RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16/287595-21 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 15 juli 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1991] in [geboorteplaats] , ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres: [adres] te ( [postcode] ) [woonplaats] , op dit moment gedetineerd in de P.I. Rotterdam , hierna te noemen: verdachte. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 4 februari 2022 (pro forma/regie), 26 april 2022 (pro forma/regie) en 1 juli 2022 (inhoudelijke behandeling). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie, mr. T. Tanghe, en van dat wat verdachte en zijn raadsman, mr. Y. Moszkowicz, advocaat te Utrecht, naar voren hebben gebracht. De inhoudelijke behandeling vond gelijktijdig, maar niet gevoegd, plaats met de behandeling van de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (parketnummer 16/287600-21), [medeverdachte 2] (parketnummer 16/287598-21) en [medeverdachte 3] (parketnummer 16/022597-22). 2TENLASTELEGGING De officier van justitie verdenkt verdachte ervan dat hij betrokken is geweest bij een strafbaar feit. Deze verdenking staat beschreven in de tenlastelegging. De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Kort en feitelijk weergegeven, komt de verdenking er op neer dat verdachte: op 22 oktober 2021 in Uithoorn, samen met anderen, een hoeveelheid van ongeveer 201 kilogram cocaïne opzettelijk heeft vervoerd en opzettelijk voorhanden heeft gehad. 3VOORVRAGEN 3.1 De geldigheid van de dagvaarding en de competentie van de rechtbank De dagvaarding is geldig en de rechtbank is bevoegd om deze zaak te beoordelen. 3.2 De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie 3.2.1 Het standpunt van de verdediging Ter terechtzitting is door de raadsman van verdachte in het geding gebracht dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. In de visie van de raadsman is niet langer sprake van een eerlijk proces, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), en is ook geen sprake meer van een goede procesorde vanwege het feit dat het beginsel van equality of arms is geschonden. De raadsman vindt dat doelbewust of met grove veronachtzaming tekort is gedaan aan de belangen van verdachte. Verder is sprake van een fundamentele inbreuk op het strafproces en is het wettelijke systeem in de kern geraakt, zodat dit op zichzelf al moet leiden tot de conclusie dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van verdachte. Het standpunt van de raadsman wordt, voor zover relevant, verder weergegeven onder het oordeel van de rechtbank. 3.2.2 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een schending van het recht op een eerlijk proces, als bedoeld in artikel 6 EVRM, en ook dat geen sprake is van strijdigheid met het beginsel van equality of arms. In de visie van de officier van justitie is niet doelbewust of met grove veronachtzaming tekort gedaan aan de belangen van verdachte en is ook geen sprake van een fundamentele inbreuk op het strafproces en het wettelijke systeem, zoals de raadsman heeft gesteld. Het Openbaar Ministerie is onverkort ontvankelijk in de vervolging van verdachte. Het standpunt van de officier van justitie wordt, voor zover relevant, verder weergegeven onder het oordeel van de rechtbank. 3.2.3 Het oordeel van de rechtbank Ten aanzien van het verweer van de raadsman overweegt de rechtbank als volgt. Allereerst stelt de rechtbank de navolgende feiten vast. Tijdens de (pro forma) behandeling van onderhavige strafzaak op 26 april 2022 heeft de rechtbank bepaald dat de verdediging op het politiebureau kennis mocht nemen van camerabeelden die door een politiehelikopter zijn gemaakt van het parkeerdek van het appartementencomplex, gelegen aan [straat] in [plaats] . Een kantoorgenoot van de raadsman heeft deze camerabeelden op het politiebureau bekeken. Bij het uitkijken van de camerabeelden was tevens een rechercheur van de politie in dezelfde ruimte aanwezig. Ook was deze rechercheur ten tijde van de inhoudelijke behandeling in de zittingszaal aanwezig. Vlak voordat de inhoudelijke behandeling aanving, en de leden van de rechtbank nog niet in de zittingszaal aanwezig