RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 21/1340 uitspraak van de meervoudige kamer van 2 februari 2022 in de zaak tussen Het Behouden Huis B.V., uit Zeist, eiseres (gemachtigde: H. Vloet), en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, verweerder (gemachtigde: mr. M.F.M. Boerlage). Procesverloop Verweerder heeft bij beschikking van 30 april 2020 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) de waarde op 1 januari 2019 (de waardepeildatum) van de onroerende zaak [adres 1] in [woonplaats] (de onroerende zaak) voor het kalenderjaar 2020 vastgesteld op € 4.964.000,- (de beschikking). Met de beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd de aan eiseres voor het jaar 2020 opgelegde aanslag in de van gebruikers geheven onroerendezaakbelasting van de gemeente Zeist (de aanslag). Verweerder heeft het daartegen gemaakte bezwaar bij uitspraak op bezwaar van 10 februari 2021 gegrond verklaard en de waarde van de onroerende zaak nader vastgesteld op € 4.454.000,-. Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend met een taxatierapport. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad op de onlinezitting van de rechtbank van 24 november 2021. Eiseres is op de zitting vertegenwoordigd door haar gemachtigde, die is bijgestaan door [taxateur 1] , taxateur. Verweerder is op de zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, die is bijgestaan door [taxateur 2] , taxateur. De rechtbank heeft het beroep van eiseres in deze zaak en het beroep van Care Property Invest.NL2 b.v. (Care Property) tegen de beschikking en de aan Care Property voor het jaar 2020 opgelegde aanslag in de van eigenaren geheven onroerendezaakbelasting op de zitting van 24 november 2021 (zaaknummer UTR 21/1333) tezamen behandeld. Vaststaande feiten 1.1 De onroerende zaak bestaat uit een rond 1855 gebouwd landhuis dat in 2005 is verbouwd tot woonzorgcentrum, met een bruto vloeroppervlak van ongeveer 1.775 m2 en een gebruiksoppervlak van 1.465 m2 (het woonzorgcentrum), en een perceel grond van 7.420 m2 (het perceel). De onroerende zaak is ingeschreven in het rijksmonumentenregister. Het perceel, dat grenst aan het onder de Natuurschoonwet 1928 (Nsw) gerangschikte landgoed Pavia, is op grond van een zogeheten ‘aanleunrangschikking’ met ingang van 12 december 2018 aangemerkt als landgoed in de zin van artikel 1 van de Nsw. 1.2 Op 12 december 2018 is de onroerende zaak door Stichting Vastgoed zorgsector geleverd aan Ridge b.v. De koopsom bedroeg € 4.285.000,-. Ten tijde van de koop van de onroerende zaak door Ridge b.v. werd de onroerende zaak gehuurd door eiseres. De huurovereenkomst tussen Ridge b.v. en eiseres is op 1 augustus 2015 gesloten. De huur voor het jaar 2018 bedroeg € 465.327,-. Ook op 12 december 2018 is de onroerende zaak door Ridge b.v. geleverd aan Care Property. De koopsom bedroeg € 4.973.357,-. Care Property is met eiseres een huurovereenkomst aangegaan voor een periode van 20 jaar. De huur is ingegaan op 12 december 2018 en bedroeg op dat moment € 280.000,-. Geschil en standpunten van partijen 2.1 Eiseres heeft de rechtbank verzocht de zaak aan te houden totdat uitspraak is gedaan in de beroepsprocedure voor het jaar 2019 (zaaknummer UTR 20/1568). De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen, omdat zij in deze procedure op 29 juni 2021 al uitspraak heeft gedaan waarbij het beroep ongegrond is verklaard. 2.2 Tussen partijen is in geschil: of de bij de uitspraak op bezwaar nader vastgestelde waarde van de onroerende zaak van € 4.454.000,- (de nader vastgestelde waarde) te hoog is; indien de rechtbank oordeelt dat de nader vastgestelde waarde van de onroerende zaak van € 4.454.000,- te hoog is: of de door eiseres voorgestane waarde van € 3.085.000,- te laag is; of de aanslag moet worden vernietigd. 