RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Bestuursrecht zaaknummer: UTR 22/3298 uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 september 2022 in de zaak tussen [verzoeker] en [verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekers (gemachtigde: mr. T. van der Weijde), en het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht, verweerder (gemachtigde: mr. drs. U.A.E. Arnhold). Als derde-partij neemt aan het geding deel [bedrijf] te [plaats] . Procesverloop In het besluit van 4 juli 2022 (primaire besluit) heeft verweerder aan derde-partij een ontheffing verleend voor het uitvoeren van maximaal 50 helikopterstarts en 50 helikopterlandingen op 18 september 2022 op een terrein nabij [adres] in [woonplaats] . Verzoekers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Daarvan is in dit geval geen sprake. Nadat verzoekers bezwaar hadden gemaakt tegen de verleende ontheffing en de voorzieningenrechter hadden verzocht om de verleende ontheffing te schorsen, heeft derde-partij de voorzieningenrechter diezelfde dag schriftelijk bericht geen gebruik te zullen maken van de verleende ontheffing. Op 29 augustus 2022 heeft derde-partij de griffier nogmaals telefonisch bevestigd dat geen gebruik zal worden gemaakt van de ontheffing en dat op 18 september 2022 dus geen helikoptervluchten zullen worden uitgevoerd op het terrein nabij [adres] in [woonplaats] .
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.