij de politie op 5 februari 2017, die past in het door [medeverdachte 2] geschetste scenario. Verdachte heeft toen verklaard dat hij die avond met het slachtoffer mee was vanwege een conflict met Marokkanen naar aanleiding van een drugsdeal. In dezelfde chat met [medeverdachte 2] zegt verdachte ook: “Laat die mannen geen druk op je zetten”. [medeverdachte 2] vraagt vervolgens: “En hoe weet ik wat de prijzen echt zijn?” Waarop verdachte reageert met de woorden: “Hij is correct met u die hele orga is correct met u. Prijzen zijn altijd real”. Ook zegt hij: “Ik bestel nu bij hem wat ik nodig heb”. Waarop verdachte reageert met: “Na elke actie kan j meer en meer eisen stellen en pgps vragen. Regel er één voor vaders”. De rechtbank concludeert dat hier wordt gesproken over de overname van de werkzaamheden van verdachte door [medeverdachte 2] , waarover de kroongetuige heeft verklaard. De overname kon volgens de verklaring van de kroongetuige plaatsvinden nadat de represaille onder leiding van [medeverdachte 2] was geslaagd. Het moment van deze chat past daarbij. Dat verdachte aan [medeverdachte 2] vraagt “er één voor vaders te regelen, nadat hij heeft gezegd ‘na elke actie kan j meer en meer eisen stellen en pgps vragen’”, sluit aan bij de chat die verdachte een dag eerder met ‘pap’, ( [medeverdachte 1] ) heeft gevoerd. Daarin vraagt ‘pap’: “Heb je dat al wat je mij zou geven, a djing djing”. De rechtbank concludeert dat het hier om een telefoon gaat. Dit draagt eveneens bij aan de conclusie van de rechtbank dat de gebruikersnaam [PGP gebruikersnaam verdachte] aan verdachte kan worden gekoppeld. Dat ‘djing djing’ een telefoon is, volgt ook uit een ander deel van deze chat. Voordat tussen [medeverdachte 2] en verdachte wordt besproken ‘hoe verdachte het moet uitleggen’, vraagt [medeverdachte 2] aan verdachte: “En nog iets. Had je je normale djong djing op de spot”, waarop verdachte antwoordt: “Nee zeer zeker niet”. Door de ‘normale’ telefoon van verdachte zijn in de avond van 31 januari 2017 ook geen zendmasten aangestraald. In de chat van 4 februari 2017 tussen verdachte en [medeverdachte 2] komt verder naar voren dat een betaling niet goed is gegaan. Verdachte vraagt om niet meer te praten over het geld dat laatst ontbrak, die 7,5K. [medeverdachte 2] zegt dat hij het zal regelen met de grote man. De precieze omvang van dit geldbedrag komt later terug in een chat van 23 februari 2017 tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . In die chat wordt ook gesproken over het missen van een geldbedrag van 4500 en een mazzel van 3000 voor ‘hem en zijn vader’. In totaal dus 7,5K. Gelet op de context van de chat van 23 februari 2017 en al het voorgaande kan het niet anders zijn dan dat met ‘hem en zijn vader’ verdachte en [medeverdachte 1] worden bedoeld, hetgeen opnieuw bevestigt dat het account [PGP gebruikersnaam verdachte] bij verdachte in gebruik was. In een chat van 4 februari 2017 tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] wordt ten slotte vanaf 03:44 uur gesproken over ‘lichterlaaie tussen bloemendeel en [plaats] ’. [medeverdachte 2] zegt: “Eén van mijn mensen is zelfs bijna verbrand”. [medeverdachte 6] heeft verklaard dat hij in opdracht van [medeverdachte 2] een auto in brand heeft gestoken in [plaats] . De kroongetuige heeft dat ook verklaard. Volgens hem was die auto gebruikt bij een liquidatie, waarbij [medeverdachte 7] betrokken was als chauffeur. De rechtbank concludeert dat het hier om de auto gaat die is gebruikt bij de liquidatie in de onderhavige zaak. Het tijdstip van het in brandsteken, een paar dagen na 31 januari 2017, alsmede de locatie, past daarbij. Bovendien heeft de rechtbank eerder vastgesteld dat [medeverdachte 6] in een team zat met [medeverdachte 5] , de schutter van de liquidatie in de onderhavige zaak. De door de kroongetuige gestelde betrokkenheid van [medeverdachte 7] bij deze liquidatie vindt bovendien bevestiging in de chats die [medeverdachte 2] op 31 januari 2017 met [E] en [G] had. Daarin zegt hij onder meer dat [medeverdachte 7] die avond opgehaald moet worden. [medeverdachte 7] is de bijnaam van [medeverdachte 7] , ook lid van [motorclub 1] en ook aanwezig op het feest van 1 februari 2017 waar de betaling aan in ieder geval de schutter van deze liquidatie heeft plaatsgevonden. Woensdag 22 februari 2017 De rechtbank concludeert dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in een chat van 22 februari 2017 nader kennis maken met elkaar. [medeverdachte 2] zegt onder meer: “Heb zat soldaten”. Dat past bij zijn rol binnen de motorclub [motorclub 1] . Daar is hij de baas en is er een groot aantal leden die werkzaamheden voor hem verrichten. Ook kan de inhoud van de chat niet anders worden uitgelegd dan dat hierin wordt gesproken over de vergismoord in [plaats] en dat daarbij fouten zijn gemaakt, zoals het met angst laten rondlopen van een ‘driver’ die ‘sprak’. In deze chat zegt [medeverdachte 2] op enig moment: “Mooiste is, die kleine kwam met zijn pa (zit ook in mijn club) om me werk te geven hahaha. Ik zei ok maar geef die bv over als ik je help. Hij was zo in paniek en zei ja”. Ook zegt hij in deze chat: “Ik praat nu met [bijnaam C] ”. ‘ [bijnaam C] ’ is één van de bijnamen van [C] , aldus de kroongetuige. Deze woorden sluiten (opnieuw) aan bij de verklaring van de kroongetuige dat [bijnaam medeverdachte 1] , [medeverdachte 1] , hulp is gaan vragen bij [medeverdachte 2] om zijn zoon te beschermen, omdat hij betrokken was bij een vergismoord. Daarvoor moest hij een represaille uitvoeren. Als die was geslaagd, zou [medeverdachte 2] het stokje overnemen van de zoon van [bijnaam medeverdachte 1] , verdachte. Ook sluiten deze woorden aan bij de gebeurtenissen die de rechtbank eerder heeft vastgesteld. Eén van degenen die betrokken was bij de vergismoord is geliquideerd door (het team van) [medeverdachte 2] , waarmee de represaille was geslaagd. Daarna zijn conform de afspraak de werkzaamheden van verdachte overgedragen aan [medeverdachte 2] . Het uitvoeren van de represaille door [medeverdachte 2] kan worden opgevat als de hulp die hij aan verdachte zou bieden en daarmee ook aan zijn vader. Dat [medeverdachte 2] dat zelf ook zag als hulp volgt bovendien uit de chat van 29 januari 2017 tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , waarin [medeverdachte 2] tegen [medeverdachte 1] , de vader van verdachte, zegt: “Ik doe het voor jou”. De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat aan de woorden “geef die bv over als ik je help” in de chat van 23 februari, geen andere betekenis kan worden toegekend dan dat [medeverdachte 2] aan verdachte heeft gevraagd zijn werkzaamheden (voor [C] ) aan hem over te dragen, als hij ervoor zou zorgen dat verdachte niets zou overkomen. Dat [medeverdachte 2] vervolgens in rechtstreeks contact komt te staan met de organisatie van vermoedelijk [C] blijkt uit de chat van 4 februari 2017 tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . De rechtbank concludeert dat [medeverdachte 3] , waarmee [medeverdachte 2] praat over de overname, onderdeel uitmaakte van de organisatie van vermoedelijk [C] . De kennismakingschat tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] , kort na de liquidatie van het slachtoffer in de onderhavige zaak, past bij de conclusie dat medeverdachte [medeverdachte 3] onderdeel uitmaakte van de organisatie van vermoedelijk [C] . Bij het overnemen van de werkzaamheden voor vermoedelijk [C] zal immers ook hebben gehoord dat hij in contact kwam met andere belangrijke mensen uit zijn organisatie. Daarbij past ook het deel van de chat van 22 februari 2017 tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] waarin [medeverdachte 3] zegt: “Die ik je doorstuur af en toe [bijnaam C] . Dat is [C] !!”