2.3 Ter onderbouwing van haar standpunt dat de bij de uitspraak op bezwaar nader vastgestelde waarde van de onroerende zaak van € 4.454.000,- te hoog is, voert eiseres in beroep - samengevat - het volgende aan: verweerder had bij de bepaling van de waarde van de onroerende zaak op grond van de verkrijgingsfictie, meer in het bijzonder wegens de verhuurde staat van de onroerende zaak, bij de herleiding van de waarde van de onroerende zaak uit de prijs waarvoor Care Property de onroerende zaak in december 2018 heeft gekocht (het eigen koopcijfer) een correctie moeten toepassen. Dit heeft hij echter niet gedaan; verweerder heeft geen rekening gehouden met de omstandigheid dat het woonzorgcentrum een gebouwd eigendom is dat tot woning dient en dat deel uitmaakt van een op de voet van de Nsw aangewezen landgoed waarvan de waarde moet worden bepaald op de zogeheten bestemmingswaarde. Ter onderbouwing van de door haar in beroep voorgestane waarde van de onroerende zaak van € 3.085.000,- heeft eiseres een taxatierapport overgelegd dat op 12 november 2021 is opgesteld door taxateur [taxateur 1] . Ter onderbouwing van haar standpunt dat de aanslag moet worden vernietigd heeft eiseres aangevoerd dat een aantal delen van het woonzorgcentrum die volgens verweerder niet voldoen aan het criterium “dienen tot woning of volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden”, wel degelijk aan dit criterium voldoen. Wordt dit rechtgetrokken, dan is volgens eiseres geen andere conclusie mogelijk dan dat het woonzorgcentrum in hoofdzaak tot woning dient. Die conclusie brengt mee dat de aanslag ten onrechte is opgelegd. 2.4 Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de bij de uitspraak op bezwaar nader vastgestelde waarde van de onroerende zaak van € 4.454.000,- niet te hoog is, heeft verweerder een taxatierapport overgelegd dat op 11 augustus 2021 is opgesteld door taxateur [taxateur 2] . In dit rapport is de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum getaxeerd op € 4.700.000,-. Voorts stelt hij zich op het standpunt dat het woonzorgcentrum niet in hoofdzaak tot woning dient zodat 1e. er geen reden is om de waarde van het woonzorgcentrum op de bestemmingswaarde te stellen en 2e. de aanslag terecht aan eiseres is opgelegd. De beoordeling van het geschil 3.1 De rechtbank zal wat betreft het onder 2.2, sub a, genoemde geschilpunt eerst de vraag beantwoorden of de nader vastgestelde waarde van de onroerende zaak, indien deze uitsluitend wordt getoetst aan artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ (de marktwaarde), te hoog is. Daarna zal de rechtbank de vraag beantwoorden of op de marktwaarde van de onroerende zaak op grond van het bepaalde in artikel 17, vijfde lid, van de Wet WOZ de instandhoudingslast in mindering dient te worden gebracht. Toetsing van de nader vastgestelde waarde aan artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ (de marktwaarde) 3.2 Verweerder moet aannemelijk maken dat de door hem vastgestelde marktwaarde van de onroerende zaak niet te hoog is. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder aan deze bewijslast heeft voldaan, moeten de beroepsgronden van eiseres en wat zij ter onderbouwing daarvan heeft aangevoerd in de overwegingen worden betrokken. Slechts indien verweerder niet aan zijn bewijslast heeft voldaan, komt de vraag aan de orde of eiseres de door haar verdedigde marktwaarde aannemelijk heeft gemaakt. Als ook dat laatste niet het geval is, kan de rechter zelf tot een vaststelling van de marktwaarde komen. 