RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16.031606.22 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 10 augustus 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1983] te [geboorteplaats] (Polen), ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] (Polen), zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande, hierna: verdachte. 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 12 mei 2022 (pro forma) en 27 juli 2022 (inhoudelijk). De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. L.H. van der Veldt en van hetgeen verdachte en zijn raadsvrouw, mr. L.P.A. Voskuilen, advocaat te Amersfoort, alsmede de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] en hun advocaat, mr. E.Q. Bosch, advocaat te Naaldwijk, naar voren hebben gebracht. 2TENLASTELEGGING De verdenking komt er in het kort op neer dat verdachte: op 6 februari 2022 te Oudewater [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) opzettelijk van het leven heeft beroofd, door hem met een mes in zijn buik te steken. 3VOORVRAGEN De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging van verdachte en er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging. 4WAARDERING VAN HET BEWIJS 4.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. 4.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft geen bewijsverweer gevoerd. 4.3 Het oordeel van de rechtbank Bewijsmiddelen De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 27 juli 2022, zakelijk weergegeven: Op 6 februari 2022 ging de deur van mijn kamer in Oudewater open. Ik lag op bed. Ik zag dat [slachtoffer] zich over mij heen boog en mij begon aan te vallen en te slaan. Met mijn rechterarm heb ik mijn gezicht afgeschermd. Met mijn linkerhand heb ik het mes gepakt dat op het bed naast mij lag. Ik wilde [slachtoffer] met het mes afschrikken. Ik heb met het mes in mijn linkerhand een beweging gemaakt van mijn linkerheup naar mijn rechterschouder. Ik heb niet gezien of ik hem heb geraakt met het mes, omdat ik mijn gezicht nog steeds afschermde met mijn rechterarm. Een rapport van het NFI ‘forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden’: Overledene: Datum ontvangst: 7 februari 2022 Naam [slachtoffer] (M) Geboortedatum [1988] Geboorteplaats [geboorteplaats] (Polen) De bovengenoemde persoon is overleden op de [adres] in [plaats] . Het overlijden van [slachtoffer] , 33 jaar oud, wordt verklaard door verbloeding als gevolg van een steekletsel aan de bovenbuik rechts. De verklaring van getuige [getuige 1] , zakelijk weergegeven: Hij (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer] ) is zijn kamer (de rechtbank begrijpt: de kamer van verdachte) binnengedrongen en ik bleef zitten. Het was echt een momentje, misschien vijf of zeven seconden daarna kwam hij er uit. Ik had gemerkt dat hij zijn buik vasthield. Hij hield zijn buik met twee handen vast en tussen zijn vingers zag ik een wond. Ik zag dat hij aan het bloeden was, vandaar weet ik dat hij daar geraakt is. Toen hij de kamer inging, was hij zeker niet verwond. Bewijsoverweging Verdachte heeft verklaard dat hij niet de bedoeling heeft gehad om het slachtoffer te doden, maar dat hij het mes in de richting van [slachtoffer] heeft bewogen om hem af te schrikken. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of sprake is geweest van opzettelijke levensberoving. Voor het aannemen van het opzet is (minstens) vereist dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] bewust heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. Verdachte heeft verklaard dat hij met het mes in zijn linkerhand blindelings een beweging heeft gemaakt in de richting van het lichaam van [slachtoffer] . Verdachte heeft verder verklaard dat [slachtoffer] op dat moment over verdachte heen gebogen stond en hem sloeg. Verdachte moet daarom ten tijde van het maken van de beweging met het mes hebben geweten dat [slachtoffer] binnen armbereik stond en dat hij hem dus zou kunnen raken. Gelet op de houding van [slachtoffer] ten opzichte van verdachte, heeft daarbij de aanmerkelijke kans bestaan dat verdachte het slachtoffer met het mes in het bovenlichaam – en daarmee ook in de buikstreek – zou raken. Verdachte moet ook dat hebben geweten. De rechtbank overweegt verder dat het een algemene ervaringsregel is dat zich in de buikstreek vitale organen bevinden, en dat het steken van een mes in deze buikstreek een aanmerkelijke kans op de dood doet ontstaan. Door onder die omstandigheden te steken op de wijze die verdachte heeft gedaan, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] bewust aanvaard. Het tenlastegelegde is in zoverre wettig en overtuigend bewezen. 