RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: UTR 21/4744 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 augustus 2022 in de zaak tussen [eiser] , te [woonplaats] , eiser, en De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder. Procesverloop Verzoeker heeft 14 september 2021 een verzoek ingediend op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Bij brief van 5 november 2021 heeft verzoeker verweerder in gebreke gesteld. Verzoeker heeft op 2 december 2021 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn aanvraag. Bij besluit van 21 december 2021 heeft verweerder alsnog beslist op het verzoek van verzoeker. Bij brief van 14 maart 2022 heeft verzoeker het beroep ingetrokken en de rechtbank op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht verweerder bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in het griffierecht. Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek. Overwegingen
- De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
- De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
- De rechtbank stelt vast dat verweerder alsnog een besluit heeft genomen en in zoverre aan verzoeker is tegemoetgekomen, dat verzoeker om die reden het beroep heeft ingetrokken en dat verzoeker proceskosten heeft gemaakt. Het verzoek is daarom kennelijk gegrond, zodat voortzetting van het onderzoek niet nodig is.
- De rechtbank wijst er ten slotte op dat verweerder, gelet op artikel 8:41, zevende lid, van de Awb, het door verzoeker betaalde griffierecht van € 181,- aan hem dient te vergoeden. Hiervoor is geen beslissing op grond van artikel 8:75a Awb nodig. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 augustus
- griffier rechter Afschrift verzonden aan partijen op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.