3.3 Verweerder heeft de marktwaarde allereerst onderbouwd met het eigen koopcijfer van € 4.973.357,-. Het taxatierapport bevat een taxatiekaart waarin de volgende gegevens zijn opgenomen. transactie 12-12-2018 € 4.973.357 perceel 7.420 m² ondergrond/bouwstempel 591 m² grond Nsw uitgezonderd 6.829 m² € 40 € 273.160 -/- waarde WOZ € 4.700.000 3.4 Eiseres stelt dat verweerder het eigen koopcijfer had moeten corrigeren in verband met de rijksmonumentale- en de Nsw-status van de onroerende zaak. Volgens verweerder is er geen reden voor een dergelijke correctie, omdat de omstandigheid dat de onroerende zaak op het moment van de transactie zowel een rijksmonumentale- als een Nsw-status had, is verdisconteerd in het eigen koopcijfer. Omdat de onroerende zaak deel uitmaakt van een op de voet van artikel 1 van de Nsw aangewezen landgoed, heeft verweerder alleen het woonzorgcentrum en niet de omliggende grond bij de bepaling van de waarde van de onroerende zaak in aanmerking genomen. De taxateur van verweerder heeft de waarde van de omliggende grond bepaald op € 273.160,-. Hij heeft vervolgens de marktwaarde van de onroerende zaak berekend door het eigen koopcijfer van € 4.973.357,- te verminderen met de waarde van de omliggende grond van € 273.160.-. De op deze wijze getaxeerde waarde van de onroerende zaak van (afgerond) € 4.700.000,- is hoger dan de nader vastgestelde waarde van € 4.454.000,-. 3.5 Als tweede onderbouwing van zijn standpunt dat de nader vastgestelde waarde van de onroerende zaak niet te hoog is, heeft verweerder in het taxatierapport losse opsommingen van gegevens opgenomen. De gegevens betreffen de onroerende zaak en drie naar de opvatting van verweerder met de onroerende zaak vergelijkbare onroerende zaken (de vergelijkingsobjecten). De gegevens zijn verwerkt in het hieronder opgenomen overzicht. onroerende zaak [adres 2] [adres 3] [adres 4] Gemeente [woonplaats] [woonplaats] [plaats 2] [plaats 1] Transactiedatum 12-12-18 06-02-19 06-02-19 21-12-16 koopsom (€) 4.973.357 1.622.500 4.135.000 6.766.917 getaxeerde waarde (€) 4.700.000 -- -- -- oppervlakte gebouw (m2) 1.775 548 1.275 2.500 oppervlakte perceel (m2) 7.420 515 3.672 4.655 koopprijs per m2 gebouw (€) 2.802 2.961 3.243 2.707 bouwjaar/renovatiejaar 1855/2005 1900/2007 1900/2015 1959/2016 Rijksmonument ja nee ja nee Nsw-landgoed ja nee nee nee soort object woonzorg- centrum woonzorg- centrum woonzorg- centrum woonzorg- centrum Onderhoud goed goed goed goed Uitstraling goed goed goed voldoende Eerste onderbouwing: het eigen koopcijfer 3.6 Eiseres neemt het standpunt in dat het eigen koopcijfer van € 4.973.357,- vanwege de volgende twee redenen met 7,5 percent moet worden verminderd om te bewerkstelligen dat het eigen koopcijfer de marktwaarde van de onroerende zaak weergeeft: 1. op grond van de verkrijgingsfictie en; 2. om rekening te houden met de kans op leegstand van de onroerende zaak. 3.7 Niet in geschil is dat de onroerende zaak is ingeschreven in het rijksmonumentenregister. Dit betekent dat de waarde van de onroerende zaak moet worden bepaald op de marktwaarde. De rechtbank stelt voorop dat in een geval als dit, waarin de onroerende zaak rond de waardepeildatum is gekocht, in de regel ervan moet worden uitgegaan dat de marktwaarde overeenkomt met de door de belastingplichtige betaalde prijs, zulks tenzij de partij die zich daarop beroept (in dit geval: eiseres) feiten of omstandigheden stelt en aannemelijk maakt waaruit volgt dat de koopsom niet die waarde weergeeft. Van een feit of omstandigheid dat (die), indien aannemelijk bevonden, reden kan zijn om bij de bepaling van de marktwaarde van de onroerende zaak van het eigen koopcijfer af te wijken, is onder meer sprake als het tijdsverloop tussen het sluiten van de koopovereenkomst en de waardepeildatum (of omgekeerd) te lang is en/of als de koopovereenkomst niet op de markt tussen van elkaar onafhankelijke partijen is gesloten. Eiseres - die, zoals hiervoor is overwogen, op dit punt de stelplicht en de bewijslast heeft - heeft geen feiten gesteld en aannemelijk gemaakt die de conclusie kunnen dragen dat dat er in dit geval sprake is van een omstandigheid als hiervoor is bedoeld. Een andere reden om bij de bepaling van de marktwaarde van de onroerende zaak van het eigen koopcijfer af te wijken kan zijn dat (één van) de waarderingsficties in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ daartoe (noopt) nopen. Op deze reden om van het eigen verkoopcijfer af te wijken heeft eiseres uitdrukkelijk een beroep gedaan (zie onder 3.6, ten 1e). 