5BEWEZENVERKLARING De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte: op 6 februari 2022 te Oudewater, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door met een mes, die [slachtoffer] in de buik te steken. Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. Verdachte wordt hiervan vrijgesproken. 6STRAFBAARHEID VAN HET FEIT 6.1 Het standpunt van de officier van justitie De officier van justitie heeft gerekwireerd tot ontslag van alle rechtsvervolging. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan worden afgeleid dat verdachte een geslaagd beroep op noodweer dan wel noodweerexces toekomt. 6.2 Het standpunt van de verdediging De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsvrouw stelt zich primair op het standpunt dat verdachte een geslaagd beroep op noodweer toekomt en subsidiair dat verdachte een geslaagd beroep op noodweerexces toekomt. 6.3 Het oordeel van de rechtbank Voor een geslaagd beroep op noodweer is, ingevolge artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het eigen lijf of een anders lijf, eerbaarheid of goed. Deze verdediging mag voorts de grenzen van subsidiariteit en proportionaliteit niet overschrijden. Daarnaast mag er geen sprake zijn van eigen schuld (culpa in causa). Indien door of namens verdachte een beroep wordt gedaan op noodweer, moet de rechtbank allereerst beoordelen of de feitelijke toedracht, zoals door verdachte aan het verweer ten grondslag is gelegd en uit de wettelijke bewijsmiddelen moet worden afgeleid, aannemelijk is geworden. De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de door verdachte geschetste toedracht een beroep op noodweer rechtvaardigt. Meer concreet moet de rechtbank de vraag beantwoorden of het door verdachte begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging – waarin de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit besloten liggen – tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding Verdachte heeft verklaard dat hij al langere tijd een conflict had met meerdere huisgenoten, waaronder het slachtoffer. Het slachtoffer heeft verdachte met de dood bedreigd en op de dag voorafgaand aan het ten laste gelegde feit is verdachte geslagen door een andere huisgenoot. Volgens verdachte was het conflict vooral ontstaan doordat hij van zijn huisgenoten niet langer in het huis mocht wonen, omdat hij was ontslagen bij zijn werk. In de nacht van de ten laste gelegde datum heeft verdachte verbleven op zijn kamer. Hij heeft zijn kamerdeur op slot gedraaid, zodat hij niet door zijn huisgenoten lastig zou worden gevallen. Verdachte heeft die nacht meermaals gehoord dat op zijn kamerdeur werd gebonkt en geslagen en heeft gezien dat zijn kamerdeur daardoor trilde. Verdachte is toen gaan kijken of hij uit het raam van zijn kamer kon vluchten, maar dat kon niet. Verdachte heeft toen een mes gepakt en naast hem op zijn bed gelegd voor het geval dat iemand zijn kamer binnen zou komen. Hij zou het mes in dat geval gebruiken om diegene af te schrikken en langs diegene uit de kamer te rennen. Verdachte heeft verder verklaard dat op enig moment gedurende die nacht weer op zijn kamerdeur werd gebonkt, dat de deur daardoor openging, dat het slachtoffer zijn kamer binnenkwam en dat het slachtoffer hem direct begon te slaan. Verdachte lag toen op bed en het slachtoffer stond voorovergebogen over verdachte heen. Verdachte heeft daarop met zijn rechterarm zijn gezicht beschermd en met zijn linkerhand het mes gepakt. Vervolgens heeft hij met het mes in zijn linkerhand een beweging gemaakt vanaf zijn linkerheup in de richting van zijn rechterschouder, naar eigen zeggen met de bedoeling om het slachtoffer te laten schrikken van het mes. Het slachtoffer heeft de kamer vervolgens verlaten. De rechtbank is van oordeel dat de door de verdachte geschetste feitelijke toedracht voldoende aannemelijk is geworden en overweegt daartoe als volgt. Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting telkens consistente verklaringen afgelegd over de achtergrond van, de aanloop naar en het feitelijk verloop van het incident op 6 februari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.