vonnis RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht handelskamer locatie Lelystad zaaknummer / rolnummer: C/16/538962 / HL ZA 22-125 Vonnis in incident van 10 augustus 2022 in de zaak van 1 [procesdeelnemer I] ,
- [procesdeelnemer II], beiden wonende te [woonplaats] , eisers in de hoofdzaak, verweerders in het incident, advocaat mr. F. Dijkslag te Amersfoort, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [procesdeelnemer III] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats 1] , gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident, advocaat mr. R.S. Ariëns te Amsterdam. Partijen zullen hierna [procesdeelnemer I] c.s. - in vrouwelijk enkelvoud - en [procesdeelnemer III] - in mannelijk enkelvoud - genoemd worden. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: de dagvaarding met producties 1 t/m 19; de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring; de incidentele conclusie van antwoord. 1.
- Ten slotte is vonnis bepaald in het incident. 2De beoordeling in het incident In de hoofdzaak 2.
- [procesdeelnemer I] c.s. heeft in de hoofdzaak - samengevat - gevorderd [procesdeelnemer III] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 82.311,60 en tot terugbetaling van € 12.545,91 vanwege gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst. [procesdeelnemer I] c.s. heeft architectenbureau [procesdeelnemer III] onder andere de opdracht gegeven om de bouw van een woning en een bijgebouw (hierna: de opstallen) te begeleiden. Hiertoe hebben partijen een overeenkomst gesloten. [procesdeelnemer I] c.s. stelt dat er fouten zijn gemaakt bij de uitvoering van de bouw van de woning, waardoor [procesdeelnemer I] c.s. schade lijdt, en die aan [procesdeelnemer III] zijn toe te rekenen. Volgens [procesdeelnemer I] c.s. is [procesdeelnemer III] ernstig tekortgeschoten in de nakoming van de op hem rustende verplichtingen uit de overeenkomst. In het incident 2.
- In het incident vordert [procesdeelnemer III] dat hem wordt toegestaan mr. H.J.D. ter Waarbeek q.q., gevestigd te ( [postcode] ) [vestigingsplaats 2] aan de [adres] , als curator in het faillissement van [onderneming] B.V. (hierna: [onderneming] ) in vrijwaring op te roepen. [procesdeelnemer I] c.s. refereert zich aan het oordeel van de rechtbank. 2.
- [procesdeelnemer III] heeft aan zijn vordering tot vrijwaring ten grondslag gelegd dat hij een regresvordering heeft op [onderneming] op grond van (mede) aansprakelijkheid ex artikelen 6:10 jo 6:102 BW, voor het geval in de hoofdzaak wordt geoordeeld dat hij aansprakelijk is tegenover [procesdeelnemer I] c.s. Volgens [procesdeelnemer III] is tussen [procesdeelnemer I] c.s. en [onderneming] een aannemingsovereenkomst gesloten op grond waarvan [onderneming] zorg zou dragen voor de bouw van de opstallen. De door [procesdeelnemer I] c.s. veronderstelde schade is volgens [procesdeelnemer III] veroorzaakt door [onderneming] , waardoor zij voor 100% voor de (gesteld) geleden schade van [procesdeelnemer I] c.s. moet opkomen. 2.
- Bij de beoordeling van de vordering in het incident stelt de rechtbank voorop dat een vordering tot oproeping van een derde in vrijwaring in beginsel toewijsbaar is, indien de gedaagde partij in de hoofdzaak/eiser in het incident (de gewaarborgde) voldoende onderbouwt en concreet stelt dat de in vrijwaring op te roepen derde (de waarborg) krachtens zijn rechtsverhouding tot hem verplicht is de nadelige gevolgen van een veroordeling van gedaagde in de hoofdzaak te dragen. Het daadwerkelijk bestaan van de gestelde rechtsverhouding behoeft nog niet vast te staan. Dat zal in de vrijwaringszaak moeten worden onderzocht. 2.
- Naar het oordeel van de rechtbank is aan de vereisten voor een oproeping in vrijwaring in beginsel voldaan, nu uit de stelling van [procesdeelnemer III] voldoende naar voren komt dat van een rechtsverhouding als hiervoor bedoeld sprake kan zijn. Uit de stelling van [procesdeelnemer III] komt naar voren dat mogelijk sprake kan zijn van hoofdelijke aansprakelijkheid tussen partijen. Om deze reden is de rechtbank van oordeel dat de incidentele vordering moet worden toegewezen. Proceskosten in het incident 2.
- Naar het oordeel van de rechtbank kan in het incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. 3De beslissing De rechtbank in het incident 3.
- staat toe dat mr. H.J.D. ter Waarbeek q.q., gevestigd te ( [postcode] ) [vestigingsplaats 2] aan de [adres] , als curator in het faillissement van [onderneming] B.V. door [procesdeelnemer III] wordt gedagvaard tegen de terechtzitting van 21 september 2022, 3.
- compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, in de hoofdzaak 3.
- bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 21 september 2022 voor conclusie van antwoord. Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Jaarsveld en in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2022.