3.8 De verkrijgingsfictie houdt in dat de waarde van een onroerende zaak, die niet onmiddellijk en in volle omvang in gebruik kan worden gegeven, moet worden bepaald alsof dit wel mogelijk is. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot de invoering van de Wet WOZ heeft geleid wordt dit als volgt toegelicht: “De verkrijgingsfictie veronderstelt een vrije opleverbaarheid van de onroerende zaak. Met omstandigheden die daarop inbreuk plegen, zoals het bewoond, verhuurd of verpacht zijn van de onroerende zaak wordt geen rekening gehouden. De fictie [moet] bewerkstelligen dat de te hanteren waarde in sterke mate wordt geobjectiveerd.” Deze strekking van de verkrijgingsfictie brengt mee dat voor de bepaling van de waarde van een onroerende zaak niet kan worden aangesloten bij verkoopprijzen van transacties waarbij de prijsvorming is beïnvloed door bestaande huurcontracten. Dit betekent overigens niet dat op de markt tussen zakelijk handelende partijen overeengekomen verkoopprijzen van verhuurde onroerende zaken bij de waardebepaling op grond van de Wet WOZ zonder meer buiten beschouwing moeten blijven. De mogelijkheid bestaat immers dat aan die verkoopprijzen marktgegevens kunnen worden ontleend die van nut kunnen zijn bij de vaststelling van de waarde met toepassing van artikel 17, tweede lid, Wet WOZ. Toegepast op het onderhavige geval kan het dus zo zijn dat het eigen koopcijfer van de onroerende zaak, ook al het is beïnvloed door het bestaande huurcontract, toch kan worden gebruikt om op grond daarvan de marktwaarde van de onroerende zaak te bepalen, mits het eigen koopcijfer op een deugdelijk onderbouwde manier wordt gecorrigeerd voor de invloed die het bestaande huurcontract erop heeft gehad. 3.9 Het ligt op de weg van eiseres om feiten of omstandigheden te stellen waaruit volgt dat zonder een correctie op grond van de verkrijgingsfictie van het eigen koopcijfer van € 4.973.357,-, dit eigen koopcijfer niet de marktwaarde van de onroerende zaak weergeeft. Eiseres voert daartoe het volgende aan. Care Property heeft de onroerende zaak in verhuurde staat gekocht van de vorige eigenaar (Ridge b.v.). De verhuurovereenkomst is een zogeheten “triple net overeenkomst”, waarbij de huurder zich heeft verplicht naast de huur, ook alle andere aan het pand verbonden kosten te betalen, met name de door de eigenaar/verhuurder voor de onroerende zaak verschuldigde belastingen, verzekeringspremies en kosten van onderhoud. Door deze overeenkomst zijn op de onroerende zaak betrekking hebbende financiële verplichtingen en risico’s, die zonder een “triple net huurovereenkomst” bij de eigenaar zouden liggen, verschoven van de eigenaar naar de huurder. Daarom was Care Property bereid om voor de onroerende zaak een hogere prijs te betalen dan zonder de “triple net overeenkomst” het geval zou zijn geweest. De verkrijgingsfictie brengt mee dat bij de bepaling van de marktwaarde op basis van het eigen koopcijfer, het eigen koopcijfer dient te worden verminderd tot het bedrag dat de koper bereid zou zijn geweest te betalen voor de onroerende zaak als daarvoor geen “triple net overeenkomst” was gesloten. 