← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2022:337

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: UTR 21/1161, 21/1125 en 21/1395 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 februari 2022 in de zaak tussen [verzoekster 1] , te [vestigingsplaats] , verzoeker ten aanzien van UTR 21/1161 en UTR 21/1395, (gemachtigde: mr. D. de Jong), [verzoekster 2] , te [vestigingsplaats] , verzoeker ten aanzien van UTR 21/1125, (gemachtigde: mr. D. de Jong), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder. Procesverloop Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekers om vergoeding van hun proceskosten. Verweerder heeft op 15 oktober 2021 gereageerd op dit verzoek. Overwegingen

  1. Verweerder heeft op 28 januari 2021 (UTR 21/1161), 5 februari 2021 (UTR 21/1125) en 15 februari 2021 (UTR 21/1395)beslist dat de tijdelijke omgevingsvergunning en de exploitatievergunning, waartegen verzoekers bezwaar hebben gemaakt, in stand blijven.. Verzoekers zijn hiertegen in beroep gegaan. Op 19 juli 2021 heeft verweerder beslist dat hij de omgevingsvergunning en de exploitatievergunning intrekt naar aanleiding van een verzoek daartoe van de vergunninghouder. Verzoekers hebben daarna de beroepen ingetrokken mits zij een vergoeding krijgen voor hun proceskosten.
  2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekers) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank in een afzonderlijke uitspraak bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
  3. In artikel 8:75a van de Awb staat ook dat een verzoek om vergoeding van proceskosten tegelijk met de intrekking moet worden gedaan. Dit betekent dat een intrekking van het beroep onder de voorwaarde dat er een vergoeding voor de proceskosten wordt toegekend, zoals verzoekers hebben gedaan, zich niet verdraagt met het systeem van artikel 8:75a van de Awb. De rechtbank gaat er daarom van uit dat verzoekers hun beroepen hebben ingetrokken en tegelijk een verzoek om vergoeding van de proceskosten hebben gedaan.
  4. Verweerder heeft gereageerd op de verzoeken van verzoekers en heeft aangegeven dat hij geen proceskosten aan verzoekers wil betalen. Volgens verweerder zijn de besluiten ingetrokken op verzoek van de vergunninghouder en is niet gebleken dat deze besluiten zijn ingetrokken vanwege de door verzoekers eerder aangehaalde (beroeps)gronden.
  5. De rechtbank geeft verweerder gelijk, omdat geen sprake is van tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, is sprake van tegemoetkomen, indien het bestuursorgaan het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit geheel of gedeeltelijk neemt, tenzij dit besluit kennelijk is genomen op andere gronden dan de indiener van het beroepschrift heeft aangevoerd. In dit geval heeft verweerder de vergunningen ingetrokken naar aanleiding van het verzoek van vergunninghouder en niet naar aanleiding van de beroepschriften van verzoekers. Verzoekers hebben aangevoerd dat de door verweerder verstrekte vergunningen civielrechtelijk niet mogelijk zijn en dat heeft de civiele rechter bevestigd in de uitspraak C/16/521281 / KG ZA 21-247 bevestigd. Hoewel het aannemelijk is dat de vergunninghouder om die reden verweerder heeft verzocht de vergunningen in te trekken, neem dat niet weg dat ook zonder deze beroepsprocedure bij de bestuursrechter dat resultaat zou zijn bereikt.
  6. Verweerder hoeft de proceskosten van verzoekers dus niet te betalen.
  7. De rechtbank wijst de verzoeken af. Beslissing De rechtbank wijst de verzoeken af. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van J. Fagel, griffier. De beslissing is uitgesproken op 2 februari 2022 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl. de rechter is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 november 2012, ECLI:NL:RVS:2011:BU3141.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.