. De rechtbank leest hierin dat [medeverdachte 3] berichten van [bijnaam C] , vermoedelijk [C] , zal doorsturen naar [medeverdachte 2] . De kroongetuige heeft bevestigd dat ‘ [bijnaam C] ’ één van de bijnamen van vermoedelijk [C] is. Donderdag 23 februari 2017 De rechtbank leidt uit de inhoud van de chat van 23 februari 2017 tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] af dat het geven van die 3000 aan ‘hem en zijn vader’ in relatie staat tot het geven van ‘de rest aan head’, de betaling aan de schutter voor de liquidatie in onderhavige zaak. De rechtbank heeft hiervoor geconcludeerd dat de betaling aan de schutter ( [medeverdachte 5] ) heeft plaatsgevonden op 1 februari 2017, een dag na de liquidatie in onderhavige zaak. Ook concludeert de rechtbank uit voornoemde chat dat verdachte degene is geweest die het geld dat door de organisatie van vermoedelijk [C] is betaald voor de liquidatie van het slachtoffer naar [medeverdachte 2] heeft gebracht. Zoals de rechtbank hiervoor reeds heeft geconcludeerd wordt met ‘hem en zijn vader’ verdachte en [medeverdachte 1] worden bedoeld. Volgens de woorden van [medeverdachte 2] was het geven van geld aan ‘hem en zijn vader’ een mazzel. Het woord ‘mazzel’ betekent volgens de kroongetuige een doorslag. De kroongetuige heeft verklaard dat hij weet dat ze een doorslag zouden krijgen voor elke liquidatie die [medeverdachte 2] zou plegen voor die andere jongens. Dat verdachte en [medeverdachte 1] geld kregen van [medeverdachte 2] als doorslag, past bij het slagen van de eerste liquidatie die [medeverdachte 2] heeft uitgevoerd, nadat hij door [medeverdachte 1] was benaderd om ‘werkzaamheden’ te verrichten. Het was de eerste opdracht die hij ‘dankzij’ hen had gekregen waarvoor verdachte en [medeverdachte 1] ‘een mazzel’ verdienden. Ook past de verklaring van de kroongetuige bij een chat van 23 februari 2017 wat later in de nacht, waarin [medeverdachte 2] aangeeft dat ‘die pa’ vraagt wanneer er iets gaat gebeuren omdat hij op zijn deel wacht. Daarnaast past het bij de chat tussen verdachte en [medeverdachte 2] van 4 februari 2017, waarin verdachte zegt: “Als er geld wordt verdiend dan moet je vaders zeggen om mijn geld te houden!! Of je moet zeggen dat hij het aan mij ma moet geven”. De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat [medeverdachte 2] naast de betaling aan de schutter een betaling heeft gedaan aan verdachte en [medeverdachte 1] voor de liquidatie van het slachtoffer in onderhavige zaak. Samenvatting tijdlijn Samengevat hebben de volgende gebeurtenissen plaatsgevonden: Op 12 januari 2017 is [slachtoffer 2] geliquideerd. Dit was een vergismoord, omdat het beoogde doelwit een andere persoon was. Verdachte en [medeverdachte 4] waren de schutters van deze liquidatie en het slachtoffer in onderhavige zaak was de bestuurder van de auto. Op 13 januari 2017 hebben onder meer verdachte, [medeverdachte 4] en het slachtoffer in onderhavige zaak voorbereidingen getroffen om het beoogde doelwit [slachtoffer 3] alsnog te vermoorden. Het slachtoffer in de onderhavige zaak is daarbij weggelopen, omdat hij niet meer mee wilde doen. Op 20 januari 2017 heeft het slachtoffer in de onderhavige zaak aan in ieder geval zijn vader verteld dat hij samen met verdachte en [medeverdachte 4] betrokken was bij de liquidatie van [slachtoffer 2] . Op 25 januari 2017 heeft [medeverdachte 1] contact gezocht met [medeverdachte 2] . De rechtbank heeft geconcludeerd dat hij [medeverdachte 2] toen heeft gevraagd om zijn zoon, verdachte, te beschermen. Op 26 januari 2017 heeft een ontmoeting plaatsgevonden tussen [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en verdachte. Op 27 januari 2017 heeft weer een ontmoeting plaatsgevonden tussen (in ieder geval) [medeverdachte 2] en verdachte. Op 28 januari 2017 zijn verdachte en [medeverdachte 4] bezig geweest met een zoektocht naar het slachtoffer, waarvan [medeverdachte 2] op de hoogte werd gehouden. In de avond hebben verdachte en [medeverdachte 4] het slachtoffer gevonden bij zijn vader. Ook die informatie werd doorgegeven aan [medeverdachte 2] . Direct aansluitend heeft verdachte contact opgenomen met [medeverdachte 2] en gevraagd om hem snel te ontmoeten. Na het bericht over het vinden van het slachtoffer heeft [medeverdachte 1] tegen medeverdachte [medeverdachte 2] gezegd dat hij een afspraak moet maken voor 30 of 31 januari 2017 en dat hij het goed moet regelen. Op 29 januari 2017 hebben verdachte en [medeverdachte 2] een ontmoeting gehad in [plaats] . Daarna laat [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 2] weten dat er druk wordt uitgeoefend door de organisatie achter de vergismoord om de represaille uit te voeren. [medeverdachte 2] heeft daarop echter aangegeven nog één dag nodig te hebben. Na de ontmoeting tussen verdachte en [medeverdachte 2] heeft op 29 januari 2017 in de middag ook een ontmoeting plaatsgevonden tussen verdachte, [medeverdachte 4] en het slachtoffer in [plaats] . Het slachtoffer is na enkele uren weer naar huis gegaan. Op 30 januari 2017 in de middag heeft er weer een ontmoeting plaatsgevonden tussen verdachte, [medeverdachte 4] en het slachtoffer in café [café] in [plaats] . De ontmoeting is begonnen in de middag en is tot de volgende vroege ochtend doorgegaan. Verdachte is een periode van ongeveer twee uur weggeweest. Hij heeft in die tijdsperiode weer een ontmoeting gehad met [medeverdachte 2] op dezelfde locatie aan de [straat] in [plaats] . Tijdens die ontmoeting heeft [medeverdachte 2] een PGP-toestel ontvangen, waarin de contactgegevens van [PGP gebruikersnaam medeverdachte 3] ( [medeverdachte 3] ) stonden. Verdachte is betrokken geweest bij de overdracht van deze PGP en wordt erop aangesproken als [medeverdachte 2] niet reageert op de berichten die hij op die telefoon ontvangt. Een uur later zoekt [medeverdachte 2] contact met [medeverdachte 5] en [E] voor een ontmoeting in [plaats] . Tussen verdachte, [medeverdachte 4] en het slachtoffer is op 30 januari 2017 de afspraak gemaakt dat zij elkaar de volgende dag weer zullen ontmoeten. Op 31 januari 2017 heeft [medeverdachte 2] ’s nachts zaken geregeld die verband houden met de liquidatie van het slachtoffer met onder meer [medeverdachte 5] en [medeverdachte 7] . Het slachtoffer is op 31 januari 2017 opnieuw naar [plaats] gekomen, waar hij verdachte, [medeverdachte 4] en een vierde man heeft ontmoet. Verdachte, [medeverdachte 4] , de vierde man en het slachtoffer zijn de avond van 31 januari 2017 samen geweest, met een onderbreking tussen 20:00 uur en 21:00 uur. In die periode heeft verdachte zich thuis omgekleed. - Nadat verdachte, [medeverdachte 4] , de vierde man en het slachtoffer elkaar na 21:00 uur weer hebben ontmoet, zijn zij samen naar het pleintje van de [straat] gelopen. Het slachtoffer liep voorop toen zij bij het pleintje aankwamen. Om 23:00 uur is het slachtoffer op het pleintje geliquideerd. De rechtbank heeft geconcludeerd dat [medeverdachte 5] de schutter was en [medeverdachte 7] de bestuurder van de auto. Op 1 februari 2017 heeft [medeverdachte 2] [medeverdachte 5] betaald voor de liquidatie van het slachtoffer. Aan verdachte en [medeverdachte 1] heeft hij ook geld, te weten € 3.000,-, gegeven in verband met deze liquidatie. Verdachte heeft het geld, dat door de organisatie van vermoedelijk [C] is betaald voor de liquidatie van het slachtoffer, aan [medeverdachte 2] gegeven, waarbij hij er eerst zelf nog een bedrag van € 4.500,- vanaf heeft gepakt. Op 4 februari 2017 heeft [medeverdachte 6] de auto in brand gestoken die is gebruikt bij de liquidatie. Op 4 februari 2017 hebben verdachte en [medeverdachte 2] met elkaar gesproken over het overnemen van werkzaamheden van verdachte door [medeverdachte 2] , voor door [medeverdachte 2] geboden hulp na het uitvoeren van de geslaagde represaille. Juridische duiding van de feiten en omstandigheden Alternatief scenario De vraag die moet worden