3.10 Een kopie van de huurovereenkomst behoort niet tot de door eiseres overgelegde stukken. Dat maakt het moeilijk om te beoordelen of en vooral in welke mate het eigen koopcijfer door de op 12 december 2018 ingegane huurovereenkomst tussen Care Property en eiseres, is beïnvloed. Eiseres maakt het met het door haar overgelegde taxatierapport nog moeilijker. Daarin wordt de marktwaarde geschat op 92,5% van het eigen koopcijfer. De in het taxatierapport nodig geachte vermindering van 7,5% van het eigen koopcijfer betreft echter niet alleen de invloed van de op 12 december 2018 ingegane huurovereenkomst op het eigen koopcijfer, maar ook de kans op leegstand die volgens eiseres eveneens tot een correctie van het eigen koopcijfer moet leiden (zie hierboven onder 3.6 ten 2e). Voordat de rechtbank nader ingaat op de invloed van de op 12 december 2018 ingegane huurovereenkomst op het eigen koopcijfer, bespreekt zij hierna eerst de vraag of de kans op leegstand tot een correctie van het eigen koopcijfer moet leiden. 3.11 De correctie voor de kans op leegstand is in het taxatierapport als volgt toegelicht: “Ook de leegwaarde van zorgvastgoed is lager dan de beleggingswaarde, zeker wanneer sprake is van verkoop met een triple net overeenkomst. Een koper van leegstaand zorgvastgoed zal namelijk, nadat is aangekocht, een (huur)overeenkomst moeten sluiten met een zorgexploitant. Hierbij bestaat de kans op (langdurige) leegstand. Dit risico is beperkt bij nieuwe locaties, die voldoen aan huidige wensen en eisen. Bij oud en (o.a.) slecht geïsoleerd zorgvastgoed, zoals onderhavig WOZ-object, is dit risico er wel.” 3.12 Zoals onder 3.7 is overwogen heeft eiseres geen feiten gesteld en aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat dat het eigen verkoopcijfer niet is overeengekomen op de markt tussen van elkaar onafhankelijke partijen. Bij de totstandkoming op de markt van een koopovereenkomst betreffende een pand als het onderhavige, zal, indien de koper en verkoper van elkaar onafhankelijke partijen zijn, de koper (hier: Care Property) bij het bepalen van het bedrag dat hij (zij) in de te kopen zaak wil investeren, met een reële kans op leegstand van dat pand rekening houden. Eiseres heeft echter geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien aannemelijk bevonden, reden zouden kunnen zijn om te veronderstellen dat er in dit geval een reële kans op leegstand van de onroerende zaak bestaat. Mocht er desondanks een reële kans op leegstand van de onroerende zaak bestaan, dan acht de rechtbank het aannemelijk dat deze kans in het eigen koopcijfer is verdisconteerd. Gelet hierop is de kans op leegstand naar het oordeel van de rechtbank geen reden voor het aanbrengen van een correctie op het eigen koopcijfer. 3.13 Blijft over de vraag of enkel de invloed van de “triple net overeenkomst” op het eigen koopcijfer tot een correctie, en zo ja, tot welke correctie, van het eigen koopcijfer moet leiden. Wat partijen over en weer over de inhoud van de op 12 december 2018 ingegane huurovereenkomst tussen Care Property en eiseres hebben aangevoerd (zie hiervoor onder 3.9 en hierna onder 3.15), maakt naar het oordeel van de rechtbank, ook zonder dat een kopie van deze overeenkomst in het geding is gebracht, aannemelijk dat deze “triple net huurovereenkomst” van invloed is geweest op de voor de onroerende zaak overeengekomen koopprijs. Daarmee is de vraag tot welke correctie van het eigen koopcijfer de invloed van de “triple net overeenkomst” op dat cijfer moet leiden, echter niet beantwoord. 3.14 Eiseres stelt zich op het standpunt dat de invloed van de “triple net overeenkomst” bij de bepaling van de waarde van de onroerende zaak op basis van het eigen koopcijfer - in combinatie met de hiervoor door de rechtbank als reden voor een vermindering van het eigen koopcijfer verworpen kans op leegstand - moet leiden tot een vermindering van het eigen verkoopcijfer met 7,5 percent. Deze correctie is een aanname die eiseres niet met marktgegevens heeft onderbouwd en evenmin op andere wijze inzichtelijk en controleerbaar heeft gemaakt. Dat betekent dat eiseres niet erin is geslaagd aannemelijk te maken dat alleen met de door haar voorgestane correctie van 7,5 percent het eigen koopcijfer de marktwaarde van de onroerende zaak weergeeft. 