waren, heeft de officier van justitie de betreffende rechercheur, alsmede diverse andere verbalisanten, de zittingszaal ingeroepen en onder andere gesproken over het moment dat de camerabeelden werden uitgekeken door de kantoorgenoot van de raadsman. De raadsman heeft verklaard dit door de deur van de zittingszaal te hebben gehoord, terwijl de raadsman zich nog op de gang bevond. De raadsman heeft geïmpliceerd dat de officier van justitie de betreffende rechercheur op voorhand zou hebben geïnstrueerd, omdat de officier van justitie de rechercheur heeft gevraagd op welke wijze de kantoorgenoot van de raadsman de camerabeelden heeft bekeken en in welke camerabeelden zij in het bijzonder geïnteresseerd was. De officier van justitie heeft weersproken dat hij de betreffende rechercheur op voorhand heeft geïnstrueerd. Wel heeft de officier van justitie op zitting verklaard dat hij met de betreffende rechercheur heeft gesproken over mogelijke verweren en ook dat hij met de recherche heeft gesproken over het al dan niet met geluid (laten) afspelen van de camerabeelden. De officier van justitie heeft verklaard dat het Openbaar Ministerie bij de feitelijke uitvoering van het laten bekijken van de camerabeelden niet betrokken is geweest en ook heeft de officier van justitie uitgelegd dat enkel aan de recherche is gevraagd om het uitkijken van de camerabeelden te faciliteren. Bij de beoordeling van het verweer van de raadsman stelt de rechtbank voorop dat zij erop vertrouwt dat de feiten zoals door de officier van justitie – een magistraat – zijn weergegeven, juist zijn. Er is geen reden om hieraan te twijfelen. Voorts overweegt de rechtbank dat de enkele aanwezigheid van een rechercheur ten tijde van het uitkijken van camerabeelden door de verdediging nog geen strijd met het recht op een eerlijk proces oplevert. Daarnaast is niet gesteld en ook niet gebleken op welke wijze de rechercheur (al dan niet) kennis heeft genomen van de wijze waarop de camerabeelden werden bekeken. Evenmin staat (daardoor) vast dat de betreffende rechercheur bepaalde concrete informatie aan de officier van justitie heeft doorgegeven of heeft kunnen doorgeven; laat staan dat uit deze informatie een bepaalde verdedigingsstrategie afgeleid kan worden. Verder overweegt de rechtbank dat de rechercheur zichtbaar in de ruimte aanwezig was en de kantoorgenoot van de raadsman ofwel hier een punt van had kunnen maken of, desgewenst, haar gedrag ten aanzien van het bekijken van de camerabeelden op de aanwezigheid van de rechercheur had kunnen aanpassen. Er was, met andere woorden, geen sprake van het heimelijk observeren van de verdediging door de betreffende rechercheur. Ook overweegt de rechtbank dat in onderhavig geval geen sprake is van een beperking op het recht op vrije toegang tot het strafdossier. De kantoorgenoot van de raadsman had immers de beschikking over de camerabeelden en gesteld noch gebleken is dat zij beperkt is geweest in het bekijken van de camerabeelden. Verder is geen sprake van een inbreuk op vertrouwelijke communicatie tussen de raadsman en verdachte, aangezien verdachte niet aanwezig was bij het uitkijken van de camerabeelden. Alles overziend, komt de rechtbank tot de conclusie dat geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank tevens de omstandigheid dat de officier van justitie pas direct voorafgaand aan de terechtzitting een gesprek met de betreffende rechercheur heeft gevoerd over het uitkijken van de camerabeelden en op dat moment de resultaten van het opsporingsonderzoek reeds ter beoordeling van de rechtbank voorlagen. Anders gezegd: het gesprek tussen de officier van justitie en de rechercheur heeft geen (verdere) invloed gehad op de samenstelling van het dossier en de wijze waarop het opsporingsonderzoek heeft plaatsgevonden. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat ook als wel sprake zou zijn van een vormverzuim, gesteld noch gebleken is dat verdachte daarvan nadeel heeft geleden. De verdediging heeft aangevoerd dat sprake was van een grove of doelbewuste veronachtzaming van de verdedigingsbelangen van verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan geen sprake. De officier van justitie heeft verklaard dat hij voorafgaand aan de zitting met het opsporingsteam ging ‘sparren’ over de mogelijke verweren. Daarvan gaat de rechtbank uit. Van een grove of doelbewuste veronachtzaming van de verdedigingsbelangen van verdachte is hiermee geen sprake en ook is geen sprake van een fundamentele inbreuk op het strafproces of dat het wettelijke systeem in de kern is geraakt die op zichzelf moet leiden tot de conclusie dat de officier van justitie niet langer ontvankelijk is in de vervolging van verdachte. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen. 3.3 Schorsing van de vervolging Er zijn geen redenen om de vervolging van verdachte verder uit te stellen. 4WAARDERING VAN HET BEWIJS 4.1 Het standpunt van de officier van justitie Ter terechtzitting heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat, kort gezegd, wettig en overtuigend te bewijzen is dat verdachte – in nauwe en bewuste samenwerking met zijn medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] – op 22 oktober 2021 een hoeveelheid van 201 kilogram cocaïne heeft vervoerd en voorhanden heeft gehad. Daartoe heeft de officier van justitie bij requisitoir gewezen op de bevindingen van het observatie- en arrestatieteam, alsmede het aanvullend proces-verbaal van instap in de woning aan [adres] in [plaats] (hierna: het proces-verbaal van instap) en de rapportages die zijn opgemaakt door de forensische deskundigen ten aanzien van de aangetroffen cocaïne. Voor zover relevant, wordt het standpunt van de officier van justitie verder weergegeven onder het oordeel van de rechtbank. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsman heeft ter terechtzitting bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd, kort gezegd, dat sprake is van een drietal vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek die afzonderlijk en in onderlinge samenhang bezien moeten leiden tot uitsluiting van het verkregen bewijs. Wat alsdan resteert, kan in de visie van de raadsman niet de conclusie dragen dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het ten laste gelegde heeft gepleegd. Om deze reden moet verdachte worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Indien en voor zover de rechtbank niet overgaat tot de uitsluiting van het bewijs, vanwege de door de raadsman gestelde vormverzuimen, heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte niet het opzet heeft gehad op het vervoer en het voorhanden hebben van de aangetroffen cocaïne, zodat verdachte ook om deze reden moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Ten slotte heeft de raadsman betoogd dat niet wettig en overtuigen te bewijzen is dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde. Verdachte moet daarom voor dit onderdeel worden vrijgesproken. Voor zover relevant, wordt het standpunt van de raadsman verder weergegeven onder het oordeel van de rechtbank. 4.3 Het oordeel van de rechtbank 4.3.1 Het bewijs In een afschermproces-verbaal van 22 oktober 2021 staat opgetekend dat er in Nederland een opsporingsonderzoek loopt, waaruit informatie volgt dat in de woning aan [adres] in [plaats] “zeer waarschijnlijk een grote hoeveelheid verdovende middelen aanwezig [is]”. De betreffende woning staat op naam van medeverdachte [medeverdachte 1] en is, vanwege dit lopende opsporingsonderzoek, stelselmatig geobserveerd. Bij deze observatie is gebruik gemaakt van twee heimelijk geplaatste camera’s: de ene camera heeft zicht op het parkeerdek van de parkeergarage van winkelcentrum [straat] in [plaats] en de andere heeft zicht op de portiek van het appartementencomplex aan [straat] . Het zicht strekte zich tot in de portiek en de galerij met toegang tot de woning aan [adres] . Via één van deze camera’s is waargenomen dat op 22 oktober 2021 twee personen tussen 5.33 uur en 7.46 uur in totaal 28 keer de geobserveerde woning in- en uitlopen en daarbij “gesealde balen” de woning in dragen. Op deze camerabeelden is door het observatieteam, naast medeverdachte [medeverdachte 1] , medeverdachte [medeverdachte 2] herkend. De camera met zicht op het parkeerdek heeft vastgelegd dat [medeverdachte 2] op 22 oktober 2021 omstreeks 9.40 uur een Volkswagen