beantwoord is of de feiten en omstandigheden, zoals hiervoor vastgesteld, passen in het door de verdediging geschetste alternatieve scenario. Zoals eerder weergegeven, houdt het door de verdediging geschetste alternatieve scenario kort gezegd in dat verdachte, [medeverdachte 4] en het slachtoffer een nieuwe liquidatie zouden moeten uitvoeren in [plaats] op het al bekende doelwit [slachtoffer 3] . Daarmee zouden zij de fouten die zijn gemaakt bij de vergismoord moeten herstellen. Zij gingen de avond van 31 januari 2017 naar het pleintje in [plaats] , omdat daar de benodigde auto voor de nieuwe liquidatie zou worden afgeleverd. Zij waren er niet van op de hoogte dat in opdracht van [medeverdachte 3] een parallelle liquidatie was voorbereid op het slachtoffer, die werd uitgevoerd door een team van [medeverdachte 2] . Verdachte en [medeverdachte 4] zijn dus net zo goed misleid als het slachtoffer in de onderhavige zaak. Volgens dit scenario is niet alleen het slachtoffer naar de plaats delict gelokt, maar ook verdachte en [medeverdachte 4] . [medeverdachte 2] heeft volgens de verdediging zelfstandig, waarmee wordt bedoeld zonder betrokkenheid en wetenschap van verdachte, besloten om het slachtoffer te liquideren, om zich op die manier te bewijzen naar de organisatie van [C] . De rechtbank is van oordeel dat de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden dit scenario niet ondersteunen. In de eerste plaats valt op dat verdachte en [medeverdachte 4] een uitgebreide zoektocht naar het slachtoffer zijn gestart. Als het slachtoffer moest worden gezocht om de fouten die waren gemaakt bij de vergismoord goed te maken middels een nieuwe opdracht, is het opmerkelijk dat [medeverdachte 2] hiervan, via de vader van verdachte, zo uitgebreid en direct op de hoogte moest worden gehouden en het vinden van het slachtoffer vervolgens aanleiding is voor verdachte om [medeverdachte 2] rechtstreeks te vragen hem te ontmoeten. Bij het geschetste alternatieve scenario past ook niet dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] pas in de chat van 4 februari 2017 voor het eerst met elkaar kennismaken. [medeverdachte 2] chat op 4 februari 2017 aan [medeverdachte 3] dat hij eigenlijk alleen met hem (de rechtbank begrijpt verdachte) contact heeft en vraagt of hij (verdachte) de afspraken tussen hen beiden heeft uitgelegd. Pas als duidelijk is dat verdachte op 5 februari 2017 zal worden gehoord door de politie, vindt er direct contact plaats tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . “U moet het ff met mij doen deze dagen sir ”, zegt [medeverdachte 3] immers in een chat van 4 februari 2017 [medeverdachte 2] . De inhoud van deze chats strookt niet met het geschetste scenario dat het een gezamenlijk plan is geweest van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] om verdachte te misleiden. Immers, voor een dergelijk plan is afstemming en contact nodig. Het ligt dan geenszins voor de hand dat zij enkele dagen na de uitvoering van dit gezamenlijke plan pas met elkaar kennismaken. De rechtbank concludeert op basis van de bewijsmiddelen dat het verdachte is geweest die fungeerde als tussenpersoon tussen de organisatie van vermoedelijk [C] en [medeverdachte 2] . Zo heeft verdachte tijdens één van de ontmoetingen aan [medeverdachte 2] een PGP-telefoon aan [medeverdachte 2] overhandigd met daarin de contactgegevens van [medeverdachte 3] , die onderdeel uitmaakte van de organisatie van vermoedelijk [C] . Verder had het bij het door de verdediging geschetste scenario voor de hand gelegen dat verdachte na de liquidatie van het slachtoffer, volgens de verdediging één van zijn beste vrienden, boos en aangeslagen zou zijn. Zo komt hij echter niet over in de chat die hij kort na de liquidatie op 3 februari 2017 met zijn vader voert. Integendeel, hij zegt daar juist relaxed te zijn. Ook de inhoud van de chat die verdachte op 4 februari 2017 met [medeverdachte 2] voert, past niet bij het scenario van een ‘parallelle liquidatie’. Indien [medeverdachte 2] verdachte, medeverdachte [medeverdachte 4] en het slachtoffer naar de plaats delict zou hebben gelokt om daar zonder medeweten van verdachte het slachtoffer te vermoorden, had verontwaardiging bij verdachte over die gang van zaken voor de hand gelegen. Verdachte spreekt echter vooral over het geld dat hij na de liquidatie had gepakt en waarover [medeverdachte 2] niets tegen ‘em’ moet zeggen. Dat verdachte dit geld heeft gepakt en ook nog geld van [medeverdachte 2] heeft gekregen, past te meer niet bij het scenario dat hij niets te maken had met de door [medeverdachte 2] gepleegde liquidatie. Datzelfde geldt voor de chat waarin verdachte op 4 februari 2017 met [medeverdachte 2] bespreekt wat hij tijdens zijn verhoor op 5 februari 2017 tegen de politie moest zeggen. De verdediging heeft in het kader van de bespreking van het alternatieve scenario nog betoogd dat de betalingen waarover wordt gesproken in de chat tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] van 23 februari 2017 ook kunnen duiden op voorbereidingen voor de liquidatie in onderzoek Eend van de heer [H] , ook wel blanke rat genoemd. Op basis van de woorden ‘een paar gram, hosselen’ en ‘26500’ zou de chat volgens de verdediging ook nog kunnen zien op een drugsdeal in plaats van een liquidatie of de voorbereiding daartoe. De rechtbank ziet dat anders. Zij ziet deze delen van de chat als losse onderdelen, die niet in verband kunnen worden gebracht met het onderdeel van de chat waarin het gaat over ‘het geven van geld aan hem en zijn vader en de rest aan head’. De rechtbank wijst daarbij op de conclusies die zij eerder over de betalingen aan verdachte, [medeverdachte 1] en de schutter heeft getrokken. Dat in de chat van 23 februari 2017 werd gesproken over een door verdachte te plegen liquidatie in [plaats] maakt de rechtbank evenmin op uit deze chat. De rechtbank maakt uit het onderdeel van de chat waarin [plaats] voorkomt (om 06:36 uur) slechts op dat de dag na deze chat een observatie-auto naar Nieuwgein moet worden gebracht. Voor zover uit de chat al kan worden opgemaakt dat verdachte daar enige betrokkenheid bij zou hebben, leidt dit er in ieder geval niet toe dat aan de besproken onderdelen van deze chat een andere betekenis moet worden toegekend dan door de rechtbank is gedaan. De rechtbank concludeert dat verdachte wel degelijk wetenschap heeft gehad van de geplande liquidatie op het slachtoffer. Dat volgt ook uit de woorden in de chat tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] “geef die BV over als ik je help”, woorden die [medeverdachte 2] tegen verdachte had gezegd. Op 4 februari 2017, een paar dagen na de liquidatie, is ook over de daadwerkelijke overname van die werkzaamheden gesproken tussen verdachte en [medeverdachte 2] . Deze gang van zaken past ook naadloos binnen de verklaringen van de kroongetuige met betrekking tot het overnemen van de werkzaamheden van verdachte door [medeverdachte 2] . Daarnaast stroken de meerdere ontmoetingen tussen verdachte en [medeverdachte 2] op 26, 27, 29 en 30 januari 2017 niet met het scenario dat verdachte slechts als pion zou worden ingezet en nergens wat vanaf zou weten. Dat [medeverdachte 2] zonder betrokkenheid en wetenschap van verdachte heeft besloten de liquidatie van het slachtoffer in onderhavige zaak uit te voeren, vindt dan ook geen steun in de bewijsmiddelen en wordt daardoor juist weersproken. Moord Voor een bewezenverklaring van moord, moet sprake zijn van het bestanddeel voorbedachte raad. Daarvoor moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het voorgenomen besluit en dat niet is gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De verdachte moet de gelegenheid hebben gehad over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Naar het oordeel van de rechtbank was daarvan in het onderhavige geval sprake. Aan een liquidatie als die van het slachtoffer gaat een intensieve voorbereiding vooraf. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat er sprake was van een vooropgezet plan waarbij meerdere verdachten waren betrokken die elk verantwoordelijk waren voor een deel van de uitvoering. Voor alle betrokkenen moet duidelijk zijn geweest - zoals ook duidelijk blijkt uit het in de bewijsmiddelen opgenomen berichtenverkeer - dat zij bezig waren met het voorbereiden en uitvoeren van een liquidatie. De rechtbank zal hierna nog uiteenzetten welke rol verdachte hierin heeft gehad. Uit het planmatige en georganiseerde karakter van het geheel leidt de rechtbank af dat sprake was van voorbedachte raad. Het doodschieten van het slachtoffer kan dan ook niet anders worden opgevat dan als moord. Rol verdachte Voor het vaststellen van de rol van verdachte bij de liquidatie is allereerst van belang om de rol van [medeverdachte 2] nader te concretiseren. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de liquidatie van het slachtoffer in onderhavige zaak kan worden aangemerkt als de geslaagde represaille door [medeverdachte 2] voor de fouten die (onder meer) verdachte heeft gemaakt bij de vergismoord. [medeverdachte 2] moest zich met de uitvoering van deze liquidatie bewijzen ten opzichte van de organisatie van vermoedelijk [C] en droeg de eindverantwoordelijkheid van deze opdracht. Hij is degene geweest die de uitvoerders van de liquidatie in onderhavige zaak heeft aangestuurd. Dat blijkt ook uit de inhoud van de berichten in de vroege ochtend van 31 januari 2017 waarin hij contact heeft met mensen van [motorclub 1] , die vaker samen werkzaamheden voor hem verrichten. Daarbij werden afspraken gemaakt voor later die dag. Zoals vastgesteld, waren in ieder geval twee van die mensen, te weten [medeverdachte 5] en [medeverdachte 7] , betrokken bij de liquidatie van het slachtoffer, die aan het einde van die dag heeft plaatsgevonden. Verdachte is op 28 januari 2017 op zoek gegaan naar het slachtoffer en heeft over die zoektocht gecommuniceerd met zijn vader, die de informatie vervolgens direct doorgaf aan [medeverdachte 2] . Verdachte heeft de dagen voor de liquidatie op 26, 27, 29 en 30 januari 2017 ontmoetingen gehad met [medeverdachte 2] . Niet vastgesteld kan worden wat tijdens die ontmoetingen is besproken. Verdachte heeft over de inhoud van deze ontmoetingen geen verklaring afgelegd. Wel vastgesteld kan worden dat tijdens een van deze ontmoetingen door verdachte een PGP-telefoon met daarin het nummer van [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 2] is overgedragen en dat verdachte erop wordt aangesproken als [medeverdachte 2] zijn berichten op deze PGP niet beantwoordt. Bovendien is ook duidelijk dat - als gekeken wordt naar de gebeurtenissen die de rechtbank uiteen heeft gezet in de tijdlijn - de ontmoetingen tussen verdachte en [medeverdachte 2] steeds parallel liepen aan meerdere contactmomenten tussen verdachte en het slachtoffer en [medeverdachte 2] in de tussentijd of direct na afloop van een ontmoeting contact had met zijn team. Het meest duidelijk blijkt dat uit de gebeurtenissen op 30 januari 2017. Verdachte onderbreekt die dag een samenzijn met (onder meer) het slachtoffer om [medeverdachte 2] te ontmoeten, waarna verdachte terug gaat naar het slachtoffer en [medeverdachte 2] vervolgens aan de slag gaat om de liquidatie voor te bereiden. Tussen verdachte, [medeverdachte 4] en het slachtoffer is afgesproken dat het slachtoffer de avond van 31 januari 2017 naar [plaats] zou komen. Zij hebben elkaar toen daadwerkelijk ontmoet en enkele uren samen doorgebracht. In de korte tijdspanne dat zij niet samen zijn, omdat verdachte zich moet omkleden, wordt [medeverdachte 2] bericht dat hij verdachte moet teksten. Verdachte wacht kennelijk op een bericht van hem. Verdachte was er vervolgens ook bij op het moment dat het slachtoffer het pleintje op liep, waar de liquidatie direct daarna heeft plaatsgevonden. Exact op dat moment kwam de schutter aanlopen om het slachtoffer neer te schieten. Zoals vastgesteld, werden in ieder geval de schutter en de bestuurder van de auto aangestuurd door [medeverdachte 2] . Van de personen die vlak voor de liquidatie bij het slachtoffer in de buurt waren, te weten verdachte, [medeverdachte 4] en een onbekende man, was verdachte degene die voorafgaand aan de liquidatie veelvuldig contact had met [medeverdachte 2] . Gelet op al het voorgaande kan het niet anders zijn dan dat er afstemming is geweest tussen verdachte en [medeverdachte 2] , om ervoor te zorgen dat het slachtoffer en de schutter op hetzelfde moment op het pleintje zouden arriveren waar de liquidatie heeft plaatsgevonden. Ook na de liquidatie heeft verdachte nog een rol gehad, in die zin dat hij het geld dat door de organisatie van vermoedelijk [C] voor de liquidatie is betaald naar [medeverdachte 2] heeft gebracht. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee sprake van actieve betrokkenheid van verdachte bij de voorbereiding en de uitvoering van de moord op het slachtoffer [slachtoffer 1] . Medeplegen Juridisch kader omtrent medeplegen De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de hiervoor beschreven rol van verdachte zodanig was dat hij als medepleger van de moord op het slachtoffer kan worden aangemerkt. De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Toepassing juridisch kader op de onderhavige zaak Verdachte en [medeverdachte 2] hebben elkaar in de dagen voorafgaand aan de liquidatie meerdere keren ontmoet. Dat het belangrijk was dat zij elkaar ontmoetten, blijkt uit de veelheid aan chats die aan de ontmoetingen vooraf gingen. Het chatverkeer vond ook plaats direct na belangrijke gebeurtenissen, zoals het vinden van het slachtoffer. Verdachte heeft in het kader van de voorbereidingen van de liquidatie zowel met [medeverdachte 2] als met zijn vader intensief contact gehad. Tussen verdachte en [medeverdachte 2] was sprake van een duidelijke onderlinge taakverdeling. Die taakverdeling zag er zo uit dat [medeverdachte 2] de uitvoerders van de liquidatie aanstuurde en dat verdachte het slachtoffer zocht, met hem contact onderhield en ervoor zorgde dat hij op het afgesproken moment op de juiste locatie was. Ook fungeerde verdachte als tussenpersoon tussen de organisatie van vermoedelijk [C] en [medeverdachte 2] , zowel voorafgaand (bijvoorbeeld door het verstrekken van de PGP-telefoon met daarin het nummer van [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 2] ) als na het delict (door het overbrengen van het geld van de organisatie die de opdracht tot de liquidatie heeft gegeven aan [medeverdachte 2] ). De aard en intensiteit van het contact tussen verdachte en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] , in samenhang bezien met de rol die [medeverdachte 2] had in het geheel, is van groot belang voor de juridische duiding van de rol van verdachte. Verdachte heeft een cruciale rol vervuld zowel voor, tijdens als na de liquidatie en is bij alle belangrijke momenten aanwezig geweest. Er is daardoor naar het oordeel van de rechtbank sprake van meer dan ‘alleen’ medeplichtigheid. Dat verdachte zelf geen direct contact heeft gehad met de uitvoerders, waaronder de schutter, maakt het voorgaande niet anders. Het past, zoals de rechtbank ambtshalve bekend is, bij de aard van het delict om het aantal contacten tussen alle verschillende betrokkenen zo beperkt mogelijk te houden. Conclusie Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en in ieder geval [medeverdachte 2] is komen vast te staan. De bijdrage van verdachte aan het tenlastegelegde is naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen van moord bewezen. 6BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: primair op 31 januari 2017 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd door met een vuurwapens kogels in het lichaam van [slachtoffer 1] te schieten. Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 7STRAFBAARHEID VAN HET FEIT Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is. Het bewezen verklaarde levert volgens de wet het volgende strafbare feit op: primair medeplegen van moord. 8STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE Er is geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar. 9OPLEGGING VAN STRAF 9.1 De vordering van de officieren van justitie De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ter zake van het door de officier van justitie bewezen geachte te veroordelen tot een levenslange gevangenisstraf. 9.2 Het standpunt van de verdediging Voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen van enige vorm van betrokkenheid van verdachte bij de liquidatie van het slachtoffer, heeft de verdediging gewezen op de situatie waarin verdachte zich na de vergismoord bevond. Vanwege de gemaakte fouten was ook zijn eigen leven in gevaar. Die situatie heeft ertoe geleid dat hij onder enorme druk heeft gehandeld. Ook moet volgens de verdediging rekening worden gehouden met het feit dat de vergismoord, de voorbereidingshandeling om het beoogde doelwit alsnog te vermoorden en de liquidatie van het slachtoffer in de onderhavige zaak binnen een periode van slechts drie weken heeft plaatsgevonden. Voor die tijd is verdachte nooit bij soortgelijke feiten betrokken geweest. Alleen al tegen deze achtergrond is de strafeis in de visie van de verdediging niet passend en geboden. De verdediging heeft er in dit verband op gewezen dat verdachte een jonge betrokken vader is. Daarbij komt dat sprake is van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Die schending van de redelijke termijn moet tot strafkorting leiden , aldus de verdediging. Dat kan alleen bij een tijdelijke gevangenisstraf. In verband met de samenloop met onderzoek Roos / Doorn, waarvoor verdachte in hoger beroep is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 jaren, moet volgens de verdediging met een tijdelijke gevangenisstraf van negen jaren worden volstaan, omdat de maximaal op te leggen tijdelijke gevangenisstraf 30 jaren bedraagt. Oplegging van een levenslange gevangenisstraf is volgens de verdediging in de praktijk niet in lijn met artikel 3 van het EVRM en dient daarom, als niet-verdragsconform, niet te worden opgelegd. De verdediging wijst erop dat de oplegging van een levenslange gevangenisstraf niet per definitie in strijd is met het bepaalde in artikel 3 van het EVRM, maar dat er dan wel een perspectief op invrijheidstelling moet bestaan vanaf het moment van het opleggen van de straf. Volgens de verdediging is dat perspectief er in de praktijk hier in Nederland niet. De herbeoordelingsprocedure, zoals die thans werkt, biedt onvoldoende waarborgen voor een levenslang gestrafte om de opgelegde straf te kunnen verkorten. De vernieuwde gratiewet biedt gelet op de wijze van uitvoering weinig soelaas. Er is nog steeds geen reëel zicht op een vervroegde invrijheidsstelling in Nederland voor levenslanggestraften. Dat heeft ermee te maken dat de minister voor Rechtsbescherming nog steeds kan weigeren om tot gratieverlening over te gaan, ook als er rechterlijke uitspraken en adviezen van het Adviescollege levenslanggestraften aangeven dat gratie aan de orde is. De rol van de minister bij de herbeoordeling is dan ook te groot. 9.3 Het oordeel van de rechtbank Conclusie De rechtbank zal aan verdachte een levenslange gevangenisstraf opleggen. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot deze strafoplegging is gekomen. Daarbij heeft zij kort gezegd rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken en de ontwikkelingen in de rechtspraak en praktijk met betrekking tot de oplegging van levenslange gevangenisstraffen in relatie tot artikel 3 van het EVRM. De ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is gepleegd Verdachte heeft samen met een ander door middel van een liquidatie het leven van het slachtoffer afgenomen. Hij heeft gewetenloos beschikt en beslist over leven en dood. Hij heeft met zijn handelen de nabestaanden onherstelbaar leed aangedaan, zoals duidelijk door de moeder, vader en zus van het slachtoffer is verwoord in hun slachtofferverklaringen. Door het handelen van verdachte heeft hij ook aan de maatschappij als geheel schade toegebracht. De rechtbank doelt daarbij op het psychische leed van de willekeurige omstanders en de angst die door dergelijke feiten ontstaat, maar ook op de enorme inzet van politie en justitie die ten gevolge van dergelijke feiten noodzakelijk is. Dit leidt tot maatschappelijke onrust waaraan verdachte heeft bijgedragen. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan. De rechtbank gaat niet mee in het betoog van de verdediging dat verdachte in wezen geen andere keuze had dan om mee te werken aan de liquidatie van het slachtoffer. Het keuzemoment lag naar het oordeel van de rechtbank al bij de toetreding tot de organisatie die dergelijke liquidaties pleegt. Bij dat soort organisaties geldt dat er represailles plaatsvinden voor gemaakte fouten of als iemand is gaan praten over de feiten. In dit geval heeft verdachte samen met onder meer het slachtoffer grote fouten gemaakt bij het uitvoeren van een liquidatie en is het slachtoffer hierover gaan praten met anderen. Het is duidelijk dat daardoor voor alle betrokkenen bij de vergismoord een grote dreiging is ontstaan. Ter bescherming van zijn eigen leven, heeft verdachte voor lief genomen dat het slachtoffer, voorheen naar zijn eigen zeggen ‘één van zijn beste vrienden’, het leven zou moeten laten door mee te werken aan een represaille voor die fouten. Dat is een keuze die verdachte welbewust heeft gemaakt. Dat hij daarmee ook nog geld heeft verdiend, is onbegrijpelijk voor de rechtbank en onderstreept zijn welbewuste handelen. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte De rechtbank heeft kennisgenomen van de persoonlijke omstandigheden zoals verdachte die zelf alsook de verdediging ter zitting naar voren hebben gebracht. Door zijn grotendeels ontkennende houding heeft hij geen inzicht kunnen geven in de achtergrond van zijn handelen. De rechtbank heeft kennisgenomen van een uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte van 23 maart 2022. Hierin staat dat verdachte op 27 maart 2019 door de rechtbank Midden-Nederland is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 26 jaren voor onder meer het medeplegen van moord en het medeplegen van voorbereiding van moord. Na de datum van dit uittreksel is hij in hoger beroep veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 jaren voor deze feiten. Tegen de veroordeling in hoger beroep heeft verdachte cassatie ingesteld. Op dit moment is hij gedetineerd in verband met die veroordeling. Samenloop Verdachte wordt schuldig verklaard aan een misdrijf dat hij voor de strafoplegging in onderzoek Roos / Doorn heeft gepleegd. Dat betekent dat het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Daarin staat dat indien iemand, nadat hem een straf is opgelegd, schuldig wordt verklaard aan een misdrijf of een overtreding voor die strafoplegging gepleegd, de bepalingen van deze titel uit het Wetboek van Strafrecht voor het geval gelijktijdig straf wordt opgelegd van toepassing zijn. Bij de keuze voor de op te leggen straf moet de rechtbank daarom uitgaan van een situatie als beschreven in artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht. In die bepaling staat dat de rechtbank bij een samenloop van feiten die als op zichzelf staande handelingen moeten worden beschouwd en meer dan één misdrijf opleveren waarop gelijksoortige hoofdstraffen zijn gesteld, één straf dient op te leggen. Het voorgaande komt erop neer dat de rechtbank aan verdachte een straf moet opleggen die