RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter zittingsplaats Amersfoort Zaaknummer: 9794674 \ AC EXPL 22-861 Vonnis van 29 juni 2022 in de zaak van de vennootschap onder firma [eiser] V.O.F., gevestigd in [vestigingsplaats] , eiser, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigden: gerechtsdeurwaarders J. Hubers, mr. H.J.M. van der Manden en mr. B.C.H. Kolfschoten, tegen [gedaagde] , in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van [A], wonende in [woonplaats] , gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde] , in persoon. 1De procedure 1.
- Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 tot en met 6, - het proces-verbaal van de civiele rolzitting op 6 april 2022, waarin is opgenomen de mondelinge conclusie van antwoord, - de conclusie van repliek met producties 1 tot en met 5, - het proces-verbaal van de civiele rolzitting op 1 juni 2022, waarin is opgenomen de mondelinge conclusie van dupliek. 1.
- De kantonrechter heeft besloten dat de uitspraak vandaag is. 2Waar gaat het over? 2.
- Het vermogen van [A] (hierna: [A (voornaam)] ) staat onder bewind. Vanaf 9 oktober 2013 tot 6 december 2017 was [B] (hierna: [B] ) bewindvoerder. Bij beschikking van 6 december 2017 is [B] ontslagen en is [eiser] benoemd tot opvolgend bewindvoerder. Op 25 april 2019 is het bewind opgeheven. Op 23 november 2021 is [gedaagde] benoemd tot bewindvoerder. 2.
- [eiser] heeft op 18 mei 2020 aan [gedaagde] een factuur gestuurd voor de vergoeding van haar aanvangswerkzaamheden ter hoogte van € 628,
- [gedaagde] heeft die niet betaald. [eiser] vordert in deze procedure betaling van de factuur, de wettelijke rente vanaf 2 juni 2020 tot de dagvaarding (€ 22,31) en de buitengerechtelijke incassokosten (€ 94,27). [eiser] heeft ook gevorderd dat [gedaagde] haar proceskosten betaalt. 2.
- [gedaagde] wil de factuur niet betalen omdat – kort gezegd – hij vindt dat [eiser] nalatig is geweest en [A (voornaam)] daardoor financiële en psychische schade heeft geleden. 3De beoordeling De factuur 3.
- [gedaagde] heeft niet betwist dat [eiser] aanspraak kan maken op een vergoeding van € 628,47 voor haar aanvangswerkzaamheden. Dat blijkt bovendien uit de beschikking van de kantonrechter van 6 december
- 3.
- Volgens [gedaagde] heeft het schuldsaneringstraject bij [organisatie] voor de schulden van [A (voornaam)] vertraging opgelopen door [eiser] . De voormalig bewindvoerder [B] is veroordeeld tot betaling van een bedrag aan [A (voornaam)] en heeft dat overgemaakt aan [eiser] in plaats van aan [A (voornaam)] , aldus [gedaagde] . Het duurde volgens [gedaagde] even voordat [A (voornaam)] en hij daarachter kwamen. [eiser] heeft uiteindelijk het bedrag dat zij had ontvangen, aan [gedaagde] overgemaakt. [A (voornaam)] was echter in het kader van het schuldsaneringstraject verplicht om op een bepaalde datum een bedrag over te maken aan [organisatie] en dat is door het voorgaande niet gelukt, aldus [gedaagde] . Het gevolg daarvan is volgens [gedaagde] dat [A (voornaam)] anderhalf jaar langer een eigen bijdrage voor de schuldenregeling heeft betaald, naast de maandelijkse kosten van de bewindvoerder. 3.
- De kantonrechter stelt voorop dat [gedaagde] zijn stellingen geheel niet heeft onderbouwd, waardoor zijn verweer niet slaagt. Daarnaast is het volgende relevant. 3.
- De kantonrechter heeft op 16 januari 2020 [B] veroordeeld tot betaling aan [A (voornaam)] van € 1.382,48, waaronder de vergoeding voor de aanvangswerkzaamheden van [eiser] ter hoogte van € 628,
- [eiser] heeft deze procedure aanhangig gemaakt in haar hoedanigheid van bewindvoerder over het vermogen van [A (voornaam)] en deed datzelfde voor een aantal andere cliënten. Het bewind over het vermogen van [A (voornaam)] was al opgeheven op de datum van de hiervoor genoemde beschikking. [A (voornaam)] diende daarom zelf de veroordeling bij [B] te verhalen. Voor haar andere cliënten heeft [eiser] een betalingsregeling met [B] getroffen. In dat kader heeft [B] kennelijk op 11 mei 2020 eenmaal een bedrag van € 115,21 als aflossing op de vordering van [A (voornaam)] aan [eiser] overgemaakt. [eiser] heeft dat op 18 mei 2020 teruggestort naar [B] . 3.
- Dat [eiser] meer geld van [B] heeft ontvangen en dat langdurig onder zich heeft gehouden, is niet gebleken. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat [eiser] slechts € 115,21 tijdelijk (één week) ten onrechte onder zich heeft gehad. Uit de beschikking van de kantonrechter van 16 januari 2020 en het feit dat [eiser] op dat moment geen bewindvoerder meer was, volgt dat het op de weg van [A (voornaam)] had gelegen om het bedrag bij [B] tijdig te innen ten behoeve van zijn schuldsaneringstraject bij [organisatie] . De wijze waarop [eiser] heeft gehandeld, vormt dus geen grondslag voor een schadevergoeding en ontslaat [gedaagde] evenmin van zijn verplichting om de vergoeding voor de aanvangswerkzaamheden van [eiser] aan haar te voldoen. De vordering van [eiser] wordt daarom toegewezen. 3.
- Omdat [gedaagde] de factuur van [eiser] niet op tijd heeft betaald, is hij de wettelijke rente verschuldigd. Die bedraagt vanaf 2 juni 2020 (de datum van verzuim) tot de dagvaarding € 22,
- Dit bedrag wordt dan ook toegewezen. De buitengerechtelijke incassokosten 3.
- [eiser] vordert ook vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De hoogte van de vordering is getoetst aan het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is niet hoger dan het tarief dat in het Besluit is bepaald. Daarom worden de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 94,27 toegewezen. 3.
- Uit het voorgaande volgt dat in totaal het volgende bedrag wordt toegewezen: - hoofdsom - rente vanaf 2 juni 2020 tot de dagvaarding € € 628,47 22,31 - buitengerechtelijke incassokosten € 94,27 + totaal € 745,05 De proceskosten 3.
- [gedaagde] is de partij die ongelijk krijgt en hij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [eiser] als volgt vastgesteld: - kosten van de dagvaarding € 107,22 - griffierecht € 322,00 - salaris gemachtigde € 248,00 (2 punten × € 124,00) Totaal € 677,22 4De beslissing De kantonrechter 4.
- veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 745,05, 4.
- veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot dit vonnis vastgesteld op € 677,22, 4.
- verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2022.