RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND Strafrecht Zittingsplaats Utrecht Parketnummer: 16.217639.20 (P) Vonnis van de meervoudige kamer van 19 september 2022 in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren op [1980] te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] , [postcode] te [woonplaats] . 1ONDERZOEK TER TERECHTZITTING Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 september
(2)jaren vast; - veroordeelt verdachte voorts tot een taakstraf van 240 uren; - beveelt dat voor het geval verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 120 dagen hechtenis; Benadeelde partij wijst de vordering van [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 388,-; veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 april 2019 tot de dag van volledige betaling; verklaart [slachtoffer 2] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter; legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 388,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 april 2019 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 7 dagen gijzeling; bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed. Dit vonnis is gewezen door, mr. H.A. Brouwer, voorzitter, mr. P.C. Quak en mr. M.E. Dekker, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.J. den Haan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 19 september 2022. Bijlage: de tenlastelegging, zoals deze luidt na toewijzing van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging ter zitting van 5 september 2022 Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat: 1hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 november 2018 tot en met 25 mei 2019 te Zeist en/of Driebergen-Rijssenburg en/of Amersfoort, in elk geval in Nederland meermalen een of meerdere geldbedragen (van in totaal € 58.121,07), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(
- n)heeft weggenomen (telkens) met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen geldbedrag(
- en)onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door telkens met gebruikmaking van de pinpas en pincode van die [slachtoffer 1] bij (een) geldautoma(a)t(
- en)een of meerdere geldbedragen te pinnen en/of telkens een of meerdere geldbedrag(en)over te boeken van een rekening (mede) op naam van die [slachtoffer 1] naar een rekening op naam van verdachte en/of [B] , terwijl hij, verdachte, hier geen toestemming voor had;( art 310 Wetboek van Strafrecht, art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht ) subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 november 2018 tot en met 25 mei 2019 te Zeist en/of Driebergen-Rijssenburg en/of Amersfoort, in elk geval in Nederland, opzettelijk meermalen een of meerdere geldbedragen (van in totaal € 58.121,07), in elk geval enig geldbedrag en/of goed,geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] ,e, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als ambulant medewerker, elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;( art 321 Wetboek van Strafrecht, art 322 Wetboek van Strafrecht ) 2hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 29 november 2018 tot en met 25 mei 2019 te Amersfoort en/of Driebergen-Rijsenburg,althans in Nederland, meermalen opzettelijk en wederrechtelijk in een (gedeelte van) een geautomatiseerd werk, te weten een computer en/of server van ABN AMRO en/of computersystemen bevattende een ABN AMRO bank account, is binnengedrongen door het doorbreken van een beveiliging en/of door een technische ingreep en/of met behulp van valse signalen of een valse sleutel en/of door het aannemen van een valse hoedanigheid, te weten door het (telkens) inloggen met inlognamen en/of wachtwoorden en/of andere inloggegevens van [slachtoffer 1] en/of door het aannemen van een valse hoedanigheid door zich voor te doen als de accounthouder van voornoemde ABN AMRO account;( art 138ab lid 1 Wetboek van Strafrecht ) 3hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 juli 2017 tot en met 25 april 2019 te Driebergen-Rijsenburg, gemeente Utrechtse Heuvelrug, althans in Nederland meermalen althans eenmaal met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 2] tweemaal heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten de afgifte van twee geldbedragen van respectievelijk € 557,- en € 740,-, in elk geval enig geldbedrag, door:- in strijd met de waarheid tegen die [slachtoffer 2] te zeggen dat hij namens [slachtoffer 2] aangifte van de inkomstenbelasting heeft gedaan over de jaren 2016, 2017 en 2018 en/of- (vervolgens) aan die [slachtoffer 2] een e-mailbericht van [B] te tonen waarin staat vermeld dat die [slachtoffer 2] over het jaar 2016 een geldbedrag van € 556,- moet terugbetalen, dat zij ter voorkoming van een boete dit bedrag reeds hebben voorgeschoten en dat die [slachtoffer 2] vanwege te veel betaald voorschot een bedrag van € 169,- teruggestort zal krijgen en/of- het geldbedrag van € 169,- daadwerkelijk op de rekening op naam van [slachtoffer 2] terug te storten;en/of- in zijn rol als hulpverlener die [slachtoffer 2] te adviseren over en/of te helpen bij de aanschaf van een (nieuwe) laptop- voor te doen alsof die [slachtoffer 2] een nieuwe laptop met een Office-pakket en virusscanner bij [niet bestaand bedrijf] heeft gekocht, terwijl dit inwerkelijkheid de (oude) laptop van verdachte was- (daartoe) een factuur op naam van [niet bestaand bedrijf] , zijnde een niet bestaand bedrijf, op te stellen voor een (nieuwe) laptop met een Office-pakket en een virusscanner ter waarde van € 697,90 en deze als eigenaar van dat bedrijf te ondertekenen, en/of- de koopprijs voor die laptop te ontvangen en/of voor te doen alsof hij, verdachte,dit geldbedrag aan [niet bestaand bedrijf] heeft voldaan;( art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht ) 4hij op of omstreeks 19 juli 2017 te Driebergen-Rijsenburg, gemeente Utrechtse Heuvelrug een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een factuur van [niet bestaand bedrijf] gedateerd 19 juli 2017 valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, door opzettelijk in strijd met de waarheid:- een factuur op te maken onder de naam van een niet bestaand bedrijf, te weten [niet bestaand bedrijf] , en/of- daarop te vermelden dat voornoemd bedrijf aan dhr. [slachtoffer 2] een (nieuwe) laptop met een Office-pakket en een virusscanner heeft verkocht ter waarde van € 697,90,terwijl in werkelijkheid door verdachte een aan hem toebehorende (oude) laptop is doorverkocht met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;( art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht ) Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina’s van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van 24 november 2020, genummerd BVH 2019.307509, opgemaakt door politie Midden-Nederland, doorgenummerd 1 tot en met 223. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Een proces-verbaal van aangifte van 18 mei 2020 van [slachtoffer 1] , pagina 42. Een proces-verbaal van bevindingen van 16 juni 2020, pagina 45. Een geschrift, te weten een overzicht van een bankrekening op naam van [slachtoffer 1] , pagina 51. Een geschrift, te weten een overzicht van een bankrekening op naam van [slachtoffer 1] , pagina 51. Een geschrift, te weten een overzicht van een bankrekening op naam van [verdachte] , pagina 148-149. Een geschrift, te weten een overzicht van een bankrekening op naam van [slachtoffer 1] , pagina 53-55. Een verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting op 5 september 2022. Een proces-verbaal van aangifte van 11 mei 2020 van [slachtoffer 2] , pagina 57. Een proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 2 april 2020, pagina 39. Een geschrift, te weten een e-mailbericht van 25 april 2018, pagina 71 en 72. Een geschrift, te weten een kopie van een bankafschrift van 25 juni 2019, pagina 77. Een geschrift, te weten een factuur van 19 juli 2017 van [niet bestaand bedrijf] , pagina 81. Een geschrift, te weten een rekeningafschrift van 12 juli 2017, pagina 83. Een geschrift, te weten een rekeningafschrift van 2 mei 2019, pagina 73. Een geschrift, te weten een brief van de Belastingdienst van 15 oktober 2019, pagina 68. Een geschrift, te weten een screenshot van een digitaal dossier van de Belastingdienst, pagina 69. Een verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 september 2022. Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 27 augustus 2020, pagina 190.