3.15 Verweerder heeft gesteld dat tegenover de voordelen voor de eigenaar/koper (Care Property) van de “triple net overeenkomst” - te weten dat de huurder zich daarin heeft verplicht om naast de huur, ook alle andere aan het pand verbonden kosten te betalen, met name de door de eigenaar/verhuurder voor de onroerende zaak verschuldigde belastingen, verzekeringspremies en kosten van onderhoud - staat dat de bedongen huursom veel lager is dan hij zou zijn geweest als de huurovereenkomst geen “triple net overeenkomst” zou zijn geweest. Verweerder wijst erop dat bij de eerdere verkoop van de onroerende zaak in 2018 voor een bedrag van € 4.285.000,-, eveneens in verhuurde staat, maar zonder “triple net overeenkomst”, de (in 2005 overeengekomen) huurprijs € 465.327,- bedroeg en dat bij de transactie waarbij het eigen koopcijfer is overgekomen, mét een “triple net overeenkomst”, de huursom € 280.000,- bedroeg. Verweerder stelt dat de voordelen voor de eigenaar/koper (Care Property) van de “triple net overeenkomst” wegvallen tegen het nadeel van de veel lagere huursom. De rechtbank leidt hieruit af dat verweerder de invloed van de “triple net overeenkomst” op het eigen koopcijfer verwaarloosbaar acht. 3.16 Dat voor de eigenaar/koper (Care Property) het nadeel van de veel lagere huursom en de onder 3.15 genoemde voordelen tegen elkaar kunnen worden weggestreept, is geen feit maar (slechts) een aanname van verweerder. De rechtbank volgt verweerder niet in deze aanname, omdat verweerder de aanname niet heeft onderbouwd met door hem in het geding gebrachte marktgegevens en evenmin op andere wijze inzichtelijk en controleerbaar heeft gemaakt. Daar komt bij dat sprake is van een zodanig groot verschil tussen de koopprijs mét een “triple net overeenkomst” en de koopprijs zonder “triple net overeenkomst”, dat het juist niet aannemelijk is dat de “triple net overeenkomst” slechts een verwaarloosbare invloed heeft op de koopprijs. 3.17 Verweerder is er, gelet op wat 3.14 tot en met 3.16 is overwogen, niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat de invloed van “triple net overeenkomst” op het eigen koopcijfer van de onroerende zaak per saldo verwaarloosbaar is. 3.18 Omdat geen van beide partijen erin is geslaagd de door haar voorgestane correctie van het eigen koopcijfer bij de bepaling van de marktwaarde van de onroerende zaak op basis van dat eigen koopcijfer (eiseres: min 7,5 percent; verweerder: nihil) aannemelijk te maken, brengt wat onder 3.8 is overwogen naar het oordeel van de rechtbank mee dat voor de bepaling van de waarde van de onroerende zaak niet kan worden aangesloten bij het eigen koopcijfer. Tweede onderbouwing: het taxatierapport 3.19 In het taxatierapport van verweerder is niet vermeld of de vergelijkingsobjecten zijn verhuurd en zo ja, of de huurovereenkomsten vergelijkbaar zijn met de inzake de onroerende zaak gesloten huurovereenkomst. Daarom is onduidelijk of bij de herleiding van de waarde van de onroerende zaak uit de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten correcties op de verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten moeten worden aangebracht, omdat de verkoopprijzen zijn beïnvloed door met betrekking tot de vergelijkingsobjecten gesloten huurovereenkomsten. 3.20 De verkoop van het vergelijkingsobject [adres 4] te [plaats 1] dateert van meer dan twee jaar vóór de waardepeildatum. Dat maakt de bij deze verkoop behaalde koopprijs minder geschikt om te worden gebruikt bij de bepaling van de waarde van de onroerende zaak. 3.21 De in het taxatierapport van verweerder vermelde koopprijzen per m2 oppervlak van het (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.