passend en geboden is voor zowel de bewezenverklaarde feiten uit onderzoek Roos / Doorn als het bewezenverklaarde feit uit onderhavige zaak, dat wil zeggen het medeplegen van twee moorden en het medeplegen van voorbereiding van een moord. Bij gelijktijdige berechting en gevoegde behandeling van alle strafzaken had een levenslange gevangenisstraf kunnen worden opgelegd of een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste 30 jaren. Op grond van het bepaalde in artikel 63 in samenhang met artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht kan derhalve voor de onderhavige zaak een levenslange gevangenisstraf worden opgelegd - waardoor de door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden opgelegde straf van 21 jaren wordt geabsorbeerd (zie artikel 59 van het Wetboek van Strafrecht) - ofwel een tijdelijke gevangenisstraf van negen jaren. Op te leggen straf De rechtbank is van oordeel dat voor de bewezenverklaring van twee moorden en de voorbereiding van een moord met geen andere straf kan worden volstaan dan met de oplegging van een levenslange gevangenisstraf. De rechtbank heeft daarbij gekeken naar andere uitspraken waarin ook een levenslange gevangenisstraf is opgelegd en ook naar uitspraken waarbij er juist voor is gekozen om een tijdelijke gevangenisstraf op te leggen. De oplegging van een tijdelijke gevangenisstraf zou, gelet op de vergelijking met andere zaken, onvoldoende recht doen aan de aard en ernst van deze zaken en de rol van verdachte, zoals hiervoor omschreven. Dit alles betekent dat de rechtbank geen ruimte ziet voor de oplegging van een andere gevangenisstraf dan een levenslange gevangenisstraf. De rechtbank acht deze straf passend en geboden. De omstandigheid dat verdachte zich binnen een periode van slechts drie weken schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van twee voltooide liquidaties en daarnaast aan voorbereidingshandelingen om het beoogde doelwit van de eerste liquidatie, de vergismoord, alsnog te vermoorden, is niet, zoals de verdediging heeft betoogd, een reden om te volstaan met de oplegging van een tijdelijke gevangenisstraf. Het plegen van meerdere ernstige levensdelicten in zo korte tijd onderstreept juist de bruutheid van het handelen van verdachte en doet vrezen voor de toekomst als verdachte na een tijdelijke gevangenisstraf zou terugkeren in de maatschappij. De omstandigheid dat hij een jonge vader is, is evenmin een reden voor de oplegging van een tijdelijke gevangenisstraf. Dat hij ten gevolge van de thans op te leggen levenslange gevangenisstraf niet wezenlijk betrokken kan zijn bij de opvoeding en verzorging van zijn kinderen, zijn geen omstandigheden die maken dat van het opleggen van een levenslange gevangenisstraf moet worden afgezien. Artikel 3 van het EVRM Bij de oplegging van een levenslange gevangenisstraf moet de rechtbank de verdragsbepalingen van het EVRM in acht nemen. Bij de toetsing van die verdragsbepalingen is van belang om te bezien of het Nederlandse recht voorziet in een reële mogelijkheid tot herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf die in de daarvoor in aanmerking komende gevallen kan leiden tot verkorting van de straf of (voorwaardelijke) invrijheidstelling. De Hoge Raad heeft in dit verband overwogen dat gelet op de inhoud van het op 1 maart 2017 in werking getreden Besluit Adviescollege levenslanggestraften en de wijze van herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf op grond van dit besluit, het Nederlandse recht thans voorziet in een zodanig stelsel van herbeoordeling. Op grond hiervan kan in de zich daarvoor lenende gevallen worden overgegaan tot verkorting van de levenslange gevangenisstraf, zodat de oplegging van de levenslange gevangenisstraf op zichzelf niet in strijd is met artikel 3 EVRM. De Hoge Raad overweegt verder nog: “De recente introductie van dit stelsel betekent dat thans geen (doorslaggevende) betekenis toekomt aan de feitelijke mogelijkheden tot bekorting van de levenslange gevangenisstraf zoals die voordien bestonden. Dat laat onverlet dat indien op enig moment zou komen vast te staan dat een levenslange gevangenisstraf ook onder vigeur van het nieuwe stelsel van herbeoordeling in de praktijk nimmer wordt verkort, zulks bepaaldelijk een factor van betekenis zal zijn bij de alsdan te beantwoorden vraag of de oplegging dan wel de verdere tenuitvoerlegging verenigbaar is met artikel 3 EVRM. Die vraag is thans echter niet aan de orde.” Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat in beginsel geen grond bestaat voor het oordeel dat de beoordelingsmaatstaven die op basis van dit beleid in de gratieprocedure worden gehanteerd, een risico inhouden dat de rechtbank bij de oplegging van een levenslange gevangenisstraf niet aan de verdragseisen voldoet. De verdediging heeft echter ook betoogd dat sprake is van een situatie als in de laatste overweging van de Hoge Raad bedoeld, nu de minister volgens de verdediging verhindert dat in de praktijk tot gratieverlening wordt overgegaan. De rechtbank wijst in dit verband op het rapport ‘Evaluatie Besluit Adviescollege langgestraften’ van 21 oktober 2021. In het naschrift van dit rapport wordt de volgende conclusie getrokken: Mede gegeven de grote betrokkenheid en toewijding van alle betrokkenen bij de toepassing van het stelsel, bevat dat stelsel in feite een zorgvuldig en (inmiddels) adequaat werkend geheel van onderzoeken, afwegen en beslissen over de essentiële vragen of, wanneer en onder welke voorwaarden een door de rechter opgelegde levenslange gevangenisstraf voor heroverweging en gratiëring in aanmerking komt. In verband met gesignaleerde knelpunten hebben de rapporteurs in het naschrift ook het volgende opgenomen: Tijdens ons onderzoek naar het functioneren van het bestaande stelsel heeft de Minister voor Rechtsbescherming bij verschillende gelegenheden aangegeven dat hij overweegt om de regeling voor beëindiging van een levenslange gevangenisstraf (thans in de vorm van gratie door de Kroon) in de toekomst te wijzigen. Het meest specifiek was hij hierover in een debat met de Tweede Kamer op 3 juni 2021. Bij die wijziging zou het volgens de Minister in het bijzonder gaan om de verhouding tussen de rechter en de Kroon bij de uiteindelijke beslissing inzake de eventuele invrijheidsstelling van de levenslanggestrafte. De Minister voor Rechtsbescherming stelde in dat verband de volgende vraag: “Is het misschien sowieso niet beter om dat bij een rechter neer te leggen?” Tevens wil de Minister nadenken over verandering van de vorm waarin de invrijheidsstelling van een levenslanggestrafte plaatsvindt, waarbij hij voorwaardelijke invrijheidsstelling als optie noemt. De Minister zegde aan de Tweede Kamer vóór het einde van 2021 een brief toe waarin hij de contouren van een mogelijke wijziging zal schetsen. (…) Mocht het komen tot een wijziging van de regeling voor beëindiging van de levenslange gevangenisstraf, dan is een van de denkbare scenario’s dat de beslissing over de beëindiging van de Minister overgaat naar de rechter. Met enige slag om de arm zouden we in een dergelijk rechtelijk stelsel dat dan ontstaat, zeker ook een rol voor het ACL zien. Een vergelijkbaar adequate voorbereiding van de beslissing van die rechter, zoals thans met het Besluit en het stelsel voorzien voor de beslissing van de Minister, blijft een noodzakelijke voorwaarde voor een juiste beslissing in welk stelsel dan ook. Mede door wijziging van het kabinet en de indiensttreding van een nieuwe minister van Rechtsbescherming is over het voorgaande nog geen besluit genomen. Duidelijk is echter wel dat de procedure van herbeoordeling van de levenslange gevangenisstraf de aandacht heeft en dat ernaar wordt gestreefd om bij de huidige en mogelijke toekomstige regeling te handelen in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3 