vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht handelskamer locatie Lelystad zaaknummer / rolnummer: C/16/498421 / HL ZA 20-70 Vonnis van 20 juli 2022 in de zaak van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , gemeente [gemeente] , eiseres, advocaat mr. A. Arslan te Zwolle, tegen 1 [gedaagde sub 1] , 2. [gedaagde sub 2], beiden wonende te [woonplaats] , gedaagden, advocaat mr. J.P.J. Botterblom te Nijkerk Gld. Eiseres zal hierna [eiseres] worden genoemd. Gedaagden tezamen zullen [gedaagde sub 2] c.s. worden genoemd, en afzonderlijk [gedaagde sub 1] respectievelijk [gedaagde sub 2] . 1De procedure 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 22 juli 2020; - de akte met producties 47 t/m 50 van [eiseres] ; - de mondelinge behandeling op 27 november 2020, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt; - de spreekaantekeningen van [eiseres] en [gedaagde sub 2] c.s.; - het e-mailbericht van 24 januari 2022 van de rechtbank aan partijen over de aanstaande rechtserswissel; - het e-mailbericht van 1 februari 2022 van [eiseres] met het verzoek om een nieuwe mondelinge behandeling in verband met de rechterswissel; - brief van 20 mei 2022 van [eiseres] waarbij de bewindvoerder van [gedaagde sub 2] c.s., te weten [onderneming 1] B.V., als procespartij in deze procedure is opgeroepen; - de brief van 25 mei 2022 met productie 3 van [gedaagde sub 2] c.s.; - de akte met producties 51 t/m 54 van [eiseres] ; - de akte voorwaardelijke eiswijziging met productie 55 van [eiseres] ; - de mondelinge behandeling op 7 juni 2022, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt; - de spreekaantekeningen van [eiseres] . 1.2. Ten slotte is vonnis bepaald. 2De feiten 2.1. [eiseres] is een garage- en automobielbedrijf. Zij handelt onder andere in auto’s. De heer [A] is de voormalig algemeen directeur van [eiseres] en volledig gevolmachtigde. 2.2. [gedaagde sub 1] was enig bestuurder van [onderneming 2] B.V. (hierna: [onderneming 2] ). [onderneming 2] was op haar beurt enig bestuurder van [onderneming 3] B.V. (hierna: [onderneming 3] ). [onderneming 3] handelde onder meer in (tweedehands) auto’s. [gedaagde sub 2] verrichtte werkzaamheden voor [onderneming 3] en [onderneming 2] . 2.3. Op 8 maart 2019 hebben [eiseres] en [onderneming 3] een raamovereenkomst met elkaar gesloten met afspraken over koop en levering van auto’s (hierna: de raamovereenkomst). Op basis van deze raamovereenkomst kwam per koop van een auto een koopovereenkomst tot stand tussen [onderneming 3] en [eiseres] , waarbij [onderneming 3] de koper was en [eiseres] de verkoper. Partijen hebben onder meer afgesproken dat [eiseres] de koopsommen automatisch zou incasseren bij [onderneming 3] . 2.4. Op een gegeven moment zijn binnen [onderneming 3] problemen ontstaan met het betalen van de auto’s aan [eiseres] . Begin juli 2019 hebben [eiseres] en [onderneming 3] daarom afgesproken dat [eiseres] vijf auto’s van [onderneming 3] zou kopen, waarbij de totale koopsom van deze auto’s van € 44.500,00 werd verrekend met de vordering die [eiseres] op [onderneming 3] had. Het resterende bedrag van € 7.520,00 is nadien betaald aan [eiseres] . 2.5. Vervolgens zijn [onderneming 2] en [eiseres] in gesprek gegaan over een samenwerking. Op 19 juli 2019 zijn [eiseres] en [onderneming 2] een consignatieovereenkomst (hierna: de consignatieovereenkomst)aangegaan, waarmee de raamovereenkomst is beëindigd. 2.6. Op grond van de consignatieovereenkomst geeft [eiseres] auto’s in consignatie aan [onderneming 2] voor de verkoop van de auto’s aan derden. Na de verkoop van een auto moest [eiseres] , op eerste verzoek van [onderneming 2] , de kentekenbewijzen ter beschikking stellen aan [onderneming 2] voorzien van een verkoopfactuur. [onderneming 2] was vervolgens gehouden deze factuur per ommegaande te voldoen. 2.7. [eiseres] heeft op 7 oktober 2019 het kentekenbewijs van een Toyota Aygo aan [onderneming 2] verstrekt en op 7 november 2019 de kentekenbewijzen van een Toyota Yaris en een Audi A6 ten behoeve van de verkoop van de auto’s aan derden. 2.8. [onderneming 2] heeft de facturen van [eiseres] voor de Toyota Aygo, de Toyota Yaris en de Audi A6 onbetaald gelaten. 2.9. [onderneming 2] is begin december 2019 ontbonden en op 10 december 2019 uitgeschreven bij het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. [onderneming 3] is eveneens begin december 2019 ontbonden, maar is vervolgens op 24 december 2019 failliet verklaard. 