Transporter voor de ingang van het portiek van de woning aan [adres] parkeert. Ook is op de beelden van deze camera gezien dat de zij(schuif)deur van de Volkswagen Transporter aan de bijrijderskant wordt geopend. Vervolgens is geverbaliseerd dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] vanaf 9.42 uur met blauwe boodschappentassen – die kennelijk tot de rand zijn gevuld – uit de woning lopen en zich naar de ingang van het portiek begeven. In de weerspiegeling van de schuifdeur van de Volkswagen Transporter wordt een “blauwe schim” gezien. Vervolgens is waargenomen dat [medeverdachte 2] om 9.46 uur de Volkswagen Transporter verplaatst, waarna hij een Volkswagen Caddy voor de ingang van het portiek parkeert. Vanaf 9.50 uur is opnieuw waargenomen dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in en uit de woning lopen, waarbij zij tot de rand gevulde blauwe boodschappentassen uit de woning dragen en naar de ingang van het portiek brengen, alwaar de Volkswagen Caddy geparkeerd staat. In totaal worden 18 boodschappentassen uit de woning gehaald. Om 9.52 uur is waargenomen dat [medeverdachte 2] in de Volkswagen Caddy stapt en deze verplaatst naar een parkeerplaats op het parkeerdek. Enige tijd later, omstreeks 10.15 uur, is waargenomen dat een Mercedes met kenteken [kenteken] het parkeerdek komt oprijden en door een op dat moment onbekende persoon naast de Volkswagen Caddy wordt geparkeerd. Vanuit de politiehelikopter, die op dat moment boven het parkeerdek van [straat] in [plaats] vliegt, is waargenomen dat meerdere personen heen en weer lopen tussen de Volkswagen Caddy en de Mercedes en dat daarbij voorwerpen van de achterzijde van de Volkswagen Caddy in de richting van de Mercedes worden gedragen. Vervolgens is gezien dat de onbekende persoon in de Mercedes stapt en het parkeerdek afrijdt. Op 22 oktober 2021, omstreeks 10.36 uur, wordt de onbekende bestuurder van de Mercedes, gekentekend [kenteken] , op de openbare weg staande gehouden en daarna aangehouden. De bestuurder van de Mercedes blijkt te zijn [verdachte] , geboren op [1991] in [geboorteplaats] . Voornoemde Mercedes wordt in beslag genomen en door verbalisanten doorzocht. In totaal worden tien grote blauwe boodschappentassen aangetroffen: vier tassen op de achterbank en zes tassen in de kofferbak. Ook worden diverse mobiele telefoons aangetroffen, waarvan één mobiele telefoon wordt aangetroffen op de armsteun van het voertuig. Deze mobiele telefoon, een IPhone Se, is door verbalisanten uitgelezen en onderzocht. In de mobiele telefoon worden gesprekken aangetroffen waarin de gebruiker van het toestel schrijft dat zijn achternaam “ [verdachte] ” is, alsmede dat hij gebruik maakt van het e-mailadres “ [e-mailadres] ”. In dezelfde mobiele telefoon is een gesprek aangetroffen, getiteld “ophalen”, waarin besproken wordt dat “200” moet worden opgehaald; “tien tassen van twintig”, op het bovenste parkeerdek van [straat] in [plaats] . Gebleken is dat in de tien tassen uit de Mercedes in totaal 201 rechthoekige blokken met inhoud zitten. Deze blokken wogen gezamenlijk 201 kilogram. Ten behoeve van het forensisch onderzoek zijn de blokken (met goednummer 2895971) voorzien van SIN-nummer AAOV9501NL. Deze blokken zijn vervolgens bemonsterd en voorzien van (relatie) SIN-nummer AAOV9506NL. Het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) heeft geconcludeerd dat de monsternames met het (relatie) SIN-nummer AAOV9506NL cocaïne bevatten. 4.3.2 Vormverzuimen en bewijsuitsluiting Aanleiding van het onderzoek en redelijk vermoeden van schuld In de eerste plaats heeft de raadsman betoogd dat het gebruik van het afschermproces-verbaal met zich brengt dat de aanleiding van het onderzoek niet kan worden getoetst. Omdat relevante stukken (onrechtmatig) zijn onthouden, kan niet worden beoordeeld of er voldoende grondslag bestond voor een redelijk vermoeden van schuld van betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde en dus ook niet in hoeverre de inzet van dwangmiddelen rechtmatig is geweest. Ten aanzien van dit verweer overweegt de rechtbank het volgende. In het afschermproces-verbaal van 22 oktober 2021 staat vermeld dat er in