van het EVRM. Dat over een mogelijke wijziging van de regeling thans nog geen beslissing is genomen, maakt niet dat de rechtbank met de oplegging van een levenslange gevangenisstraf thans de verdragsbepalingen onvoldoende in acht neemt. Ook de praktijk, zoals die zich heeft voorgedaan na voornoemd arrest van de Hoge Raad, kan niet leiden tot de conclusie dat een opgelegde levenslange gevangenisstraf in Nederland onder vigeur van het huidige stelsel van herbeoordeling nimmer wordt verkort. Overschrijding van de redelijke termijn Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, stelt de rechtbank voorop dat in artikel 6, eerste lid, van het EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. In eerste aanleg geldt als uitgangspunt dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. Die termijn vangt aan op het moment dat namens de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Voor de bepaling van de aanvang van de redelijke termijn zijn in dit geval de volgende gebeurtenissen van belang: Het eerste verhoor als verdachte heeft plaatsgevonden op 5 februari 2017. Het onderzoek had toen nog de naam Penseel. Op 26 september 2017 is onderzoek Penseel opgeschort wegens onvoldoende aanknopingspunten. In augustus 2019 is het onderzoek voortgezet onder de nieuwe naam Charon. Op 22 juni 2020 is aan verdachte een dagvaarding uitgebracht wegens een verdenking van betrokkenheid in het onderzoek Charon. Op 25 juni 2020 heeft het eerste verhoor van verdachte in Charon plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat de redelijke termijn in dit geval moet aanvangen op het moment dat de dagvaarding in het onderzoek Charon aan verdachte is uitgebracht. Dat was op 22 juni 2022. Het moment dat het eerste verhoor als verdachte over het onderhavige feit heeft plaatsgevonden, te weten 5 februari 2017, geldt niet als zodanig. Aan dat verhoor kon verdachte naar het oordeel van de rechtbank nog niet in redelijkheid de verwachting ontlenen dat hij voor dat feit zou worden vervolgd. De rechtbank betrekt daarbij dat direct aansluitend aan dit verhoor, noch in de periode daarna, een aanhouding heeft plaatsgevonden. Ook betrekt de rechtbank daarbij de omstandigheid dat het onderzoek in september van dat jaar is opgeschort. Het voorgaande betekent dat ten tijde van de uitspraak op 7 juli 2022 de redelijke termijn (net) is overschreden. Zoals blijkt uit het voorgaande zal de rechtbank aan verdachte echter een levenslange gevangenisstraf opleggen. Een dergelijke straf leent zich naar haar aard niet voor strafvermindering. De rechtbank zal daarom volstaan met de vaststelling dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Voorlopige hechtenis In het kader van onderhavige zaak is op 4 maart 2021 een vordering gevangenneming toegewezen, waarna de voorlopige hechtenis van verdachte met onmiddellijke ingang is geschorst. Daarbij is als voorwaarde opgenomen dat de schorsing van rechtswege vervalt op het moment dat de voorlopige hechtenis of detentie die verdachte ondergaat ingevolge zijn veroordeling met parketnummers 16/705311-17 en 16/659063-18, onderzoek Roos / Doorn, wordt onderbroken of beëindigd. De rechtbank zal beslissen dat de schorsing van de voorlopige hechtenis wordt opgeheven met ingang van de datum van dit vonnis, zodat verdachte zich weer in voorlopige hechtenis zal bevinden voor de onderhavige zaak. De gronden die aan het bevel tot voorlopige hechtenis ten grondslag liggen zijn nog altijd aanwezig, met uitzondering van de onderzoeksgrond. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard van de veroordeling voortduring van de schorsing van de voorlopige hechtenis maatschappelijk onaanvaardbaar is. Dat verdachte thans uit anderen hoofde al is gedetineerd, doet aan het voorgaande niet af. 10BENADEELDE PARTIJEN 10.1 De vorderingen Nabestaanden van het slachtoffer hebben zich als benadeelde partij in het geding gevoegd. Zij hebben ieder voor zich een vordering tot schadevergoeding ingediend. Elk van de benadeelde partijen, met uitzondering van slachtoffer 38, heeft de rechtbank verzocht om - bij toewijzing van hun vordering - die bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade. Daarnaast is, met uitzondering van slachtoffer 38, door ieder van hen verzocht de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte op te leggen. De ingediende vorderingen zijn de volgende: De dochter van het slachtoffer, slachtoffer 38 De minderjarige dochter van het slachtoffer vordert een bedrag van € 68.360,00. Dit bedrag bestaat uit € 63.360,00 aan materiële schade en € 5.000,00 aan immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. De materiële schade ziet op de onderhoudsverplichting die het slachtoffer jegens haar (bij leven) zou hebben gehad. Voor de schade wordt aansluiting gezocht bij kinderalimentatie, waarvan een bedrag door de advocaat is geschat. De immateriële schade ziet op psychisch letsel. Vanwege de moord op haar vader heeft de dochter behandelingen ondergaan bij de organisatie ‘ [organisatie] ’. Niet uitgesloten kan worden dat eveneens in de toekomst behandelingen nodig zijn. Immateriële schade wordt gevraagd voor de noodzakelijke therapieën. De vader van het slachtoffer, [getuige 1] , slachtoffer 33 De vader van het slachtoffer vordert een bedrag van € 73.033,80. Dit bedrag bestaat uit € 13.033,80 aan materiële schade en € 60.000,00 aan immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. De materiële schade is gebaseerd op shockschade en ziet op de volgende posten: eigen risico van € 385,00; verhuiskosten bestaande uit aanschaf huishoudelijke middelen van € 750,00, inrichtings- en verhuiskosten van € 5.892,00 en huur aanhanger van € 80,00; dubbele lasten bestaande uit huur € 3.001,48 en internet € 170,00; huur auto € 350,00; telefoonkosten bestaande uit opwaardeerkaarten voor € 80,00 en aanschaf nieuwe telefoon € 55,00; beveiligingskosten bestaande uit deursloten € 300,00, computer € 150,00 en buitencamera € 200,00; verlies verdiencapaciteit € 1.490,32; reiskosten € 130,00 voor bezoek aan het mortuarium, politie, advocaat, psycholoog en andere hulpverleners. De immateriële schade ziet op € 40.000,00 aan shockschade en € 20.000,00 aan schade ten gevolge van aantasting in de persoon ten gevolge van de beveiligingsmaatregelen. De moeder van het slachtoffer, slachtoffer 35 De moeder van het slachtoffer vordert een bedrag van € 41.950,74. Dit bedrag bestaat uit € 1.950,74 aan materiële schade en € 40.000,00 aan immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. De materiële schade, voor zover gebaseerde op shockschade, ziet op de volgende posten: eigen risico € 137,45; medische voorschotten € 200,00; kosten hulpverlening € 200,00; verlies verdiencapaciteit p.m. De overige gevorderde materiële schade ziet op kosten lijkbezorging, bestaande uit: uitvaartkosten € 847,09; uitstrooikosten € 300,00; notariskosten € 266,20. De immateriële schade is gebaseerd op shockschade. De broer van het slachtoffer, slachtoffer 36 De broer van het slachtoffer vordert een bedrag van € 20.000,00. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. De immateriële schade is gebaseerd op shockschade. De zus van het slachtoffer, slachtoffer 37 De zus van het slachtoffer vordert een bedrag van € 54.634,02. Dit bedrag bestaat uit € 34.634,02 aan materiële schade en € 20.000,00 aan immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. De materiële schade is gebaseerd op shockschade en ziet op de volgende posten: kosten deskundigen bestaande uit kosten psychotherapeut € 585,00 en kosten psycholoog € 550,00; kosten hulpverlening € 5.000,00; verlies verdiencapaciteit € 3.148,58; studiekosten omscholing € 3.023,82; reiskosten € 1.890,62 voor bezoek aan mortuarium, uitvaartcentrum, hulverleners, advocaat en rechtbank; parkeerkosten € 51,00; eigen risico 2018 € 385,00. De immateriële schade is gebaseerd op shockschade. De zus van het slachtoffer, slachtoffer 39 De zus van het slachtoffer vordert een bedrag van € 38.737,00. Dit bedrag bestaat uit € 18.737,00 aan materiële schade en € 20.000,00 aan immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. De materiële schade is gebaseerd op shockschade en ziet op de volgende posten: kosten studievertraging € 16.625,00; studieschuld € 1.137,00; verlies verdiencapaciteit € 975,00. De immateriële schade is gebaseerd op shockschade. De broer van het slachtoffer, slachtoffer 40 De broer van het slachtoffer vordert een bedrag van € 23.945,20. Dit bedrag bestaat uit € 3.945,20 aan materiële schade en € 20.000,00 aan immateriële schade, ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit. De materiële schade is gebaseerd op shockschade en ziet op de volgende post: - verlies verdiencapaciteit. De immateriële schade is gebaseerd op shockschade. 10.2 Het standpunt van de officieren van justitie De dochter van het slachtoffer, slachtoffer 38 De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de behandeling van de vordering van de minderjarige dochter van het slachtoffer niet-ontvankelijk moet worden verklaard en slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht. Beoordeling van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Dat geldt zowel voor het deel van de vordering dat ziet op materiële schade, als voor het deel dat ziet op immateriële schade. De vader van het slachtoffer, [getuige 1] , slachtoffer 33 De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de vader van het slachtoffer volledig voor toewijzing vatbaar is. De moeder van het slachtoffer, slachtoffer 35 De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de moeder van het slachtoffer voor toewijzing vatbaar is, voor zover de vordering ziet op materiële schade. Voor zover de vordering ziet op immateriële schade, moet deze volgens de officieren van justitie worden afgewezen. In de vordering missen stukken van de door de moeder ondergane psychische behandeling. Dit deel van de vordering is onvoldoende onderbouwd. De broer van het slachtoffer, slachtoffer 36 De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de broer van het slachtoffer moet worden afgewezen. De door hem gevorderde shockschade komt niet voor toewijzing in aanmerking nu er geen psychiatrisch erkend ziektebeeld is vastgesteld. De zus van het slachtoffer, slachtoffer 37 De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de vordering van deze zus van het slachtoffer voor toewijzing vatbaar is, voor zover de vordering ziet op de volgende posten voor materiële schade: behandeling psychotherapeut € 585,00; behandeling psycholoog € 550,00; verlies verdiencapaciteit € 3.148,58; reiskosten € 28,33; parkeerkosten € 6,00; eigen risico € 385,00. Voor zover de vordering ziet op immateriële schade, is deze volgens de officieren van justitie ook voor toewijzing vatbaar. Voor zover de vordering ziet op materiële schade voor kosten hulpverlening coach, reiskosten naar de coach (€ 16,67) en kosten voor omscholing, moet deze volgens de officieren van justitie worden afgewezen. Onvoldoende is onderbouwd dat dit rechtstreekse schade als gevolg van het delict is. De zus van het slachtoffer, slachtoffer 39 De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de zus van het slachtoffer volledig voor toewijzing vatbaar is. De broer van het slachtoffer, slachtoffer 40 De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de zus van het slachtoffer volledig voor toewijzing vatbaar is. 10.3 Het standpunt van de verdediging Algemene standpunten Het primaire standpunt van de verdediging is dat de vorderingen van de benadeelde partijen moeten worden afgewezen gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat vorderingen van deze omvang niet passen in het strafproces en moeten worden behandeld door de burgerlijke rechter. Een complicerende factor bij de beoordeling van de vorderingen is volgens de verdediging bovendien dat verdachte voorlopig gedetineerd zit vanwege zijn straf in het onderzoek Roos / Doorn. Indien gevorderde materiële schade niet voldoende is onderbouwd, moet deze worden afgewezen. Voor de onderbouwing van de immateriële schade is volgens de verdediging een brief van een psycholoog niet voldoende. Er moet sprake zijn van een PTSS-behandeling door een psychiater, die verder gaat dan een paar EMDR sessies. Ten aanzien van een aantal vorderingen heeft de verdediging nog de volgende specifieke opmerkingen. De dochter van het slachtoffer, slachtoffer 38 De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat deze vordering in zijn geheel moet worden afgewezen, omdat deze te ingewikkeld is voor behandeling in het strafproces. De vader van het slachtoffer, [getuige 1] , slachtoffer 33 De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde verhuiskosten niet toepasselijk zijn. Geen sprake is van rechtstreekse schade. Verdachte zat bovendien op dat moment vast. 10.4 Het oordeel van de rechtbank Algemene uitgangspunten De rechtbank stelt voorop dat zij zich realiseert dat de gewelddadige dood van het slachtoffer ernstige en ingrijpende gevolgen voor de levens van de nabestaanden heeft gehad, als gevolg waarvan zij materiële en immateriële schade hebben geleden. Het is dan ook begrijpelijk dat de benadeelde partijen in dit strafproces vorderingen tot vergoeding van geleden schade hebben ingediend. Bij de beoordeling van de vorderingen is de rechtbank echter gebonden aan de regels die de wet en de rechtspraak haar voorschrijven. Op een aantal van die regels zal de rechtbank hieronder ingaan, voordat zij haar oordeel zal geven over de afzonderlijke vorderingen. Grondslag schadevergoeding nabestaanden Op grond van artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kunnen de nabestaanden van een als gevolg van het strafbare feit overleden slachtoffer vorderingen indienen, maar alleen wanneer het gaat om vererfde vorderingen (vorderingen die de erfgenamen van het slachtoffer door vererving onder algemene titel hebben verkregen). Ook kan degene die de kosten van een uitvaart heeft betaald, die kosten op de verdachte in het strafproces verhalen. Tenslotte kunnen nabestaanden gederfd levensonderhoud vorderen. Smartengeld Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt indien: a. de aansprakelijke persoon het oogmerk had dergelijke schade toe te brengen, of b. de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Deze schadevergoeding wordt vastgesteld naar billijkheid, zodat rekening kan worden gehouden met de omstandigheden van het geval. Shockschade Vergoeding van schade kan eveneens plaatsvinden als er sprake is van shockschade. Dat geldt voor materiële en immateriële schade. Wat betreft de criteria voor de toekenning van immateriële schade in de vorm van shockschade sluit de rechtbank aan bij de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. Vergoeding van shockschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door (
- i)het waarnemen van het tenlastegelegde, of (
- ii)door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het tenlastegelegde is gedood of verwond. Voor vergoeding van deze schade is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld. Dat zal in het algemeen slechts het geval zal zijn als sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. De hoogte van de geleden shockschade dient te worden vastgesteld naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van de benadeelde partij. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend Volgens de Hoge Raad brengt de aard van deze schade mee dat deze schade in het algemeen slechts voor vergoeding in aanmerking komt indien: (
- i)de betrokkene rechtstreeks wordt geconfronteerd met de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden, en (
- ii)deze confrontatie bij de betrokkene een hevige sch