← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2022:2788

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: UTR 21/5281 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2022 in de zaak tussen [verzoekster] , gevestigd in [plaats] , verzoekster (gemachtigde: mr. B.N. Kloostra), en de minister voor Natuur en Stikstof, verweerder (gemachtigde: mr. H.J.M. Besselink). Procesverloop Verzoekster heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bij brief van 4 juli 2019 verzocht om handhavend op te treden tegen onder meer Lelystad Airport vanwege het ontbreken van een natuurvergunning. Met het primaire besluit van 17 december 2019 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Op 27 januari 2020 heeft verzoekster daartegen bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft verweerder op 31 augustus 2020 een ingebrekestelling gestuurd wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Op 22 september 2020 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar. Vervolgens heeft verweerder op 29 september 2020 een beslissing op bezwaar genomen. Bij brief van 22 maart 2022 heeft verzoekster het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Verweerder heeft hierop niet gereageerd. Overwegingen

  1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
  2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
  3. Aan de orde is de situatie waarin het door verzoekster ingetrokken beroep zich richt tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar. In een dergelijk geval is eerst sprake van een tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb, indien verweerder daadwerkelijk niet tijdig op het bezwaar heeft beslist. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval. In een e-mail bericht van 16 juli 2020 heeft de behandelend ambtenaar van verweerder uiteengezet dat de beslistermijn op 24 augustus 2020 eindigt. De rechtbank kan dit volgen en ook verzoekster gaat hier van uit. Omdat verweerder na de ingebrekestelling niet binnen twee weken een beslissing op bezwaar heeft genomen, is het beroep niet tijdig terecht ingesteld.
  4. Het verzoek wordt daarom als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 379,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 759,- met een wegingsfactor 1/2). Beslissing De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 379,
  5. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 juli
  6. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.