← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2022:3225

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Civiel recht Kantonrechter zittingsplaats Utrecht Zaaknummer: 9525622 \ UC EXPL 21-7791 Vonnis van 13 juli 2022 in de zaak van [eiser] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats 1] , eiser, hierna te noemen: [eiser] , gemachtigde mr. D.A. IJpelaar, tegen [gedaagde] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats 2] , gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde] , gemachtigde mr. J.M. van Noort. 1De procedure 1.

  1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 tot en met 16, - de conclusie van antwoord met producties 1 en 2, - de conclusie van repliek, - de conclusie van dupliek met producties 3 en
  2. - de akte uitlaten producties van [eiser] . 1.
  3. De kantonrechter heeft besloten dat de uitspraak vandaag is. 2Waar gaat het over? 2.
  4. [eiser] heeft op 18 maart 2019 en 29 juli 2019 in opdracht van [gedaagde] rioolwerkzaamheden verricht aan de onroerende zaak aan de [adres 1] / [adres 2] in [plaats] (hierna: het pand). [onderneming 1] B.V. (hierna: [onderneming 1] ) is de eigenaar van dit pand. 2.
  5. Op 19 april 2019 en 16 augustus 2019 heeft [eiser] de kosten van de werkzaamheden (€ 18.097,62 respectievelijk € 7.716,79) in rekening gebracht per factuur. Beide facturen zijn gericht aan [onderneming 1] per adres van [gedaagde] . 2.
  6. De facturen zijn onbetaald gebleven. [eiser] vordert in deze procedure betaling van € 25.000,-- (waartoe zij om proceseconomische reden haar vordering heeft beperkt) te vermeerderen met de wettelijke handelsrente en de proceskosten. 2.
  7. [gedaagde] is het niet eens met de vordering. Zij stelt dat zij bij het geven van de opdracht heeft gehandeld als lasthebber, in naam en voor rekening van [onderneming 1] en dat er tussen [gedaagde] en [eiser] dus geen overeenkomst tot stand is gekomen. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. 2.
  8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan. 3De beoordeling 3.
  9. In de kern gaat dit geschil over de vraag of [gedaagde] de opdracht aan [eiser] voor zichzelf of als (bevoegd) lasthebber van [onderneming 1] heeft verstrekt. 3.
  10. [onderneming 1] heeft op 26 maart 2007 een beheerovereenkomst gesloten met [gedaagde] , die destijds nog de naam [onderneming 2] B.V. droeg. [gedaagde] mag op grond van die overeenkomst in naam en voor rekening van [onderneming 1] onder meer opdrachten verstrekken voor onderhoudswerkzaamheden tot € 1.000,00 en voor noodzakelijke maatregelen in spoedeisende gevallen. De overeenkomst wordt door [eiser] niet betwist, zodat van het bestaan van die overeenkomst wordt uitgegaan. Partijen zijn het weliswaar niet eens over de grondslag voor de opdrachten (onderhoud tot € 1.000,00 of maatregelen in spoedeisend geval), maar stellen beiden dat [gedaagde] bevoegd was tot het namens [onderneming 1] verstrekken van de opdrachten voor de werkzaamheden die [eiser] op 18 maart 2019 en 29 juli 2019 heeft verricht. Daarom staat vast dat [gedaagde] als gevolmachtigde dan wel lasthebber van [onderneming 1] voor diens rekening de opdrachten heeft verstrekt. Op grond van artikel 3:66 lid 1 BW treffen de gevolgen van de overeenkomst [gedaagde] in beginsel niet. 3.
  11. [eiser] heeft aangevoerd dat zij van het bestaan van de volmacht niet op de hoogte was. [gedaagde] stelt dat zij haar hoedanigheid als gevolmachtigde dan wel lasthebber in ieder geval schriftelijk kenbaar heeft gemaakt in haar opdrachtbrieven aan [eiser] van 7 januari 2019 en 20 augustus
  12. In de opdrachtbrieven staat: ‘Namens en in opdracht van [onderneming 1] B.V. verstrekken wij u opdracht[...]’ en ‘Uw nota dient in enkelvoud, vergezeld van een kopie van deze opdracht en een door de huurder getekende werkbon als volgt tenaamgesteld te worden: [onderneming 1] B.V. p/a [gedaagde] B.V.[...]’. 3.
  13. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de opdrachtbrieven buiten beschouwing te laten, omdat de brieven aan [eiser] zijn gericht en zij daarmee dus bekend was. [eiser] is bovendien in deze procedure in de gelegenheid gesteld te reageren op de brieven. De inhoud van de brieven stelt [eiser] niet ter discussie. Zij heeft haar facturen aan [onderneming 1] gericht, zoals in de opdrachtbrieven is opgedragen. Met het handelen van [gedaagde] in hoedanigheid van gevolmachtigde van [onderneming 1] was [eiser] dus bekend, althans kon zij bekend zijn. Deze stelling van [eiser] is daarom onvoldoende onderbouwd. 3.
  14. Omdat [gedaagde] als gevolmachtigde dan wel lasthebber van [onderneming 1] de opdrachten voor de werkzaamheden op 18 maart 2019 en 29 juli 2019 heeft verstrekt, is [gedaagde] niet gebonden aan de gevolgen van de door [eiser] gestelde overeenkomst. [eiser] heeft dus de verkeerde partij in rechte betrokken. De vorderingen van [eiser] worden daarom afgewezen. 3.
  15. Omdat [eiser] ongelijk heeft gekregen, moet zij de proceskosten van [gedaagde] betalen. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 996,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x € 498,00). 4De beslissing De kantonrechter 4.
  16. wijst de vorderingen van [eiser] af, 4.
  17. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot dit vonnis vastgesteld op € 996,00 aan salaris gemachtigde, 4.
  18. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en uitgesproken op 13 juli 2022.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.