← Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2022:3426

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 21/4666 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 augustus 2022 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser, (gemachtigde: G. Gieben) en de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [gemeente] , verweerder (gemachtigde: W. Vos). Procesverloop In de beschikking van 28 februari 2021 heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak op het adres [adres 1] in [woonplaats] (de woning) voor het belastingjaar 2021 vastgesteld op € 526.000,- naar de waardepeildatum 1 januari

  1. Bij deze beschikking heeft verweerder aan eiser als eigenaar van deze woning ook een aanslag onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd. Eiser is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van 13 oktober 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van de woning gehandhaafd. Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift met een taxatiematrix ingediend. De zaak is behandeld op de digitale zitting van 14 april
  2. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [taxateur] , taxateur. Overwegingen Inleiding
  3. De woning is een in 1999 gebouwde twee-onder-één-kapwoning met een garage. De woning heeft een gebruiksoppervlakte van 157 m2 en een kaveloppervlak van 293 m
  4. In geschil is de waarde van de woning per 1 januari
  5. Eiser bepleit een lagere waarde, namelijk € 505.000,-. Verweerder handhaaft de vastgestelde waarde van € 526.000,-. Beoordelingskader
  6. De WOZ-waarde van de woning is de waarde in het economisch verkeer. Dat is de prijs die bij verkoop op de voor die woning meest geschikte wijze en na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor die woning zou zijn betaald. De waarde wordt bepaald door middel van de vergelijkingsmethode. Dit houdt in dat de waarde van de woning wordt vastgesteld aan de hand van een vergelijking met de verkoopopbrengst van woningen die rondom de waardepeildatum zijn verkocht en voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. De referentiewoningen hoeven dus niet identiek te zijn aan de woning. Wel moet verweerder inzichtelijk maken op welke manier hij met de onderlinge verschillen rekening heeft gehouden.
  7. Op verweerder rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat de waarde van de woning op de waardepeildatum (1 januari 2020) niet te hoog is vastgesteld. Bij de beoordeling of dit het geval is, zal de rechtbank wat eiser ter betwisting van de vastgestelde waarde heeft aangevoerd, meewegen.
  8. Om de waarde van de woning te onderbouwen heeft verweerder een taxatiematrix overgelegd, waarin de woning wordt vergeleken met vier verkopen in [woonplaats] , te weten: - [adres 2] , verkocht op 24 september 2019 voor € 500.000,-; - [adres 3] , verkocht op 30 september 2019 voor € 556.013,-; - [adres 4] , verkocht op 17 oktober 2018 voor € 580.000,-; - [adres 5] , verkocht op 24 april 2012 voor € 660.000,-. Beoordeling van het geschil Maakt verweerder de waarde aannemelijk?
  9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de taxatiematrix en de toelichting die daarop ter zitting is gegeven aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat de in de taxatiematrix genoemde referentiewoningen goed bruikbaar zijn, omdat zij alle in dezelfde buurt zijn gelegen, waarbij één woning in dezelfde straat is gelegen, niet te ver van de waardepeildatum zijn verkocht en wat uitstraling, type en bouwjaar betreft voldoende vergelijkbaar zijn met de woning. Met de taxatiematrix maakt verweerder aannemelijk dat bij de waardebepaling in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de referentiewoningen en de woning wat betreft onder meer gebruiksoppervlakte door voor de woningwaarde de een na laagste eenheidsprijs te hanteren. Met de taxatiematrix heeft verweerder de waardeverhouding tussen de woning en de referentiewoningen inzichtelijk gemaakt.
  10. Wat eiser in beroep aanvoert, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De parkeerplaats
  11. Eiser heeft de beroepsgrond, dat verweerder de waarde van de parkeerplaats bij de woning niet onderbouwt, op de zitting ingetrokken. Deze grond hoeft dan ook niet te worden besproken. De KOUDV+L-factoren 9.1 Eiser stelt dat verweerder op het taxatieverslag de KOUDV+L-factoren van de referentiewoningen en de woning heeft vermeld zonder inzichtelijk te maken hoe de onderlinge verschillen gecorrigeerd zijn. In beroep heeft verweerder de waarde onderbouwd aan de hand van de in de taxatiematrix gehanteerde referentiewoningen. Eiser heeft hiertegen geen gronden gericht. Deze grond behoeft verder dan ook geen bespreking. 9.2 Ten overvloede overweegt de rechtbank dat er in het belastingrecht sprake is van een vrije bewijsleer. Dit betekent dat partijen in een geschil over een WOZ-waarde vrij zijn om, ter onderbouwing van de door hem voorgestane waarden, een bewijsmiddel te kiezen. Verweerder mag dus zelf bepalen hoe hij de waarde onderbouwt. Er bestaat voor verweerder daarom geen verplichting om bij toepassing van de KOUDV+L-factoren een rekenmodel te gebruiken of vaste correctiepercentages te hanteren, zolang verweerder maar voldoende aannemelijk maakt dat de waarde van de woning van eiser niet te hoog is vastgesteld. De beroepsgrond slaagt niet. De door verweerder gehanteerde referentiewoning
  12. Eiser stelt dat de door verweerder gehanteerde referentiewoning [adres 2] de waarde niet onderbouwt. Deze woning onderbouwt volgens eiser een lagere waarde. De rechtbank volgt het standpunt van eiser niet. Alle vier referentiewoningen dienen als uitgangspunt en niet alleen de referentiewoning met de laagste m2-prijs. Met name [adres 2] en [adres 3] zijn goed vergelijkbare referentiewoningen vanwege de ligging, waarbij [adres 3] een aanmerkelijk hogere m2-prijs heeft. Ook [adres 4] en [adres 5] hebben een hogere prijs per m2 en onderbouwen daarbij de WOZ-waarde van de woning. Daarbij komt dat de door verweerder gehanteerde m2-prijs van € 2.387,- voor de woning onder de gemiddelde m2-prijs van de gehanteerde referentiewoningen (€ 2.698,-) ligt. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie
  13. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Schuman, rechter, in aanwezigheid van A. Kasi, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 augustus
  14. De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Deze uitspraak is verzonden op de stempeldatum die hierboven staat.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.