2.10. Bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, is het vermogen van [gedaagde sub 2] c.s. onder beschermingsbewind gesteld. De beschermingsbewindvoerder, thans [onderneming 1] B.V., is in het geding opgeroepen. 3Het geschil 3.1. [eiseres] vordert na akte wijziging eis samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [onderneming 1] B.V. in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [gedaagde sub 2] c.s. veroordeelt tot betaling van: € 31.056,43 aan hoofdsom; € 1.085,56 aan buitengerechtelijke incassokosten; de proceskosten, waaronder de nakosten; vermeerderd met de (handels)rente over de hiervoor genoemde posten. De eiswijziging was in eerste instantie onder de voorwaarde dat de goederen van [gedaagde sub 2] c.s. daadwerkelijk onder beschermingsbewind staan, maar op de tweede mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat dit het geval is, dus is de voorwaarde vervuld en de wijziging definitief. 3.2. [eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde sub 1] als (middelijk) bestuurder van [onderneming 2] en [onderneming 3] onrechtmatig tegenover [eiseres] heeft gehandeld, waardoor zij schade heeft geleden. Zij stelt dat [gedaagde sub 1] op grond van artikel 6:162 BW (jo. artikel 2:11 BW) aansprakelijk is voor deze schade, omdat haar persoonlijk een ernstig verwijt van het handelen van [onderneming 2] en [onderneming 3] valt te maken. Verder stelt [eiseres] dat [gedaagde sub 2] de feitelijk beleidsbepaler van [onderneming 2] en [onderneming 3] was en om die reden met het bestuur hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die zij lijdt. 3.3. [gedaagde sub 2] c.s. voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten. 3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. 4De beoordeling Waar gaat dit geschil over? 4.1. [eiseres] heeft vorderingen op [onderneming 2] en [onderneming 3] die onbetaald zijn gebleven. De vraag is of [gedaagde sub 1] als bestuurder en [gedaagde sub 2] als feitelijk leidinggevende aansprakelijk zijn voor de schade die [eiseres] hierdoor lijdt omdat aan hen persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt van het feit dat [onderneming 2] en [onderneming 3] niet hebben betaald. 4.2. De rechtbank is ten eerste van oordeel dat [eiseres] geen vordering heeft op [onderneming 3] , zodat aan de vraag of [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als bestuurder respectievelijk feitelijk leidinggevende van die vennootschap kunnen worden aangesproken niet meer wordt toegekomen. Voorts oordeelt de rechtbank dat onvoldoende is gesteld en onderbouwd dat [gedaagde sub 1] als bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt van het onbetaald blijven van de schuld van [onderneming 2] aan [eiseres] . Om die redenen wordt ook de vordering tegen [gedaagde sub 2] afgewezen. 4.3. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij tot dit oordeel komt. De gestelde vordering op [onderneming 3] 4.4. In punt 71 van de dagvaarding heeft [eiseres] berekend hoe hoog de vordering op [onderneming 3] is, te weten (€ 1.317,69 + € 718,74 + € 8.000,00 -/- € 10.000,00 =) € 36,43. De eerste twee bedragen zien op premies voor factoring die volgens [eiseres] op grond van de raamovereenkomst verschuldigd zijn. [gedaagde sub 2] c.s. betwist de verschuldigdheid van deze premies onder verwijzing naar de raamovereenkomst waarin niets over dergelijke premies is opgenomen. [eiseres] heeft verder niet onderbouwd op grond waarvan [onderneming 3] deze premies dan wel verschuldigd zou zijn, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat. [eiseres] stelt dat [onderneming 3] € 8.000,00 aan haar verschuldigd is wegens een wel betaalde, maar niet geleverde VW Golf, maar dat bedrag is meegenomen in de hiervoor vermelde rekensom en is dus reeds voldaan. Het voorgaande houdt in dat [onderneming 3] in het geheel niets meer aan [eiseres] verschuldigd is. Het beoordelingskader voor bestuurdersaansprakelijkheid 4.5. Als uitgangspunt geldt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor haar schulden. Uitsluitend in bijzondere gevallen kan, naast de vennootschap, het bestuur van de vennootschap aansprakelijk worden gehouden voor de schuld van de vennootschap aan een schuldeiser. Dit kan zich voordoen als de bestuurder persoonlijk ter zake van de benadeling van de schuldeiser een ernstig verwijt kan worden gemaakt in een situatie waarbij de bestuurder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.