Nederland een opsporingsonderzoek loopt dat onder leiding staat van een officier van justitie. Uit dit onderzoek is bekend geworden dat er waarschijnlijk een grote hoeveelheid verdovende middelen in de woning aan [adres] in [plaats] aanwezig is. Blijkens het afschermproces-verbaal zijn de ingezette opsporingsbevoegdheden door middel van mondelinge en schriftelijke informatie getoetst aan de daarvoor geldende wettelijke bepalingen. Volgens de verbalisant die het afschermproces-verbaal heeft opgemaakt, was het verstrekken van (meer) informatie schadelijk voor het brononderzoek en was het daarom niet mogelijk om originele stukken uit het brononderzoek aan onderhavig doelonderzoek te voegen. Uit het aanvullend opgemaakte proces-verbaal van instap leidt de rechtbank af dat er een verdenking is ontstaan ter zake van twee medeverdachten van verdachte, te weten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Deze verdenkingen zijn gebaseerd op TCI-informatie, observaties en de inhoud van diverse Encrochat-berichten en had betrekking op het op grote schaal in- en exporteren van cocaïne. Ook leverde het brononderzoek aanwijzingen op dat de woning aan [adres] in [plaats] in gebruik was bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en aldus is de woning stelselmatig geobserveerd. Op 22 oktober 2021 is gezien dat de medeverdachten tientallen malen met grote blauwe boodschappentassen (“bigshoppers”) – die kennelijk tot de rand gevuld waren en afgedekt waren met donkerkleurig plastic – de woning verlieten. Dit terwijl eerder op die ochtend juist gezien was dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] grote, langwerpige en rechthoekige voorwerpen de geobserveerde woning in brachten. Tegelijkertijd is waargenomen dat de medeverdachten handelingen hebben verricht met een Volkswagen Transporter en een Volkswagen Caddy. Deze voertuigen zijn over het parkeerdek van [straat] verplaatst en, tijdens het verplaatsen van de tassen uit de woning, dicht tegen de ingang van het portiek van de woning aan geplaatst. Als vervolgens een (onbekende) Mercedes aan komt rijden die betrokken is bij het in korte tijd in-, uit- en overdragen van voorwerpen uit de geobserveerde woning en de Volkswagen Caddy, ontstaat naar het oordeel van de rechtbank een redelijk vermoeden van betrokkenheid van de bestuurder van de Mercedes ter zake van het vervoeren en het aanwezig hebben van verdovende middelen. Bovengenoemde informatie was bovendien voldoende concreet en specifiek om redelijkerwijs te vermoeden dat sprake was van een overtreding van de Opiumwet door de bestuurder van de Mercedes – naar later blijkt: verdachte. Anders dan de raadsman stelt, is de rechtbank van oordeel dat het nader opgemaakte proces-verbaal van instap voldoende inzicht geeft in en verantwoording biedt voor het ontstaan van een redelijk vermoeden van schuld en de daaropvolgende inzet van dwangmiddelen. Van een onthouding van stukken op grond van artikel 149b, eerste lid Wetboek van Strafvordering (Sv) is daarom (ook) geen sprake. Alles overziend, is de rechtbank van oordeel dat dit verweer niet kan slagen. Het verweer wordt dan ook verworpen. De duur van de stelselmatige observatie Het tweede door de raadsman gestelde vormverzuim ziet op de duur van de stelselmatige observatie van de woning aan [straat] in [plaats] . Door de raadsman is in het geding gebracht dat het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 8 EVRM op onrechtmatige wijze is beperkt. Daarbij heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het bevel tot stelselmatige observatie niet verlengd had mogen worden, nu niet bleek van feiten en omstandigheden waardoor de voorwaarden van artikel 126g, eerste lid Sv werden vervuld. In onderhavige zaak heeft de officier van justitie op 17 juni 2021 een camera doen plaatsen in het portiek van het appartementencomplex aan [straat] in [plaats] . Voorafgaand aan deze plaatsing is door de officier van justitie op 25 mei 2021 een bevel tot stelselmatige observatie afgegeven. Het bevel is op 18 augustus 2021 eenmalig verlengd en was nog geldend ten tijde van de waarnemingen op 22 oktober
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.